|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/4050 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
24 juli 2003, nummer AWB 02/3177 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingezonden.
Gedaagde heeft vragen beantwoord en nadere stukken overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 april 2004, waar
voor appellant zijn verschenen [getuige 1] en [getuige 2], beiden wonende te [woonplaats], en waar namens gedaagde is
verschenen mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad overweegt allereerst het volgende.
Ter zitting is namens appellant verzocht de behandeling van dit geding
op een nader tijdstip te bepalen omdat appellant de kennisgeving voor de
zitting eerst in een laat stadium heeft ontvangen en daardoor niet in
staat is geweest tijdig naar Nederland te reizen om de behandeling ter
zitting bij te wonen. De Raad stelt vast dat de kennisgeving voor de
zitting op 11 februari 2004 per aangetekende post aan appellant is toegezonden.
Appellant heeft de Raad bij brief van 9 maart 2004 bericht dat hij de
kennisgeving heeft ontvangen en niet ter zitting aanwezig kan zijn. De
Raad leidt hieruit af dat appellant in elk geval ruim twee weken voor de
zitting kennis droeg van de datum van behandeling van het geding en niet
het voornemen had de zitting bij te wonen. Gezien dit alles ziet de Raad
geen aanleiding de behandeling op een nader tijdstip vast te stellen.
Hij gaat derhalve over tot een inhoudelijke beoordeling van het geding.
Appellant is in Nederland werkzaam geweest. Hij ontvangt sedert 1982 een
uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO). Op 17 februari 2000 is hij met behoud van deze uitkering naar
Marokko teruggekeerd. Bij schrijven van 29 maart 2001, dat blijkens het
poststempel op de enveloppe waarin het zich bevond, op 30 maart 2001 is gepost, heeft appellant gedaagde verzocht hem toe te
laten tot de vrijwillige verzekering voor de Algemene Ouderdomswet (AOW)
en de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Bij besluit van 7 maart 2002 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen, onder
overweging dat appellant zich niet binnen een jaar na het einde van zijn
verplichte verzekering voor de vrijwillige verzekering heeft aangemeld.
Bij het bestreden besluit van 17 juni 2002 heeft gedaagde het besluit van 7 maart 2002 na bezwaar
gehandhaafd.
De rechtbank heeft appellants beroep tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat appellant zijn
aanvraag om toelating tot de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en
de Anw niet binnen een jaar na het einde van zijn verplichte verzekering
ingevolge die wetten heeft ingediend, zodat de aanvraag op grond van de
toepasselijke wettelijke bepalingen moet worden afgewezen. Zij heeft
daaraan nog toegevoegd dat deze bepalingen dwingendrechtelijk van aard
zijn en dat daarvan slechts kan worden afgeweken indien zich
omstandigheden zouden voordoen waarin strikte toepassing van deze
bepalingen zo zeer in strijd zou zijn met algemene rechtsbeginselen dat
op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Van
dergelijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Zij overweegt
daarbij nog met name dat onbekendheid met de regelgeving volgens vaste
jurisprudentie niet een dergelijke omstandigheid oplevert en dat
bovendien uit de gedingstukken blijkt dat appellant ten tijde van zijn
vestiging in Marokko door een medewerker van het GUO (belast met de
uitvoering van de WAO), op de mogelijkheid van vrijwillige verzekering
is gewezen.
De Raad kan zich geheel in deze overwegingen vinden.
Hetgeen in hoger beroep door appellant naar voren is gebracht, bevat
slechts een herhaling van hetgeen in eerste aanleg al naar voren was
gebracht en geeft de Raad geen aanleiding tot nadere overwegingen.
Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 april
2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|