|
Uitspraak
01/6083
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
de door de rechtbank Roermond op 19 oktober 2001 tussen partijen gewezen
uitspraak, reg.nr. 01/622 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding geregistreerd onder nummer 01/6134
AOW, behandeld ter zitting van 30 maart 2004. Appellant en zijn
gemachtigden zijn niet verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gedingen weer
gesplitst. In beide zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren in 1936, heeft op 25 september 2000 een aanvraag om
een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend bij
gedaagde. Omdat appellant op hetzelfde adres als zijn broer, [naam
broer], woont, heeft een buitendienstmedewerker van gedaagde ten huize
van appellant en [naam broer] aan de hand van een checklist een
onderzoek ingesteld naar hun woon- en leefsituatie. Op grond van de
bevindingen van dat onderzoek heeft gedaagde bij besluit van 11 december
2000 aan appellant met ingang van 1 maart 2001 een ouderdomspensioen
toegekend naar de norm voor een gehuwde of een ongehuwde die samenwoont.
Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant met [naam broer]
een gezamenlijke huishouding voert.
Bij besluit van 18 april 2001 heeft gedaagde het door appellant tegen
het besluit van 11 december 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 18
april 2001 ongegrond verklaard.
Namens appellant is betoogd dat hij geen gezamenlijke huishouding voert
met zijn broer [naam broer] doch dat sprake is van een
kostgangersrelatie dan wel van twee autonome huishoudens.
Daaromtrent overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge artikel 1, derde lid, van de AOW wordt als gehuwd of als
echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige, die met een
andere meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het
betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de AOW is van een gezamenlijke
huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
Naar vaste rechtspraak dient de vraag of in een bepaald geval sprake is
van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van
objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren
van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van
betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet relevant.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde
datum, 1 maart 2001, zowel aan het criterium van het hebben van
hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse
zorg is voldaan. Hij onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot
dat oordeel hebben geleid en neemt deze over.
Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd bevat geen
wezenlijke nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad dan ook niet tot een
ander oordeel kunnen leiden. Gelet op de ter beschikking staande
gegevens acht de Raad het niet aannemelijk dat er sprake is van een
kostgangersrelatie dan wel van twee autonome huishoudens. De door de
rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten en omstandigheden duiden op
een in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een
mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een
zakelijke relatie overschrijden.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. A.B.J.
van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr.
P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april
2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene
Ouderdomswet kan ieder van partijen beroep in cassatie instellen ter
zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het
begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep kan worden
ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak
vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge
Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|