|
Uitspraak
01/6134
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
de door de rechtbank Roermond op 19 oktober 2001 tussen partijen gewezen
uitspraak, reg.nr. 01/619 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding geregistreerd onder nummer 01/6083
AOW, behandeld ter zitting van 30 maart 2004. Appellant en zijn
gemachtigde zijn niet verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gedingen weer
gesplitst. In beide zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren in 1931, ontving sedert 1 februari 1996 een
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm
voor een ongehuwde.
Naar aanleiding van een aanvraag van 25 september 2000 om AOW-pensioen,
ingediend door [naam broer], de broer van appellant, is vastgesteld dat
appellant met zijn broer op hetzelfde adres woont. In verband daarmee
heeft een buitendienstmedewerker van gedaagde ten huize van appellant en
[naam broer] aan de hand van een checklist een onderzoek ingesteld naar
hun woon- en leefsituatie. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek
heeft gedaagde bij besluit van 19 december 2000 het AOW-pensioen van
appellant met terugwerkende kracht tot 1 februari 1996 herzien en
vastgesteld naar de norm voor een gehuwde of ongehuwde die samenwoont.
Voorts is in een afzonderlijk schrijven van dezelfde datum door gedaagde
het voornemen kenbaar gemaakt dat het teveel ontvangen AOW-pensioen ten
bedrage van f 22.036,97 van appellant zal worden teruggevorderd.
Bij besluit van 8 januari 2001 is aan appellant de hoogte van zijn
AOW-pensioen meegedeeld per 1 maart 2001, het tijdstip waarop zijn broer
ook aanspraak maakt op een AOW-pensioen. Tegen zowel het besluit van 19
december 2000 als tegen het besluit van 8 januari 2001 is bezwaar
gemaakt.
Bij besluit op bezwaar van 18 april 2001 heeft gedaagde de herziening
met terugwerkende kracht tot 1 februari 1996 herroepen en bepaald dat
het AOW-pensioen van appellant met ingang van 1 maart 2001 wordt herzien
naar de norm van iemand die een gezamenlijke huishouding voert met een
persoon van 65 jaar of ouder. Voorts is kenbaar gemaakt dat van het
voornemen om tot terugvordering over te gaan, wordt afgezien.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 18
april 2001 ongegrond verklaard.
Namens appellant is betoogd dat hij geen gezamenlijke huishouding voert
met zijn broer, [naam broer] doch dat er sprake is van een
kostgangersrelatie dan wel van twee autonome huishoudens.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 1, derde lid, van de AOW wordt als gehuwd of als
echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige, die met een
andere meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het
betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de AOW is van een gezamenlijke
huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in
dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door
middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding
dan wel anderszins.
Naar vaste rechtspraak dient de vraag of in een bepaald geval sprake is
van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van
objectieve criteria.
Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke
huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van
hun onderlinge relatie niet relevant.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde
datum, 1 maart 2001, zowel aan het criterium van het hebben van
hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse
zorg is voldaan. Hij onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot
dat oordeel hebben geleid en neemt deze over.
Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd bevat geen
wezenlijk nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad dan ook niet tot een
ander oordeel kunnen leiden. Gelet op de ter beschikking staande
gegevens acht de Raad het niet aannemelijk dat er sprake is van een
kostgangersrelatie dan wel van twee autonome huishoudens. De door de
rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten en omstandigheden duiden op
een in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een
mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een
zakelijke relatie overschrijden.
Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 17a van de AOW
diende gedaagde het besluit tot toekenning van ouderdomspensioen te
herzien.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de
AOW, is de Raad niet gebleken.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. A.B.J.
van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr.
P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april
2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene
Ouderdomswet kan ieder van partijen beroep in cassatie instellen ter
zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het
begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep kan worden
ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak
vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge
Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|