|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/2123 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
2 april 2003, nummer AWB 02/1274 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 maart 2004, waar
appellant niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr.
B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant is in Nederland werkzaam geweest. In april 1979 is hij naar
Marokko teruggekeerd. Hij ontving op dat moment een uitkering ingevolge
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Op 11 november 2000 heeft appellant gedaagde verzocht hem toe te laten
tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW)
en de Algemene nabestaandenwet (Anw). Bij besluit van 23 november 2001
heeft gedaagde dit verzoek afgewezen onder overweging dat appellant zijn
aanvraag niet binnen een jaar na het einde van zijn verplichte
verzekering heeft ingediend. Bij het bestreden besluit van 25 februari
2002 heeft gedaagde het besluit van
23 november 2001 na bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft appellants beroep tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat appellant slechts
bevoegd was toe te treden tot de vrijwillige verzekering indien hij
uiterlijk een jaar na het einde van zijn verplichte verzekering een
aanvraag daartoe had ingediend. De rechtbank heeft voorts vastgesteld
dat appellants verzekering ingevolge de AOW en de Anw bij zijn vertrek
uit Nederland in april 1979 is geëindigd en dat hij sedert dat moment
niet meer verzekerd is geweest. Zij heeft daaraan de conclusie verbonden
dat appellant niet bevoegd was tot de vrijwillige verzekering toe te
treden.
In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de uitkering die
hij ontvangt, onvoldoende is.
De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen
en komt op grond van deze overwegingen tot hetzelfde oordeel als de
rechtbank. Hetgeen in hoger beroep door appellant is aangevoerd, doet
niet af aan de conclusie dat appellant niet bevoegd is tot de
vrijwillige verzekering toe te treden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade in tegenwoordigheid van mr.
M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 april
2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
III. DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale);
statue:
confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par M. le maître M.M. van der Kade en présence
de le maître
M.F. van Moorst en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public,
le 23-04-2004.
|
|