|
Uitspraak
02/12
AOW en 02/284 AOW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te
[woonplaats],
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3,4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellanten heeft mr. W.C.G.J. Sterk, advocaat te Heerlen, op bij
beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen twee door
de rechtbank Maastricht op 27 november 2001 tussen partijen gewezen
uitspraken, reg.nrs. 01/340 AOW en 01/341 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 23 maart 2004, waar
appellanten en hun gemachtigde met kennisgeving niet zijn verschenen, en
waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.F Sturmans
werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante en appellant hebben op respectievelijk 2 november 1984 en 26
september 1980 een aanvraag om ouderdomspensioen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet (AOW) ingediend. Bij besluiten van 22 november 1984
respectievelijk 12 december 1980 heeft gedaagde aan hun met ingang van 1
februari 1985 respectievelijk 1 september 1980 een ouderdomspensioen
naar de norm voor een ongehuwde toegekend.
Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante zou samenwonen met
appellant heeft gedaagde een onderzoek ingesteld. In het kader daarvan
heeft op 2 augustus 2000 een onaangekondigd huisbezoek plaats gevonden
bij appellante. De resultaten daarvan zijn vastgelegd in de
"checklist onderzoek van de leefsituatie" van 2 augustus 2000,
aangevuld met een rapport van 3 augustus 2000.
Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft gedaagde bij besluiten van
25 augustus 2000 de ouderdomspensioenen van ieder van appellanten met
ingang van 1 augustus 1995 herzien en nader vastgesteld naar de norm
voor een ongehuwde die duurzaam een gezamenlijke huishouding voert.
Bij besluiten van 1 februari 2001 heeft gedaagde de namens appellanten
tegen de besluiten van 25 augustus 2000 gemaakte bezwaren ongegrond
verklaard.
Appellanten zijn - ieder voor zich - van het aan hen gerichte besluit op
bezwaar in beroep gekomen.
De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten van 1 februari 2001
ongegrond verklaard.
De Raad staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of
gedaagde terecht heeft aangenomen dat appellanten vanaf 1 augustus 1995
een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en of op grond daarvan
gedaagde terecht de pensioenen van appellanten heeft herzien.
Waar het hier een herziening met terugwerkende kracht betreft, dient
deze vraag beantwoord te worden aan de hand van de materiële bepalingen
van de AOW zoals die in de betreffende periode hebben gegolden. In dat
verband is van belang dat de omschrijving van het begrip gezamenlijke
huishouding in de AOW met ingang van 2 januari 1998 is gewijzigd. Nu
vaststaat dat gedaagde de herziening van het recht op pensioen
uitsluitend gebaseerd heeft op de wettelijke bepalingen zoals die golden
vanaf 2 januari 1998, komen de besluiten van 1 februari 2001 voor zover
deze zien op de herziening over de periode van 1 augustus 1995 tot en
met 2 januari 1998, wegens strijd met de wet voor vernietiging in
aanmerking.
Ten aanzien van de twee aldus te onderscheiden perioden overweegt de
Raad het volgende.
a. Met betrekking tot de periode van 1 augustus 1995 tot 2 januari 1998
Ingevolge artikel 1, vierde lid (oud) respectievelijk vijfde lid (oud)
van de AOW kan van een gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde
respectievelijk vierde lid, slechts sprake zijn indien twee ongehuwde
personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een
bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze
in elkaars verzorging voorzien.
Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald
geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord
aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden
welke tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de
motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet
van belang.
Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van het
gezamenlijk voorzien in huisvesting. De feitelijke vaststelling dat de
betrokken personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, is
volgens vaste rechtspraak van de Raad al voldoende om aan te nemen dat
gezamenlijk wordt voorzien in huisvesting. Dat laatste blijkt ook uit de
jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het arrest van 22 december 1995,
gepubliceerd in NJ 1996, nr. 331).
De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat appellant in de
periode in geding zijn hoofdverblijf had bij appellante. De Raad baseert
zich daarbij op de verklaringen, zoals deze zijn opgenomen in de
bovenvermelde checklist van 2 augustus 2000, met de inhoud waarvan
appellanten zich beiden akkoord hebben verklaard door deze te
ondertekenen. Voor een andere conclusie is in de ogen van de Raad geen
plaats.
Het tweede criterium betreft het leveren van een bijdrage in de kosten
van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging
voorzien. Dit kan blijken uit een bepaalde mate van financiële
verstrengeling die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten
en hiermee samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanige financiële
verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook
andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat
betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten
aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden die niet van
subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de
vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat ten tijde in
geding bij appellanten sprake was van wederzijdse zorg en sluit zich aan
bij de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
Daarmee staat voor de Raad vast dat appellanten over de periode van 1
augustus 1995 tot 2 januari 1998 een gezamenlijke huishouding hebben
gevoerd als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW.
b. Met betrekking tot de periode vanaf 2 januari 1998
Artikel 1, vierde lid (tekst vanaf 2 januari 1998), van de AOW bepaalt
dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Aangezien niet is gebleken dat de feitelijke situatie in de hier aan de
orde zijnde periode anders was dan in de periode vóór 2 januari 1998,
is met hetgeen hiervoor onder a. is overwogen tevens gegeven dat
appellanten hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, terwijl in die
periode evenzeer is voldaan aan het zorgcriterium als omschreven in
artikel 1, vierde lid, van de AOW.
Ook ten aanzien van dit tijdvak moet derhalve worden aangenomen dat
appellanten een gezamenlijke huishouding voerden, en wel als bedoeld in
artikel 1, vierde lid, van de AOW.
Herziening
Artikel 17, eerste lid, van de AOW bepaalt - voorzover in dit geding van
belang - dat het ouderdomspensioen door gedaagde wordt herzien, wanneer
degene aan wie het is toegekend ingevolge het bij of krachtens de AOW
bepaalde daarvoor niet of niet meer, dan wel voor een lager pensioen in
aanmerking komt. In artikel 17, derde lid, AOW is onder meer bepaald dat
het ouderdomspensioen, indien het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is toegekend, wordt ingetrokken onderscheidenlijk herzien met ingang van
de dag waarop het is ingegaan.
Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het bestaan van de gezamenlijke
huishouding van appellanten is overwogen volgt dat gedaagde terecht
heeft aangenomen dat het ouderdomspensioen tot een te hoog bedrag was
vastgesteld vanaf 1 augustus 1995, zodat gedaagde gehouden was vanaf die
datum tot herziening van het ouderdomspensioen van appellanten over te
gaan.
De Raad ziet voorts met de rechtbank in de omstandigheden van
appellanten geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende
redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW, zodat
gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van
herziening af te zien.
Gelet op het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om met toepassing van
artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de
rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 1 februari 2001 in stand
te laten.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in
de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in
beroep en op € 322,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten voor
zover betrekking hebbend op de periode van 1 augustus 1995 tot 2 januari 1998.
Verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van de besluiten
van 1 februari 2001 in stand blijven.
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag
van in totaal € 966,-- , te betalen door de Sociale
verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellanten het betaalde
griffierecht van in totaal € 218,46 vergoedt.
Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. drs. N.J. van
Vulpen-Grootjans en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid
van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4
mei 2004.
(get.) R.M. van Male.
(get.) P.C. de Wit.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene
Ouderdomswet kan ieder van partijen beroep in cassatie instellen ter
zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het
begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de op dit
afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in
cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad
van Beroep in te zenden.
|
|