|
Uitspraak
01/2246
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Alkmaar van 7 maart 2001, nr. 99/1116 AOW, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft bij brief van 8 december 2003 een brief van de Europese
Commissie ingezonden.
Het geding is - gevoegd met het geding onder nummer 01/2245 Anw -
behandeld ter zitting van de Raad op 6 februari 2004, waar appellant in
persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant, van Franse nationaliteit, is van 1 maart 1963 tot en met 30
september 1992 als ambtenaar van de Europese Commissie werkzaam geweest
bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek te Petten. Hij ontvangt
een ouderdomspensioen van de Europese Gemeenschappen.
Bij besluit van 17 februari 1994 is aan appellant met ingang van 16
december 1993 vrijstelling verleend van de verzekeringsplicht ingevolge
de volksverzekeringen. Appellant heeft tegen dit besluit geen
rechtsmiddelen aangewend waardoor het rechtens onaantastbaar is
geworden.
Op 16 februari 1999 heeft appellant gedaagde verzocht de aan hem
verleende vrijstelling alsnog op een eerdere datum dan 16 december 1993
te doen laten ingaan.
Bij besluit van 23 april 1999 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen.
Daarbij is onder meer overwogen dat in het derde lid van artikel 22 van
het Koninklijk besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen van 24 december 1998, Stb. 1998, 746 (KB 746)
weliswaar de mogelijkheid is opgenomen om vrijstellingen van de
verzekeringsplicht alsnog te verlenen over reeds verstreken perioden, te
weten maximaal 3 jaren voorafgaande aan het vrijstellingsverzoek, maar
dat tot een eerdere vrijstellingsdatum alleen kan worden besloten
indien de toepassing van het derde lid leidt tot onbillijkheden van
overwegende aard. In appellants situatie doet zich naar het oordeel van
gedaagde echter geen onbillijkheid van overwegende aard voor nu het
nalaten van hem tijdig een vrijstellingsverzoek in te dienen het gevolg
is van onbekendheid met de regelgeving.
Bij besluit van 17 juni 1999 is het bezwaar van appellant ongegrond
verklaard.
De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 7 maart 2001 het beroep
ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat
appellant ook na zijn pensionering aanspraak kan maken op de in de
artikelen 12, 13, tweede alinea en 14 van het Protocol betreffende de
voorrechten en immuniteiten van de EG (PbEG 1967, L 152/12, Trb. 1965,
130, hierna: Protocol) neergelegde voorrechten en immuniteiten.
Vervolgens heeft de rechtbank, onder verwijzing naar onder meer het
arrest Klomp van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ
EG) van 25 februari 1969, nr. 23/68, overwogen dat onder vrijstelling
van belastingen als bedoeld in artikel 13 en 14 van het Protocol niet
moet worden begrepen de premieverplichting inzake de volksverzekeringen.
Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat appellant aan het EG-recht
geen aanspraak kan ontlenen op grond waarvan het bepaalde in KB 746 ten
aanzien van hem buiten toepassing zou dienen te blijven.
In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat op grond van artikel 15
van het Protocol zijn verzekeringspositie wordt beheerst door het
stelsel dat van toepassing is op EG-ambtenaren. De tekst van artikel 15
van het Protocol bevat niets wat grond kan bieden voor het uitgangspunt
van gedaagde dat gepensioneerde EG-ambtenaren aan de Nederlandse
volksverzekeringen zijn onderworpen en premie dienen te betalen tenzij
vrijstelling krachtens artikel 22 van KB 746 is verleend. Naar de mening
van appellant dient het opleggen aan hem van premieplicht voor de
volksverzekeringen als een onbillijkheid van overwegende aard in de zin
van KB 746 te worden beschouwd. Appellant heeft ter ondersteuning van
zijn betoog een brief van de Europese Commissie overgelegd. Onder
verwijzing naar het arrest Commissie/Belgiλ van het
HvJ EG van 20 oktober 1981, zaak 137/80, en het arrest
Commissie/Duitsland van het HvJ EG van 7 mei 1987, zaak 189/85, stelt de
Commissie zich op het standpunt dat er geen grond bestaat om
gepensioneerde oud-ambtenaren van de Gemeenschappen te verplichten zich
bij een nationale regeling inzake sociale voorzieningen aan te sluiten
en het standpunt van gedaagde elke grondslag mist.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt vast dat het verzoek van appellant ertoe strekt dat
gedaagde terugkomt van een in het verleden genomen en in rechte
vaststaand besluit aangaande de vrijstelling van de verzekeringsplicht
voor de volksverzekeringen. Naar aanleiding van dit verzoek, dat
uitsluitend betrekking heeft op een in het verleden gelegen periode,
heeft gedaagde de zaak opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een
andere uitkomst heeft geleid.
Anders dan voorheen hanteert de Raad thans in een geval als hier aan de
orde de volgende toetsingsnorm. Een bestuursorgaan is in het algemeen
bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk
te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te
heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) staat daar niet aan in de weg. Indien het
bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere
afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing
als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van
toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven
termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht.
Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de
oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag
of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en
zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om
het oorspronkelijke besluit te herzien.
De Raad constateert met betrekking tot het hiervoor in essentie
weergegeven betoog van appellant dat het hier niet gaat om nieuw
gebleken feiten of veranderde omstandigheden zoals hiervoor bedoeld nu
dit betoog ertoe strekt dat het besluit waarvan herziening is verzocht,
in strijd is met de van toepassing zijnde en ook destijds reeds geldende
regelgeving. Daarvan uitgaande kan naar het oordeel van de Raad niet
worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot het bestreden
besluit heeft kunnen komen danwel daarbij anderszins heeft gehandeld in
strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een
algemeen rechtsbeginsel.
De Raad komt derhalve niet toe aan de Europeesrechtelijke vraag of
appellant ondanks volledige verzekering krachtens het stelsel dat van
toepassing is op EG-ambtenaren toch onderworpen kan zijn aan de
Nederlandse socialezekerheidswetgeving.
Het arrest Kόhne & Heitz NV van het HvJ EG van 13 januari 2004,
zaak C-453/00, leidt niet tot een ander oordeel. In dit arrest heeft het
HvJ EG overwogen dat onder bepaalde omstandigheden er een gehoudenheid
kan bestaan een besluit opnieuw te onderzoeken teneinde rekening te
houden met de uitlegging die het Hof inmiddels aan de relevante bepaling
van gemeenschapsrecht heeft gegeven.
De Raad stelt vast dat in dit geding een combinatie van omstandigheden
als door het HvJ EG genoemd niet aan de orde is, zodat gedaagde niet
gehouden is het oorspronkelijk besluit opnieuw te onderzoeken in het
licht van relevante bepalingen van gemeenschapsrecht.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, op
enigszins gewijzigde gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april
2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|