|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/560 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Verenigde Staten), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden, nader aangevuld
bij een op 4 maart 2003 door de Raad ontvangen schrijven met bijlagen,
in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
15 januari 2003, reg.nr. AWB 02/423 AOW, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nog een tweetal brieven
overgelegd.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 11 maart 2004, waar appellant en gedaagde, beiden met
kennisgeving, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant ontvangt met ingang van 1 augustus 1984 een ouderdomspensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Gedaagde heeft appellant bij
besluit van 18 april 2001 medegedeeld dat met ingang van de maand dat
zijn echtgenote 65 jaar wordt, de toeslag op het aan hem toegekende
ouderdomspensioen ingevolge de AOW komt te vervallen. Appellant is bij
brief van 15 november 2001 van dit besluit in bezwaar gekomen. Gedaagde
heeft appellants bezwaar bij het bestreden besluit van 4 januari 2002
kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant zijn
bezwaarschrift niet binnen de gestelde termijn heeft ingediend en er
niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die de
termijnoverschrijding zouden kunnen verontschuldigen.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten, maar heeft in
haar uitspraak overwogen dat gedaagde, alvorens op het bezwaarschrift te
beslissen, appellant ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld
te worden gehoord over de overschrijding van de bezwaartermijn.
Ingevolge artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is
gedaagde gehouden belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden
gehoord en kan hiervan op grond van artikel 7:3 van de Awb slechts in
een beperkt aantal gevallen worden afgezien. Nu uit het buiten de
termijn ingediende bezwaarschrift niet zonneklaar blijkt wat de reden
van de termijnoverschrijding is, kan naar het oordeel van de rechtbank
niet licht onmiddellijk toepassing gegeven worden aan artikel 7:3 van de
Awb, maar zal de belanghebbende als regel in de gelegenheid moeten
worden gesteld om de oorzaken van de termijnoverschrijding tijdens het
horen of anderszins toe te lichten, teneinde na te gaan of toepassing
dient te worden gegeven aan artikel 6:11 van de Awb.
Nu appellant in beroep alsnog de gelegenheid heeft gehad om de
termijnoverschrijding toe te lichten en de rechtbank in hetgeen door
appellant is aangevoerd geen grond ziet voor het oordeel dat sprake is
van een verschoonbare termijnoverschrijding, ziet de rechtbank, nu
appellant door het bestreden besluit niet is tekortgedaan, geen
aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de uitspraak onjuist is.
Betoogd wordt onder meer dat de overschrijding van de bezwaartermijn
zijn oorzaak vindt in het feit dat hij gedaagdes besluit uit nalatigheid
niet volledig heeft gelezen.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen
van een bezwaarschrift zes weken. Overeenkomstig artikel 6:8 van de Awb
vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het bestreden
besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Tussen partijen is
niet in geschil dat het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend
gemaakt en door appellant in april 2001 is ontvangen. Derhalve dient te
worden aangenomen dat de bezwaartermijn op 19 april 2001 is aangevangen
en op 31 mei 2001 is geλindigd. Nu appellant eerst bij schrijven van 15
november 2001 bezwaar heeft gemaakt tegen gedaagdes besluit van 18 april
2001, stelt de Raad vast dat appellant niet tijdig bezwaar heeft
ingesteld.
De Raad acht het echter, evenals de rechtbank, onjuist dat gedaagde
nagelaten heeft appellant te vragen naar de reden van de
termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De Raad
verbindt hieraan in tegenstelling tot de rechtbank het gevolg dat het
bestreden besluit op die grond dient te worden vernietigd.
De Raad is anderzijds van oordeel dat de door appellant in beroep en
hoger beroep opgegeven reden dat hij gedaagdes besluit uit nalatigheid
niet volledig heeft gelezen en hij zich in verband hiermee eerst niet
gerealiseerd heeft dat hij bezwaar kon maken, de overschrijding van de
bezwaartermijn niet kan verontschuldigen. De Raad overweegt in verband
hiermee dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen
blijven.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking
komen, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het bestreden
besluit in stand blijven.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het griffierecht
ad 111,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H.J. Simon in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2004.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|