|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/934 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden, met bijlagen, in
hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, AWB
02/807 AOW, van 13 februari 2003, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 maart 2004, waar
appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant, die woonachtig is in Argentinië, heeft bij brief van 18 juli
1999 bij gedaagde een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een toeslag hierop. Gedaagde
heeft appellant bij besluit van 11 oktober 2000 medegedeeld dat hij geen
recht heeft op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW, omdat hij niet
verzekerd is geweest voor de AOW.
Appellant is bij brief van 21 november 2000, welke op die datum ter post
is bezorgd en die op 1 december 2000 door gedaagde is ontvangen, van dit
besluit in bezwaar gekomen. Gedaagde heeft appellants bezwaar bij
besluit op bezwaar van 15 december 2000 niet-ontvankelijk verklaard
wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank Amsterdam heeft, na het uitblijven van een door gedaagde
aangekondigde nadere beslissing op appellants bezwaarschrift omdat
gedaagde zijn besluit van 15 december 2000 niet langer wenste te
handhaven, aanleiding gezien dit besluit bij uitspraak van 8 augustus
2001 te vernietigen met de opdracht aan gedaagde om binnen zes weken een
nieuw besluit op bezwaar te nemen. Appellant heeft, nadat gedaagde
binnen de gestelde termijn geen gehoor gegeven heeft aan deze opdracht,
bij beroepschrift van 19 februari 2002 beroep ingesteld tegen het
uitblijven van een besluit op zijn bezwaarschrift. Bij het besluit van
10 mei 2002, hierna het bestreden besluit, heeft gedaagde alsnog beslist
op het bezwaar van appellant. Appellants bezwaar is bij het bestreden
besluit ontvankelijk, maar tevens ongegrond verklaard. Gedaagde heeft
hiertoe - kort gezegd - overwogen dat nu het veertien dagen geduurd heeft
alvorens appellant gedaagdes besluit van 11 oktober 2000 heeft ontvangen
in Argentinië, het alleszins redelijk is een gelijke termijn te
accepteren voor de periode die ligt tussen het moment dat appellant zijn
bezwaarschrift ter post heeft bezorgd tot de ontvangst van het
bezwaarschrift door gedaagde. Deze bijzondere omstandigheid kan de
overschrijding van de bezwaartermijn verontschuldigen. Gedaagde heeft
voorts zijn in het primaire besluit neergelegde standpunt gehandhaafd
dat appellant geen recht heeft op een ouderdomspensioen ingevolge de
AOW, omdat hij niet verzekerd is geweest. De rechtbank heeft het
bestreden besluit onder toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegenomen in de beoordeling.
De rechtbank heeft het beroep van appellant, voorzover dat is gericht
tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar niet-ontvankelijk
verklaard wegens het ontbreken van (proces)belang. Ten aanzien van het
bestreden besluit van 10 mei 2002 heeft de rechtbank - kort gezegd -
overwogen dat gedaagde appellants bezwaar tegen zijn besluit van 11
oktober 2000 niet-ontvankelijk had moeten verklaren wegens een niet
verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank heeft daarbij
overwogen dat de bezwaartermijn op 12 oktober 2000 is aangevangen en op
22 november 2000 is geëindigd, zodat het bezwaarschrift van appellant
dat wel voor het einde van de bezwaartermijn ter post was bezorgd, maar
dat niet binnen een week na afloop van de termijn, zoals bepaald in
artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, is ontvangen, te laat is. Nu
appellant, nadat hij het besluit ontvangen had, nog vier weken de tijd
had om een (voorlopig) bezwaarschrift in te dienen, is er naar het
oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie als bedoeld in
artikel 6:11 van de Awb die de overschrijding van de bezwaartermijn kan
verontschuldigen. De rechtbank heeft hierop appellants beroep gegrond
verklaard, het bestreden besluit vernietigd en met toepassing van
artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door
appellants besluit tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk te
verklaren.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de uitspraak van de
rechtbank onjuist is. Betoogd wordt onder meer dat de rechtbank
appellants bezwaar tegen gedaagdes besluit van 11 oktober 2000 ten
onrechte niet-ontvankelijk geacht heeft.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen
van een bezwaarschrift zes weken. Overeenkomstig artikel 6:8 van de Awb
vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het bestreden
besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Ingevolge artikel
6:9, tweede lid, van de Awb, is een bezwaarschrift bij verzending per
post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post
is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is
ontvangen.
Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 11 oktober 2000
op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, door gedaagde op 11
oktober 2000 is verzonden en door appellant is ontvangen. Derhalve dient
te worden aangenomen dat de bezwaartermijn op 12 oktober 2000 is
aangevangen en op 22 november 2000 is geëindigd. Nu appellants
bezwaarschrift op 21 november 2000, voor het einde van de
bezwaartermijn, ter post is bezorgd, maar pas op 1 december 2000,
derhalve later dan een week na afloop van de bezwaartermijn, is
ontvangen, is het bezwaar te laat.
De Raad acht het echter onjuist dat gedaagde nagelaten heeft appellant
te vragen naar de reden van de termijnoverschrijding zoals bedoeld in
artikel 6:11 van de Awb. Alleen al om deze reden diende het bestreden
besluit naar het oordeel van de Raad voor vernietiging in aanmerking te
komen. De Raad is anderzijds van oordeel dat de door appellant opgegeven
reden dat hij diverse pogingen heeft moeten ondernemen om de inhoud te
achterhalen van de aan het besluit van 11 oktober 2000 ten grondslag
liggende artikelen de overschrijding van de bezwaartermijn niet
verschoonbaar maken. De Raad overweegt in dit verband dat appellant een
termijn van vier weken resteerde om in ieder geval een (voorlopig)
bezwaarschrift in te dienen. Daar komt bij dat de gekozen
wijze van verzending van appellants bezwaarschrift, gelet op het trage
postverkeer, een niet te verwaarlozen risico in zich droeg dat het
geschrift langer dan een week onderweg was. De rechtbank heeft in haar
uitspraak derhalve terecht geoordeeld dat gedaagde appellant in zijn
bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Aldus gegeven door mr. H.J. Simon in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2004.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|