|
Uitspraak
02/2658
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante is J.R. Seedorf op bij beroepschrift aangevoerde
gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank
Rotterdam van 28 maart 2002, AOW 01/2433-GERR, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop van de zijde van
appellante is gereageerd bij schrijven van 20 augustus 2002, met
bijlagen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 april
2004 waar namens appellante J.R. Seedorf is verschenen, en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd,
werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante, die op 17 december 1921 is geboren en die sinds 1951 een
militair weduwen rijkspensioen geniet dat voortdurend aan de
loonbelasting onderworpen zou zijn geweest, heeft zich op 18 oktober
1976 in Nederland gevestigd. Gedaagde heeft appellante met ingang van 1
december 1986 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet
(AOW) toegekend waarop een korting van 38% is toegepast omdat appellante
in de periode van 1 januari 1957 tot 18 oktober 1976 niet verzekerd is
geweest. Appellante heeft dit besluit niet aangevochten.
Appellante heeft gedaagde bij brief van 12 februari 2001 verzocht haar
over voornoemde periode alsnog deel te laten nemen aan de vrijwillige
verzekering ingevolge de AOW en de op het militair weduwen rijkspensioen
ingehouden loonbelasting, meer specifiek de ingehouden en afgedragen
AOW-premie, te beschouwen als premie betaald voor de vrijwillige
verzekering.
Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 27 september 2001 zijn
primair besluit van 15 juni 2001 gehandhaafd, waarbij appellante is
medegedeeld dat zij niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige
verzekering ingevolge de AOW over de periode 1 januari 1957 tot 18 oktober 1976 omdat haar verzoek daartoe niet is
ingediend binnen de daarvoor geldende termijn. Appellante wiens
verplichte verzekering eerst op 18 oktober 1976 is aangevangen, had
zich, zo stelt gedaagde, binnen één jaar na afloop van deze datum
moeten aanmelden voor de vrijwillige verzekering, maar heeft eerst op 12
februari 2001 een verzoek daartoe gedaan. Voorts voldoet appellante niet
aan de voorwaarden welke gesteld zijn in het kader van het door gedaagde
gevoerde beleid om in het geval dat er gedurende een bepaalde periode
ten onrechte premie is ingehouden, de betrokkene in de gelegenheid te
stellen zich over die periode vrijwillig te verzekeren. Nu zonder meer
vast stond dat appellantes verzoek niet was ingediend binnen de
dwingendrechtelijk daarvoor vastgestelde termijn en gedaagde bovendien
niet gebleken is van zodanige bijzondere omstandigheden dat appellante,
ondanks de niet tijdige aanmelding, toch in de gelegenheid gesteld zou
moeten worden zich vrijwillig te verzekeren, heeft gedaagde appellantes
bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en van het horen afgezien.
In beroep heeft appellante haar in bezwaar aangevoerde haar grieven
herhaald en voorts aangevoerd dat zij in bezwaar ten onrechte niet is
gehoord. Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van
appellante nog opgemerkt dat haar late verzoek tot deelname aan de
vrijwillige verzekering mede zijn oorzaak vindt in onbekendheid met de
wet.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De
rechtbank heeft hiertoe overwogen dat door partijen niet wordt betwist
dat appellante niet binnen de terzake gestelde termijn een aanvraag
heeft gedaan teneinde zich vrijwillig te verzekeren ingevolge de AOW.
Voorts voldoet appellante niet aan de voorwaarden welke gesteld zijn in
het kader van het door gedaagde gevoerde beleid om in het geval er
gedurende een bepaalde periode ten onrechte premie is ingehouden, de
betrokkene - ondanks een overschrijding van de dwingendrechtelijk
voorgeschreven termijn - in de gelegenheid te stellen zich over die
periode vrijwillig te verzekeren. Voor de toepassing van dat beleid
gelden de voorwaarden dat:
- vast moet staan dat er (ten onrechte) premie is ingehouden/betaald;
- het ten onrechte ingehouden/betaald zijn van de premie niet het
gevolg mag zijn van een aan de betrokkene te verwijten handelen/nalaten;
- vast moet staan dat de ten onrechte ingehouden/betaalde premie niet
is gerestitueerd.
Met dit beleid worden naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van
de redelijkheid niet overschreden. Nog daargelaten de vraag of bedoeld
beleid mede van toepassing is op betrokkenen die reeds de leeftijd van
65 jaar hebben bereikt, voldoet appellante niet aan de voormelde
voorwaarden nu zij geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit kan
worden opgemaakt dat over de betrokken periode premie voor de
vrijwillige verzekering ingevolge de AOW is ingehouden dan wel betaald.
De destijds betaalde loonbetaling kan niet als een zodanige premie
worden aangemerkt. De rechtbank heeft voorts overwogen dat haar ook
anderszins niet gebleken is van feiten en omstandigheden welke gedaagde
- ondanks de termijnoverschrijding - hadden moeten nopen appellante in de
gelegenheid te stellen zich over de betrokken periode vrijwillig te
verzekeren ingevolge de AOW. De rechtbank heeft hierbij - onder meer -
opgemerkt dat onbekendheid met de toepasselijke regelgeving niet als een
zodanig feit kan worden aangemerkt.
Het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar van appellante was naar
het oordeel van de rechtbank dan ook kennelijk ongegrond zodat gedaagde
om deze reden op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) van horen van appellante heeft kunnen afzien.
Appellante heeft in hoger beroep haar grieven herhaald.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de
overwegingen die haar tot dit oordeel hebben geleid. Derhalve neemt de
Raad de gronden van de aangevallen uitspraak over. Hetgeen appellante in
hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel
kunnen brengen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van
proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|