|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/1621 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Turkije), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18
februari 2003, nr. AWB 02/558 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 augustus 2004,
waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam bij de
Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant is werkzaam geweest in Nederland. In of omstreeks 1988 is hem
een uitkering ingevolge de Remigratieregeling toegekend, waarna hij is
teruggekeerd naar Turkije, alwaar hij sindsdien woont. Met ingang van 1
mei 2001 heeft gedaagde aan appellant een ouderdomspensioen en een
toeslag ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte
van 50% van respectievelijk het volledige pensioen voor een gehuwde en
de volledige toeslag.
In november 2000 heeft appellant aan gedaagde gevraagd het nodige te
doen om hem verzekerd te laten worden. Gedaagde heeft appellant bij
besluit van 20 juli 2001 medegedeeld dat hij niet bevoegd is deel te
nemen aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de Algemene
nabestaandenwet (Anw) omdat aanmelding moet plaatsvinden binnen één
jaar na het einde van de verplichte verzekering en appellant in het jaar
voorafgaande aan de aanvraag niet verplicht verzekerd is geweest
ingevolge de AOW en de Anw.
Appellant heeft in bezwaar aangevoerd dat hij verzekerd wenst te blijven
in Nederland. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij met name verzekerd
wenst te zijn terzake van ziektekosten.
Bij beslissing op bezwaar van 14 november 2001 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant voorzover betrekking
hebbend op de ziektekosten niet-ontvankelijk en voor het overige
ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen
het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij verzekerd wenst te
worden voor ziektekosten. Daarbij heeft hij erop gewezen dat bij zijn
vertrek uit Nederland in 1988 aan hem is medegedeeld dat hij vanaf het
bereiken van de 65-jarige leeftijd een Nederlandse
ziekenfondsverzekering zou krijgen.
De Raad overweegt het volgende.
Blijkens hetgeen ook in hoger beroep is aangevoerd wenst appellant een
oordeel van de Raad over de vraag of hij vanaf 1 mei 2001 verplicht
verzekerd is ingevolge de Nederlandse Ziekenfondswet. De Raad stelt ten
aanzien van dit geschilpunt vast dat het primaire besluit van 20 juli
2001 uitsluitend betrekking heeft op de toelating van appellant tot de
vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de Anw en niet handelt over
een mogelijke verzekering van appellant ingevolge de Ziekenfondswet.
Gedaagde is overigens ook niet belast met de uitvoering van deze wet.
Dit betekent dat gedaagde het bezwaar van appellant voorzover betrekking
hebbend op de ziektekostenverzekering, terecht niet-ontvankelijk heeft
verklaard bij het bestreden besluit en dat de aangevallen uitspraak,
waarbij dit oordeel van gedaagde is onderschreven, in zoverre voor
bevestiging in aanmerking komt.
Voorts is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht heeft geweigerd
appellant toe te laten tot de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW
en de Anw. Ingevolge de artikelen 34, 35 en 36 van de AOW en 63, 63a en
63b van de Anw is een vrijwillige verzekering alleen mogelijk in
aansluiting op een periode van verplichte verzekering ingevolge die
wetten. Nu appellant niet heeft betwist dat hij voorafgaande aan de -
mogelijk -
door hem gewenste vrijwillige verzekering niet verplicht verzekerd is
geweest ingevolge de AOW/Anw, en op grond van de thans bekende gegevens
zo’n verzekering niet aannemelijk is te achten, komt hij niet in
aanmerking voor deelname aan de vrijwillige verzekering ingevolge die
wetten, zodat de aangevallen uitspraak ook in zoverre voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 september
2004.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de
Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie
instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing
van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, derde tot en met
zevende lid, 2, 3 en 6 van die wet en de op die artikelen berustende
bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|