|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/886
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Groot Brittannië), appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante is op bij beroepschriften van 31 januari 2004 aangevoerde
gronden, aangevuld bij schrijven van 17 februari 2004, in hoger beroep
gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2004,
reg.nr. AWB 02/3884 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 8 oktober 2004, waar beide partijen, van wie gedaagde
met kennisgeving, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante ontving sedert 1 juni 1985 een nabestaandenpensioen ingevolge
de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), welke met ingang van 1 juli 1996
is omgezet in een nabestaandenpensioen ingevolge de Algemene
nabestaandenwet (Anw). Uit het aan gedaagde in het kader van de aanvraag
om een nabestaandenpensioen toegestuurde E 203 formulier, welke
gedateerd is op 10 oktober 1986, blijkt dat aan appellante met ingang
van 24 december 1985 een Engels nabestaandenpensioen is toegekend en dat
appellante ten tijde van de aanvraag werkzaam was.
Gedaagde heeft appellante bij besluit van 20 maart 2002 medegedeeld dat
haar recht op nabestaandenpensioen ingevolge de Anw
eindigt op 31
oktober 2002 omdat zij 65 jaar wordt. In dit besluit heeft gedaagde
appellante tevens medegedeeld dat zij geen aanspraak maakt op een
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) omdat zij
nimmer verzekerd is geweest krachtens de AOW. Gedaagde heeft daartoe
overwogen dat appellante nooit in Nederland gewoond of gewerkt heeft.
Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 14 augustus 2002 zijn
primair besluit gehandhaafd. De rechtbank heeft dit standpunt
onderschreven.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kosten van het
levensonderhoud in Groot Brittannië hoog zijn en zij een
ouderdomspensioen ingevolge de AOW nodig heeft om rond te komen.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder c, van de Anw
eindigt het recht
op nabestaandenuitkering indien de nabestaande de leeftijd van 65 jaar
bereikt. Het recht eindigt ingevolge lid 2 van dat artikel op de eerste
dag van de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd bereikt.
Deze bepaling is van dwingend recht. Nu appellante op 26 november 2002
65 jaar geworden is, heeft gedaagde het aan appellante toegekende
nabestaandenpensioen derhalve terecht met ingang van 1 november 2002 beëindigd.
Ingevolge artikel 7 van de AOW heeft recht op een ouderdomspensioen
degene die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en die ingevolge de AOW
verzekerd is geweest. Verzekerd ingevolge artikel 6 van de AOW is degene
die ingezetene is dan wel geen ingezetene is doch die ter zake van in
Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is
onderworpen. Nu niet gebleken is dat appellante ooit in Nederland
gewoond of gewerkt heeft, is appellante op deze grond niet verzekerd
voor de AOW.
Voorts is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat ingevolge Bijlage
VI, onderdeel J, onder 2d bij Verordening 1408/71 bij de berekening van
appellantes ouderdomspensioen geen tijdvakken in aanmerking genomen
kunnen worden gedurende welke de echtgenoot tijdens het huwelijk, maar
voor 2 augustus 1989, verzekerd is geweest ingevolge de AOW omdat hij
tijdens het huwelijk met appellante geen ingezetene van Nederland was en
hij evenmin ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte
arbeid aan loonbelasting onderworpen is geweest, zodat hij derhalve toen
niet ingevolge de AOW verzekerd was.
De Raad is anderzijds van oordeel dat gedaagde onvoldoende heeft
onderzocht of appellante mogelijk op grond van artikel 1, lid 1, sub k,
aanhef en onder 2, van het toenmalige Besluit uitbreiding en beperking
kring verzekerden volksverzekeringen van 19 oktober 1976, Stb. 1976, 557
(hierna: KB 557) voor de AOW verzekerd is geweest op grond van haar
nabestaandenpensioen ingevolge de AWW. Hoewel aan appellante ingaande 1
juni 1985 een nabestaandenpensioen ingevolge de AWW is toegekend, is aan
haar eerst op 24 december 1985 een Engels nabestaandenpensioen
toegekend, zodat in het geval dat appellante gedurende het tijdvak van 1
juni 1985 tot 24 december 1985 geen uitkering krachtens een buitenlandse
wetgeving wegens ouderdom, overlijden of langdurige
arbeidsongeschiktheid ontving, noch arbeid verrichtte, zij voor de AOW
verzekerd zou kunnen zijn geweest. Naar het oordeel van de Raad is
onvoldoende kenbaar of gedaagde hier onderzoek naar heeft verricht. De
Raad merkt hierbij ten overvloede op dat uit de stukken onduidelijk is
gebleven of appellante, die op het op 10 oktober 1986 gedateerde E 203
formulier heeft aangegeven dat zij toentertijd werkzaam was, ook
gedurende voornoemde periode werkzaam was. Het bestreden besluit komt in
verband hiermee wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals
neergelegd in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor
vernietiging in aanmerking.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak en het
bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met
inachtneming van het hiervoor overwogene;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde
griffierecht van €116,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 november
2004
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|