|
Uitspraak
04/7149 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], Ghana, appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. M. Blok, advocaat te Doetinchem, op de
daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november
2004, nummer 03/3326 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 2 december 2005,
waar voor appellant is verschenen mr. Blok, voornoemd, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.C.M. van Engelenhoven,
werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 20 augustus 2002 heeft gedaagde aan appellant
medegedeeld de betaling van zijn pensioen krachtens de AOW te schorsen
met ingang van augustus 2002 omdat uit onderzoek is gebleken dat
appellant niet langer in Nederland woont en hij vermoedelijk niet langer
recht heeft op een pensioen krachtens de AOW.
Naar aanleiding van dit besluit heeft appellant onder andere aan
gedaagde bericht dat hij, na eerdere verblijven in Ghana, in juni 2002
weer officieel naar Ghana is verhuisd en dat gedurende zijn verblijf in
het buitenland zijn zuster [naam zuster], zijn officiële zaakwaarnemer in Nederland is. In verband
met de onregelmatige en onzorgvuldige postbezorging in Ghana heeft
appellant aan gedaagde gevraagd een kopie van alle correspondentie aan
zijn zaakwaarnemer te sturen.
Bij besluit van 8 november 2002 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld
dat het pensioen van appellant met ingang van juli 2002 wordt gebaseerd
op 50% in plaats van maximaal 70% van het nettominimumloon in verband
met de Wet beperking export uitkeringen. Dit besluit is verzonden naar
het adres van appellant in Ghana en naar het adres van zijn zuster [naam zuster] in Nederland.
Blijkens een telefoonnotitie van 4 december 2002 heeft gedaagde op die
dag telefonisch contact gehad met mevrouw [naam zuster] in welk gesprek zou zijn medegedeeld dat een
bezwaarschrift tegen de beslissing van 8 november 2002 moet worden
ingediend vóór 23 december 2002.
Bij schrijven van 23 maart 2003, door gedaagde ontvangen op 8 april
2003, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 november
2002.
Bij beslissing op bezwaar van 3 juli 2003 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard onder
overweging dat de termijn voor het indienen van bezwaar is overschreden
en dat niet is gebleken dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar
moet worden geacht.
De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven en het
beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft met betrekking tot de redenen van de
termijnoverschrijding aangegeven dat hij op 17 december 2002 in verband
met het overlijden van zijn moeder naar Nederland is gekomen en op dat
moment het besluit van 8 november 2002 nog niet op zijn adres in Ghana
was gearriveerd. Pas op of kort na 20 december 2002 heeft hij het
besluit via zijn zuster onder ogen gekregen en voor het eerst van de
inhoud kennis genomen. Het afschrift dat naar Ghana was gestuurd is door
een huisgenoot doorgezonden naar zijn adres in Nederland alwaar het op
10 januari 2003 aankwam. Vervolgens heeft appellant in januari 2003 nog
contact gehad met een medewerker van gedaagde tijdens welk gesprek hij
niet op de hoogte is gesteld van de termijnoverschrijding en de
consequenties daarvan. Na het nodige uitzoekwerk heeft appellant
vervolgens het bezwaarschrift opgesteld, dat uiteindelijk op 8 april
2003 door gedaagde is ontvangen. Voorts heeft appellant gesteld dat
tijdens het telefonisch onderhoud op 4 december 2002 van zijn zuster met
de Sociale verzekeringsbank nimmer gesproken is over de mogelijkheid om
een pro forma bezwaarschrift in te dienen, waarbij nog komt dat zijn
zuster alleen appellants zakelijke belangen behartigt en niet de
eventuele procedurele belangen.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt vast dat appellant eerst na afloop van de daarvoor
gestelde termijn, eindigend op 20 december 2002, bezwaar heeft gemaakt
tegen het besluit van gedaagde van 8 november 2002.
Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop
van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift
niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is
geweest.
In het midden latend wat de afspraken tussen appellant en zijn zuster
als zijn belangenbehartiger zijn geweest omtrent de afhandeling van zijn
post, stelt de Raad vast dat appellant in ieder geval op of omstreeks 20
december 2002 kennis heeft genomen van de inhoud van het besluit van 8
november 2002. Appellant heeft echter nog ruim drie maanden gewacht
alvorens hij het bezwaarschrift heeft ingediend. De gronden die
appellant daarvoor heeft aangevoerd kunnen de Raad niet leiden tot het
oordeel dat er sprake is van een omstandigheid op grond waarvan
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is
geweest. De door appellant aangevoerde omstandigheid dat hij enige tijd
nodig heeft gehad om informatie te vergaren omtrent zijn recht op
AOW-pensioen alvorens hij het bezwaarschrift kon opstellen kan appellant
niet baten nu hij een voorlopig bezwaarschrift had kunnen indienen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat ook de Raad van oordeel is dat de
overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar kan worden
geacht. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2006.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) T.S.G. Staal.
|
|