|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/3405
AOW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 mei 2005, 04/2180
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 8 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
De Svb heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. M. Timmermans, advocaat te Tilburg, een
verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2006. De Svb
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M.H. Geubbels, werkzaam
bij de Sociale verzekeringsbank. Betrokkene is, zoals aangekondigd, niet
verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De Svb heeft betrokkene ingaande april 2001 een ouderdomspensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een
ongehuwde.
Nadat de Svb had geconstateerd dat op het adres van betrokkene ook
[betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) was ingeschreven, is aan
betrokkene een Vragenformulier Leefvorm AOW/Anw toegezonden dat de Svb
op 25 augustus 2003 ingevuld retour heeft ontvangen. Vervolgens heeft
een buitendienstmedewerker van de Svb een huisbezoek bij betrokkene
afgelegd ter zake waarvan een rapport is opgemaakt en waarbij een
Checklist onderzoek leefsituatie AOW/Anw is ingevuld die door betrokkene
op 20 november 2003 is ondertekend.
Bij besluit van 4 juni 2004 heeft de Svb het ouderdomspensioen van
betrokkene met ingang van september 2002 herzien naar de norm voor een
gehuwde op de grond dat betrokkene met ingang van 24 augustus 2002 een
gezamenlijke huishouding met [betrokkene 2] is gaan voeren.
Bij besluit van 14 september 2004 heeft de Svb het tegen het besluit van
4 juni 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 14
september 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat
de Svb een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de
uitspraak. Uitgaande van in het bijzonder de verklaring van betrokkene
ter terechtzitting is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat tussen
betrokkene en [betrokkene 2] geen sprake is van een gezamenlijke
huishouding maar van een kostgangersrelatie.
De Svb heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de AOW is van een gezamenlijke
huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald
geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord
aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die
tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de
motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet
van belang.
Vast staat dat betrokkene en [betrokkene 2] vanaf 24 augustus 2002 hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben zodat aan het eerste criterium
voor het voeren van een gezamenlijke huishouding is voldaan.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van wederzijdse
verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële
verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend
delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een
zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate is gebleken,
kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te
nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van
alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die
niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de
vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er voldoende
aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat ook aan het tweede criterium
is voldaan. De Raad gaat daarbij uit van het Vragenformulier Leefvorm
AOW/Anw en in het bijzonder van het buitendienstrapport en de Checklist
onderzoek leefsituatie AOW/Anw. De Raad ziet in het onderhavige geval
geen reden af te wijken van zijn uitgangspunt dat een betrokkene in het
algemeen mag worden gehouden aan zijn in eerste instantie afgelegde
verklaringen. Nu betrokkene zijn in het bezwaarschrift, beroepschrift en
ter terechtzitting van de rechtbank gegeven andere voorstelling van
zaken niet met bewijsstukken heeft gestaafd, gaat de Raad daaraan
voorbij.
Uitgaande van de eerst vermelde stukken betaalt betrokkene de huur van
de woning die in augustus 2003 € 318,85 bedroeg. Betrokkene en
[betrokkene 2] maken beiden gebruik van de hele woning en de daarin
aanwezige voorzieningen, met uitzondering van de eigen slaapkamer.
[betrokkene 2] betaalde betrokkene € 225,-- per maand. Betrokkene en
[betrokkene 2] betalen ieder de helft van de kosten van de energie, de
(grotere) huishoudelijke apparaten, de boodschappen en de gemeentelijke
belastingen. De boodschappen worden meestal door betrokkene en
[betrokkene 2] samen gedaan met, zo begrijpt de Raad uit het
buitendienstrapport, de auto van [betrokkene 2]. Betrokkene en
[betrokkene 2] koken samen, eten samen en doen sommige klusjes samen. De
telefoon staat op naam van [betrokkene 2] en betrokkene wordt daarop
(incidenteel) gebeld. Betrokkene heeft aangegeven dat hij met [betrokkene 2] een
kostgangersrelatie heeft.
Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene evenwel niet aannemelijk
gemaakt dat sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste
kostgangersrelatie. Daarbij heeft de Raad van belang geacht dat ter zake
van kost en inwoning geen schriftelijk contract is opgemaakt en dat geen
betalingsbewijzen zijn overgelegd. Nu, gezien ook de hoogte van de door
betrokkene betaalde huur, naar het oordeel van de Raad de gestelde
bijdrage van [betrokkene 2] van € 225,-- per maand niet als een
commerciële vergoeding kan worden beschouwd voor onderdak en verzorging
dient deze te worden gekwalificeerd als een bijdrage van [betrokkene 2]
in de kosten van de huishouding.
Gelet op het vorenoverwogene heeft de Svb het ouderdomspensioen van
betrokkene terecht herzien met ingang van 1 september 2002, zijnde de
eerste dag van de maand volgend op die waarin hij een gezamenlijke
huishouding is gaan voeren.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van de Svb slaagt.
De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep tegen
het besluit van 14 september 2004 wordt ongegrond verklaard.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A.
van der Kolk-Severijns en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing
is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in
het openbaar op 8 augustus 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|