|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/3337
AOW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 april 2005,
04/10 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)
en
appellante.
Datum uitspraak: 8 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.J.H.M. Achten, advocaat te Zwolle, hoger
beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2006.
Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Achten, en de
Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A.van der Weerd, werkzaam
bij de Sociale verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
De Svb heeft appellante met ingang van 1 maart 1993 een
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend
naar de norm voor een ongehuwde.
Naar aanleiding van een tweetal tips dat appellante zou samenwonen met
(thans wijlen) [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) heeft de Sociale
Recherche van de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van
het aan appellante verleende ouderdomspensioen. In dat kader zijn
inlichtingen ingewonnen bij enige instanties, is een aantal getuigen
gehoord en zijn appellante en [betrokkene] verhoord. De resultaten van
het onderzoek zijn neergelegd in een op 7 november 2002 opgemaakt
proces-verbaal.
Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft de Svb bij besluit van 21
februari 2003 het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1
december 1997 herzien naar de norm voor een gehuwde op de grond dat
appellante in november 1997 een gezamenlijke huishouding met
[betrokkene] is gaan voeren.
Bij besluit van 25 november 2003 heeft de Svb het bezwaar tegen het
besluit van 21 februari 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 25
november 2003 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Naar het
oordeel van de rechtbank is wél genoegzaam vast komen te staan dat
appellante en [betrokkene] op enig moment in 1999 een gezamenlijke
huishouding als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW zijn gaan
voeren maar niét dat daarvan al direct na de verhuizing van
[betrokkene] van Rotterdam naar Zwolle in november 1997 sprake was.
Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover
daarin is geoordeeld dat zij op enig moment in 1999 een gezamenlijke
huishouding met [betrokkene] is gaan voeren.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de AOW is van een gezamenlijke
huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
Evenals gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit het
proces-verbaal van de Sociale Recherche van 7 november 2002 genoegzaam
blijkt dat appellante en [betrokkene] (sedert enige datum in 1999) een
gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.
Appellante betwist in wezen ook niet dat zij ten tijde in geding haar
hoofdverblijf in de woning van [betrokkene] had en dat sprake was van
wederzijdse zorg als in artikel 1, vierde lid, van de AOW bedoeld. Zij
is evenwel van mening dat daaruit niet de conclusie mag worden getrokken
dat zij en [betrokkene] een gezamenlijke huishouding voerden omdat zij
in de woning van [betrokkene] verbleef om hem te verplegen en te
verzorgen terwijl zij ook haar eigen woning in [woonplaats] aanhield.
Haar verblijf bij [betrokkene] was dan ook niet als duurzaam bedoeld.
De Raad kan appellante in haar opvatting niet volgen. Naar vaste
rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is
van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van
objectieve criteria, waarbij de omstandigheden die tot het voeren van
een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de
betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang zijn.
Aangezien ook hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd de Raad niet
tot een ander oordeel heeft kunnen leiden, slaagt het hoger beroep niet.
De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden
bevestigd. De Svb dient een nieuw besluit op het bezwaar van appellante
tegen het besluit van 21 februari 2003 te nemen. In dit verband tekent
te Raad aan dat de gemachtigde van de Svb ter terechtzitting van de Raad
heeft aangegeven dat er aanleiding is het ouderdomspensioen van
appellante met ingang van 1 september 1999 te herzien.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Bepaalt dat de Svb een nader besluit neemt op het bezwaar van appellante
tegen het besluit van 21 februari 2003.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A.
van der Kolk-Severijns en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing
is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in
het openbaar op 8 augustus 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van
bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.
|
|