|
Uitspraak
meervoudige kamer 03/5854
AOW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 oktober 2003, 03/8
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 22 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.G. Pherai, advocaat te ’s-Gravenhage,
hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Door en namens appellant zijn bij schrijven van respectievelijk 23 juni
2005 en 8 februari 2006 de gronden van het beroep aangevuld. Bij brief
van 8 maart 2006 heeft de Svb op laatstgenoemd schrijven gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2006.
Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Pherai
voornoemd. De Svb heeft zich met voorafgaand bericht niet laten
vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is geboren op 20 mei 1920 in Suriname. Bij brief van 1 juli
1999 heeft hij een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW)
aangevraagd. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij op 29 oktober 1991
Nederland is binnengekomen. Op 22 januari 1992 is appellant ingeschreven
in het bevolkingsregister. Aan hem is op 6 mei 1997 een vergunning tot
verblijf verleend. Op 8 juni 1999 is appellant, die de nationaliteit van
Suriname had, tot Nederlander genaturaliseerd. Appellant merkt op
aanspraak te maken op een ouderdomspensioen vanaf één jaar na
vestiging metterwoon in Nederland. Met betrekking tot de omvang van zijn
rechten merkt hij op reeds bij de inwerkingtreding van de AOW, als
Nederlander wonend in Suriname, 22 fictieve verzekeringsjaren te hebben.
Aan de eis om in Nederland zes jaren te hebben gewoond hoefde appellant
naar zijn mening, gezien het bepaalde in artikel 1, onder h, Besluit
gelijkstelling van wonen buiten het Rijk met wonen binnen het Rijk
(hierna: Besluit gelijkstelling), niet te voldoen. Vanaf 1991 woont
appellant in elk geval reeds zes jaren in Nederland. Door appellant is
verder aangegeven dat hij van 1 januari 1957 tot en met 25 november 1975
de Staat der Nederlanden heeft gediend als ambtenaar in overheidsdienst,
eerst als keurmeester voor voedingsmiddelen en waren en daarna als
laborant. Overeenkomstig de AOW had hij premie moeten betalen over de
periode 1957-1975. Dit heeft echter niet kunnen plaatsvinden, omdat de
invoering van de AOW niet ter algemene kennis is gebracht van de
Surinaamse bevolking, aldus appellant.
Bij besluit van 29 september 1999 is aan appellant met ingang van mei
1998 een pensioen ingevolge de AOW toegekend ter hoogte van 44% van het
maximale pensioen van een ongehuwde. Daarbij is opgemerkt dat appellant
van 1 januari 1957 tot en met 19 mei 1985 niet verzekerd is geweest.
Bij brief gedateerd 10 november 1999 is door appellant bezwaar
ingesteld. Volgens appellant dienen ook de jaren tussen 1957 en 1975 als
verzekerde jaren te worden gehonoreerd. De periode 1975-1985 laat
appellant buiten beschouwing, omdat Suriname toen niet langer deel
uitmaakte van het Koninkrijk.
Naar aanleiding van de oproep voor de hoorzitting heeft appellant bij
brief van 9 maart 2000 aan de Svb laten weten dat hij niets meer heeft toe te
voegen aan het bezwaarschrift. Bij besluit van 29 maart 2000 heeft de
Svb het bezwaar ongegrond verklaard. Aangegeven wordt dat appellant van
1 januari 1957 tot 20 mei 1985, toen appellant 65 jaar werd, niet
verzekerd is geweest. Appellant woonde toen in Suriname. Om als
verzekerde voor de AOW te worden aangemerkt diende appellant vanaf 1 januari 1957 binnen het Rijk te wonen. Met wonen binnen het Rijk wordt
bedoeld het Rijk in Europa (artikel 2 van de AOW, oud). Het wonen binnen
het Rijk (Suriname tot 25 november 1975) kan derhalve niet gelijkgesteld
worden met wonen in Nederland.
In beroep heeft appellant de in de eerdere fase van de procedure naar
voren gebrachte argumenten herhaald. Bij uitspraak van 20 november 2000
heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van appellant gegrond verklaard
en het besluit van 29 maart 2000 vernietigd. Door de rechtbank is
vooropgesteld dat de Svb niet heeft beslist op het verzoek van appellant
de uitkering ingevolge de AOW te doen ingaan één jaar na vestiging van
appellant in Nederland. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AOW,
kan de Svb immers in bijzondere gevallen van de ingangstermijn van één
jaar vóór de datum van de aanvraag afwijken. Daarnaast is de Svb,
aldus de rechtbank, ten onrechte niet ingegaan op het gestelde inzake
het dienstverband bij de Surinaamse overheid als grondslag voor de
verzekering en het ontbreken van publicatie van de AOW in Suriname. Ten
overvloede heeft de rechtbank nog overwogen dat appellant niet kan
worden gevolgd in zijn stelling dat uit de artikelen 55, 56 en 57 van de
AOW en artikel 1, aanhef en onder h, en artikel 7 eerste lid, van het
Besluit gelijkstelling, dan wel de artikelen 43 en 44 van de AOW (oud),
volgt dat de jaren na 1957 ook als verzekerde jaren in de zin van de AOW
moeten worden aangemerkt, in die zin dat ze bepalend zijn voor de hoogte
van het pensioen, in verband met het wonen in Suriname vanaf 1957.
Bij brief van 8 januari 2001 heeft appellant aan de Svb verzocht hem
kenbaar te maken welk besluit naar aanleiding van de uitspraak van de
rechtbank is genomen. Bij besluit van 1 februari 2001 heeft de Svb het
bezwaar (wederom) ongegrond verklaard. Bij brief van 5 februari 2001
heeft appellant beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op
bezwaar na de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft dit beroep
aangemerkt als (mede) te zijn gericht tegen het besluit van 1 februari
2001. Bij brief van 12 maart 2001 heeft appellant beroep ingesteld tegen
het besluit van 1 februari 2001. Bij brief van 2 mei 2002 heeft de Svb
het besluit van 1 februari 2001 ingetrokken. Bij uitspraak van 10 mei
2002 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep tegen het niet nemen van
een nieuw besluit op bezwaar gegrond verklaard. Bepaald is dat de Svb
alsnog binnen twee weken een nieuw besluit op bezwaar neemt. Bij brief
van 15 augustus 2002 heeft appellant (wederom) beroep ingesteld tegen
het uitblijven van een besluit op bezwaar. Bij uitspraak van 8 november
2002 heeft de rechtbank het beroep tegen het met een besluit gelijk te
stellen niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar gegrond verklaard.
De Svb is opgedragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak
een besluit op bezwaar te nemen.
Bij besluit van 21 november 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft
de Svb het bezwaar (opnieuw) ongegrond verklaard. Aangegeven wordt dat
op grond van het bepaalde bij of krachtens de AOW appellant - gezien
zijn woonplaats - over de periode 1 januari 1957 tot 20 mei 1985 niet
kan worden aangemerkt als verzekerde. Verder is een dienstbetrekking
bij de Surinaamse overheid geen dienstbetrekking bij een Nederlandse
publiekrechtelijke rechtspersoon. Ook hieraan valt geen
verzekeringsplicht te ontlenen. Ten aanzien van de grief dat de AOW niet
is gepubliceerd in het Gouvernementsblad wordt opgemerkt dat dit voor
appellant niet van belang is aangezien hij niet in aanmerking kwam voor
de vrijwillige verzekering. Er is geen sprake van een bijzonder geval.
In beroep worden namens appellant de eerder in de loop van de procedure
naar voren gebrachte argumenten herhaald. Daaraan wordt toegevoegd dat
de bestreden beslissing is genomen in strijd met artikel 7:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant had voorafgaand aan het
bestreden besluit moeten worden gehoord. Namens appellant is verder
betoogd dat op grond van de overschrijding van de beslistermijn hij
recht heeft op schadevergoeding.
Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant ter zitting van de
rechtbank aangegeven dat er geen hoger beroep is ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank van 20 november 2000.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, waarin appellant is
aangeduid als eiser en de Svb als verweerder, als volgt overwogen:
“Eisers grief dat hij ten onrechte niet gehoord is treft geen doel, nu
eiser eerder zelf heeft aangegeven dat hij niets meer heeft toe te
voegen aan zijn bezwaarschrift en verweerders beschikking op bezwaar
niet is gebaseerd op een andere grondslag.
De rechtbank stelt vast dat door geen van beide partijen beroep is
ingesteld tegen de uitspraak die tussen partijen door deze rechtbank is
gewezen op 20 november 2000 (AOW 00/1027) en waarin is bepaald dat eiser
aan de artikelen 55, 56 en 57 van de AOW geen rechten kan ontlenen met
betrekking tot de hoogte van zijn pensioenuitkering. In de onderhavige
procedure wordt dit gegeven dan ook als vaststaand aangenomen.
Eisers standpunt dat hij op grond van zijn dienstbetrekking in Suriname
over de periode van 1957 tot 1975 als verzekerde moet worden aangemerkt
is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. Uit jurisprudentie van
de Centrale Raad van Beroep (CRvB 29 oktober 1997, nr. 95/9287 AOW; RSV
1998, 32) blijkt dat het voormalige rijksdeel Suriname niet kan worden
aangemerkt als een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon. Aan
zijn dienstbetrekking in Suriname kan eiser derhalve geen aanspraken op
een AOW-pensioen ontlenen.
Hetgeen eiser heeft aangevoerd ten aanzien van de bekendmaking van de
AOW treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel, nu deze wet tot
eisers komst naar Nederland nimmer op hem van toepassing is geweest.
Eiser kan geen rechten ontlenen aan bepalingen met betrekking tot het
alsnog voldoen van premies over een niet verzekerde periode, temeer niet
nu eiser op het moment van binnenkomst in Nederland ouder was dan 65
jaar en dientengevolge niet verzekerd was op grond van de AOW.
Ten aanzien van eisers stelling dat hem op grond van bijzondere
omstandigheden een pensioen met een terugwerkende kracht van meer dan
een jaar moet worden verleend wordt het volgende overwogen.
Bij verweerschrift heeft verweerder, onder verwijzing naar het bepaalde
in de artikelen 55 tot en met 57 en artikel 16 van de AOW, nader
gemotiveerd dat eiser niet eerder in aanmerking komt voor een
pensioenuitkering dan per mei 1998 omdat hij pas op dat moment aan de
voorwaarden voor een uitkering voldeed. De rechtbank is van oordeel dat
verweerder hiermee geen blijk geeft van een onjuiste uitleg van genoemde
bepalingen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet
eerder in aanmerking komt voor ouderdomspensioen dan vanaf het moment
waarop hij, na zijn 59ste verjaardag zes jaren al dan niet onafgebroken
in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba heeft gewoond. Artikel
16, tweede lid van de AOW geeft verweerder niet de bevoegdheid een
uitkering te verlenen met ingang van een dag gelegen voor het moment
waarop het recht op uitkering is ontstaan. Anders dan eiser meent kunnen
de jaren die hij in Suriname woonde niet meetellen voor de zesjarentermijn omdat Suriname ten tijde van zijn 59ste verjaardag niet
langer deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden. Eisers beroep
op het besluit van 3 december 1985, Stb 632 faalt derhalve.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat het bestreden besluit
onvoldoende is gemotiveerd, nu verweerder eerst bij verweerschrift heeft
aangegeven dat toekenning met verder terugwerkende kracht dan per mei
1998 niet mogelijk is omdat eiser niet eerder aan de voorwaarden voor
een AOW pensioen voldeed. De rechtbank ziet hierin aanleiding het beroep
gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Nu
verweerder na vernietiging geen andere beslissing zal kunnen nemen zal
worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand
zullen blijven.
De rechtbank ziet in vorengaande aanleiding verweerder te veroordelen in
de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan
deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt
de proceskosten op € 644 aan kosten van door een derde beroepsmatig
verleende rechtsbijstand.
Ten aanzien van eisers verzoek tot schadevergoeding wordt het volgende
overwogen.
Eiser baseert zijn verzoek op schadevergoeding op artikel 8:73 van de
Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en op artikel 6 van het EVRM.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt artikel 8:73 van de Awb geen
grondslag om een schadevergoeding aan eiser toe te kennen, nu eiser
stelt schade te hebben geleden door het uitblijven van een besluit en
niet door het besluit zelve. Artikel 6 van het EVRM is in dit geval niet
van toepassing omdat de beslissing van verweerder niet strekt tot
vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen van eiser. Eisers
verzoek om toekenning van schadevergoeding dient op grond van
bovenstaande te worden afgewezen.”
In hoger beroep hebben partijen hun in eerdere instanties ingenomen
standpunten in hoofdzaak herhaald. Appellant heeft nog naar voren
gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in de
uitspraak van 20 november 2000 (reeds) is bepaald dat appellant aan de
artikelen 55, 56 en 57 van de AOW geen rechten kan ontlenen met
betrekking tot de hoogte van zijn AOW-uitkering, en dat dit gegeven in
de onderhavige procedure als vaststaand moet worden aangenomen. Verder
is door appellant, ter ondersteuning van zijn verzoek om veroordeling
van de Svb tot betaling van schadevergoeding een beroep gedaan op de
uitspraak van de Raad van 8 december 2004, LJN AR7273, en de uitspraak
van rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2005, LJN AU1627. Op grond van
artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt verzocht om toekenning
van immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 7.000,-.
Door de Svb is erkend dat de redelijke termijn is overschreden. Ook
wordt erkend dat noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van
appellant, een rechtvaardiging is aan te treffen voor de lange duur van
de procedure. De duur van de aan de Svb toe te rekenen termijn wordt
berekend op 12½ maand. Volgens de Svb kan dit niet leiden tot
toekenning van schadevergoeding, nu appellant geenszins heeft onderbouwd
dat hij tengevolge van de bezwaarprocedure daadwerkelijk spanning en
frustratie heeft ondergaan. Subsidiair wordt door de Svb aangevoerd dat,
uitgaande van de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) gehanteerde criteria, bij de vaststelling van de door de Svb te
betalen vergoeding dient te worden uitgegaan van het basisbedrag ad €
1.000,- per jaar dat de procedure heeft geduurd. Nu de procedure ruim 12
maanden heeft geduurd zal de aan appellant toe te kennen compensatie €
1.000,- dienen te bedragen.
De Raad overweegt als volgt.
Ten aanzien van de grief van appellant dat hij ten onrechte niet is
gehoord, kan de Raad zich vinden in de afwijzing door de rechtbank van
die grief, en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen. Deze grief
faalt derhalve.
De Raad kan de rechtbank echter niet volgen in haar opvatting dat in de
onderhavige procedure als vaststaand moet worden aangenomen, dat
appellant geen rechten kan ontlenen aan de artikelen 55, 56 en 57, van
de AOW. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de
desbetreffende overwegingen in de uitspraak van de rechtbank van 20 november 2000 partijen niet binden, nu deze overwegingen ten
overvloede zijn gegeven. Daarbij merkt de Raad op dat deze overwegingen
de uitspraak van de rechtbank niet dragen en door de rechtbank ook niet
als bindend zijn bedoeld. Het slagen van deze grief kan echter niet
leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak, nu het oordeel
waartoe de rechtbank is gekomen, namelijk dat betrokkene in de periode
van 1 januari 1957 tot 20 mei 1985 niet voor de AOW verzekerd is
geweest, juist is. Ook naar het oordeel van de Raad staat het gegeven
dat appellant - naar tussen partijen niet in geschil is -
in die
periode woonplaats had in Suriname aan verzekering voor de AOW in de
weg. In dat verband overweegt de Raad dat tot 1 januari 1990 in artikel
2 van de AOW was opgenomen dat ingezetene in de zin van deze wet is
degene, die in het Rijk woont. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient
onder 'het Rijk' te worden verstaan 'het Rijk in Europa' (zie
bijvoorbeeld CRvB 6 maart 2002, USZ 2002/116). Appellant kan derhalve in
genoemde periode op grond van ingezetenschap niet als verzekerde worden
aangemerkt. De Raad voegt hieraan toe dat het door appellant als
grondslag voor de verzekering genoemde artikel 1, onder h, van het
Besluit gelijkstelling, niet ziet op de situatie van appellant, die
(eerst) op 20 mei 1985 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
Verder onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank - en de
daaraan ten gronde gelegde overwegingen - dat appellant aan zijn
dienstbetrekking bij de Surinaamse overheid (tot de onafhankelijkheid
van Suriname in 1975) geen aanspraken kan ontlenen op verzekering
ingevolge de AOW. Ook appellants grief dat de AOW ten onrechte niet is
gepubliceerd in het Gouvernementsblad slaagt niet. De Raad merkt in dit
verband op dat hem geen rechtsregel bekend is die verplichtte tot
bekendmaking van de AOW in Suriname.
Ook appellants grief met betrekking tot de ingangsdatum van de uitkering
faalt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank - en de
daaraan ten gronde gelegde overwegingen - dat appellant pas met ingang
van 1 mei 1998 voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een
pensioen op grond van de AOW. De grief dat het pensioen met ingang van
een eerdere datum had moeten worden toegekend vindt geen grondslag in de
wet en is door de Svb dan ook met recht afgewezen.
Met betrekking tot de vordering van appellant tot vergoeding van de door
hem als gevolg van de lange duur van de procedure geleden immateriële
schade overweegt de Raad als volgt. Appellant heeft deze vordering
(onder meer) gegrond op artikel 6 van het EVRM. De Raad stelt voorop dat
het oordeel van de rechtbank dat de onderhavige beslissing niet strekt
tot de vaststelling van burgerlijke rechten geen steun vindt in het
recht.
Ten gronde overweegt de Raad dat de grief van appellant over de lange
duur van de procedure zich uitsluitend richt tegen het aandeel van het
bestuursorgaan hierin. De Raad stelt vast dat in dit geval de redelijke
termijn is gaan lopen op 10 november 1999, de datum waarop het
bezwaarschrift is ingediend. Ten tijde van het doen van uitspraak door
de Raad in hoger beroep heeft de procedure in totaal ruim 6 jaar
geduurd. Naar tussen partijen niet in geschil is, is daarmee de
redelijke termijn overschreden.
Door de Svb is opgemerkt dat de procedure in bezwaar ruim 12½ maand
heeft geduurd. Naar de opvatting van de Svb kan dit niet leiden tot een
verplichting tot vergoeding van immateriële schade, nu door appellant
niet is onderbouwd dat hij als gevolg van de lange duur van de procedure
daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondergaan. Mocht de Raad
oordelen dat er wel aanleiding is tot toekenning van de gevraagde
compensatie, dan dient, uitgaande van de door het EHRM gehanteerde
criteria, te worden uitgegaan van het basisbedrag van € 1.000,- per
jaar dat de procedure heeft geduurd. Op die basis zal de dan aan
appellant toe te kennen compensatie € 1.000,- dienen te bedragen. De
Svb geeft de Raad in overweging om - subsidiair - ter zake van de
door appellant gevorderde schadevergoeding het bedrag van € 1.000,-
toe te wijzen.
Naar het oordeel van de Raad moet uit het arrest van de Grand Chamber
van het EHRM van 29 maart 2006, Pizzati vs Italië, nr. 62361/00, worden
afgeleid dat in het geval van een schending van de redelijke termijn
daadwerkelijke spanning en frustratie wordt voorondersteld. Slechts
wanneer het bestuursorgaan concrete omstandigheden aandraagt die
aanleiding vormen om te twijfelen aan de aanwezigheid van spanning en
frustratie, of wanneer de rechter zelf dergelijke omstandigheden
onderkent, zal de rechter op dit punt onderzoek moeten verrichten. Komt
hij tot de conclusie dat er van daadwerkelijke spanning en frustratie
geen sprake is, dan dient hij dit in zijn uitspraak vast te stellen en
te motiveren. Nu de Svb omstandigheden als hier bedoeld niet heeft
aangevoerd en de Raad ook zelf dergelijke omstandigheden niet aanwezig
acht, zal de Raad aan de stelling van de Svb voorbijgaan. De Svb heeft
verzocht om in dat geval aan appellant een vergoeding toe te kennen van
€ 1.000,-. De Raad ziet geen grond om de Svb hierin niet te volgen.
Aan appellant dient derhalve door de Svb € 1.000,- te worden betaald
ter vergoeding van immateriële schade voor de overschrijding door de
Svb van de redelijke termijn.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de
Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij appellants verzoek
om veroordeling van de Sociale verzekeringsbank tot betaling van
immateriële schade is afgewezen;
Veroordeelt de Sociale verzekeringsbank ter zake tot vergoeding van €
1.000,-;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de
proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot €
644,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de griffier van
de Raad;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde
griffierecht van € 87,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L.
de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22
september 2006.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) P.H. Broier.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.
|
|