|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/6734
AOW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2004,
02/4735 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 17 november 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad
beantwoord.
Bij brief van 24 juni 2006 heeft appellant de gronden van het beroep
nader toegelicht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2006.
Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen
door J.A.H. Dijcks en H. van der Most.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 10 juli 1998 heeft de Svb aan appellant met ingang van 1
december 1998 een AOW-pensioen toegekend, waarbij een korting is
toegepast van 82% wegens afgerond 42 niet-verzekerde jaren. Bij separaat
besluit van dezelfde datum heeft de Svb aan appellant laten weten dat
hij geen recht heeft op een toeslag op zijn AOW-pensioen gezien het
inkomen van appellants (huwelijks)partner.
Bij brief gedateerd 3 augustus 1998 heeft appellant bezwaar gemaakt
tegen de korting op zijn AOW-pensioen. Opgemerkt wordt onder meer dat
bij de berekening van het pensioen ten onrechte geen rekening is
gehouden met het gegeven dat appellant EU-onderdaan is. Bij besluit van
22 oktober 1998 is het bezwaar ongegrond verklaard. Bij schrijven van 13 november 1998 is door appellant beroep ingesteld zowel inzake het
AOW-pensioen als de toeslag op het pensioen. Bij uitspraak van 4 oktober
2000 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep voorzover gericht tegen de
afwijzing van de toeslag niet ontvankelijk verklaard en het beroep voor
het overige ongegrond verklaard. Het beroep van appellant voorzover het
de toeslag betreft is door de rechtbank doorgezonden naar de Svb ter
behandeling als bezwaarschrift. Bij besluit van 18 oktober 2000 is het
bezwaar tegen de toeslag niet-ontvankelijk verklaard wegens
overschrijding van de bezwaartermijn.
Bij besluit van 29 maart 2002 heeft de Svb aan appellant laten weten dat
naar aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep
appellants recht op toeslag opnieuw is beoordeeld. Op grond van deze
uitspraak mogen sommige uitkeringen niet langer worden gekort op de
AOW-toeslag. Deze uitspraak geldt ook voor de EU-rente van appellants
echtgenote. Aan appellant wordt vanaf maart 2001 een toeslag toegekend
van € 263,24 bruto per maand (exclusief € 13,68 vakantiegeld). Dit
is 46% van de volledige toeslag.
In bezwaar is door appellant aangevoerd dat het recht op toeslag dient
in te gaan per 1 december 1998. Bij besluit van 27 september 2002
(hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 29
maart 2002 ongegrond verklaard. Opgemerkt wordt dat naar aanleiding van
de uitspraak van de CRvB van 22 maart 2001 de Svb haar beleid heeft
gewijzigd. Besloten is om gelijksoortige wettelijke uitkeringen uit een
ander EU/EER-land toegekend aan de jongere (huwelijks)partner, die
gebaseerd zijn op de eigen tijdvakken van verzekering van die partner,
niet meer te korten op de AOW-toeslag. Deze beleidswijziging gaat in op
1 maart 2001 en werkt niet terug.
In beroep heeft appellant zowel gronden aangevoerd tegen de ingangsdatum
van de toeslag als tegen de berekening van de AOW-uitkering zelf. In
verweer is door de Svb aangegeven dat de beleidswijziging verband houdt
met een andere interpretatie van verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna:
Vo. 1408/71).
Ter zitting van de rechtbank is namens de Svb een uiteenzetting gegeven
van het beleid van de Svb inzake het terugkomen van een eerder besluit.
Als een rechtens onherroepelijk geworden besluit bij nader inzien voor
onjuist wordt gehouden als gevolg van een wijziging in het beleid van de
Svb ten gunste van de belanghebbende hanteert de Svb de volgende
uitgangspunten:
1) Als het nieuwe beleid is gebaseerd op één rechterlijke
uitspraak zal de Svb de beleidswijziging in het algemeen laten ingaan op
de datum van die uitspraak.
2) Andere beleidswijzigingen zullen in het algemeen ingaan op
de datum waarop de Svb tot beleidswijziging beslist of op een andere,
apart vastgestelde datum. Herziening van rechtens onaantastbaar geworden
besluiten zal plaatsvinden met een terugwerkende kracht van ten hoogste
één jaar vanaf het moment waarop de belanghebbende om herziening heeft
gevraagd, tot uiterlijk de ingangsdatum van het nieuwe beleid.
In het onderhavige geval volgt volgens de Svb hieruit dat de korting
wordt herzien met ingang van de ingangsdatum van het nieuwe beleid. Nu
als ingangsdatum van het nieuwe beleid in de Svb Beleidsregels 5
februari 2001 is aangegeven, dient aan appellant een toeslag te worden
toegekend met ingang van 1 februari 2001. In zoverre wordt het bestreden
besluit niet gehandhaafd. Opgemerkt wordt verder dat in casu aan het
terugkomen van een andere interpretatie van artikel 46, eerste lid,
onder a, van Vo. 1408/71 ten gronde ligt. De Svb is thans van mening dat
de hoogte van de toeslag dient te worden vastgesteld aan de hand van de
pro-rata berekening als bedoeld in artikel 46, lid 2, van Vo. 1408/71.
Artikel 46ter, lid 1, van Vo. 1408/71 verbiedt een aldus berekende
uitkering te anticumuleren met een andere uitkering van gelijke aard.
De rechtbank heeft vooropgesteld dat appellants grief met betrekking tot
het recht op AOW zelf geen doel kan treffen, aangezien het bestreden
besluit slechts de herziening van het recht op AOW-toeslag betreft. Met
betrekking tot de toeslag heeft de rechtbank geoordeeld dat het
bestreden besluit in overeenstemming is met het door de Svb gevoerde
beleid. De rechtbank acht dit beleid niet kennelijk onredelijk of
anderszins onjuist. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit
kan worden gehandhaafd, zij het dat, zoals ter zitting door de Svb is
uiteengezet, de ingangsdatum van de toekenning van het recht op toeslag
1 februari 2001 dient te zijn. Het bestreden besluit wordt op die grond
vernietigd. Door de rechtbank is zelf in de zaak voorzien door te
bepalen dat appellant vanaf 1 februari 2001 recht heeft op een
AOW-toeslag ter hoogte van 46% van de volledige toeslag.
Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen het door de
rechtbank zelf in de zaak voorzien. Appellant heeft in essentie zijn
grieven met betrekking tot het recht op AOW en de toeslag bij de AOW
herhaald. Door de Svb is nog opgemerkt dat de rechtspraak van het Hof
van Justitie van de EG geen aanleiding geeft te vermoeden dat in de
onderhavige zaak een uitzondering aan de orde zou zijn op grond waarvan
niet mag worden uitgegaan van de formele rechtskracht van eerder genomen
beschikkingen.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad stelt voorop dat appellants grief met betrekking het recht op
AOW zelf geen doel kan treffen, nu dit recht valt buiten de omvang van
het tussen partijen aanhangige geding.
Ten aanzien van de ingangsdatum van het recht op toeslag kan de Raad
zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank, welke de Raad
dan ook tot de zijne maakt. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft
aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste
aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander
oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel
van de rechtbank.
Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L.
de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17
november 2006.
(get.) M.M. van de Kade.
(get.) P.H. Broier.
|
|