|
Uitspraak
meervoudige kamer 06/767
AOW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 januari 2006, 05/708
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 23 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2006.
Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
K. van Ingen, werkzaam bij de Svb.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De Svb heeft appellant met ingang van 1 maart 2002 een ouderdomspensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een
gehuwde op de grond dat hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert
met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]). Daarbij is er door de Svb van
uitgegaan dat appellant en [betrokkene] hun hoofdverblijf hadden in
dezelfde woning en dat zij zich krachtens een destijds geldend
samenlevingscontract wederzijds hebben verplicht tot het leveren van een
bijdrage aan de huishouding. De hieraan ten grondslag liggende besluiten
van de Svb zijn, ingevolge de uitspraak van de Raad van 5 augustus 2003,
03/659 AOW, in rechte onaantastbaar geworden.
Op 6 februari 2003 heeft appellant, die zijn hoofdverblijf nog steeds
met [betrokkene] in dezelfde woning heeft, bij de Svb een aanvraag
ingediend om herziening van zijn ouderdomspensioen naar de norm voor een
ongehuwde, dit op de grond dat de registratie van het
samenlevingscontract is opgeheven.
Bij besluit van 9 april 2003 heeft de Svb de aanvraag afgewezen, welk
besluit na bezwaar bij besluit van 6 mei 2003 is gehandhaafd. Tegen dit
besluit is geen rechtsmiddel aangewend.
Op 2 januari 2005 heeft appellant bij de Svb wederom een aanvraag
ingediend om herziening van zijn ouderdomspensioen naar de norm voor een
ongehuwde, dit op de grond dat de registratie van het
samenlevingscontract inmiddels twee jaar geleden is opgeheven.
Bij besluit van 7 maart 2005 heeft de Svb de aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 3 mei 2005 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit
van 7 maart 2005 kennelijk ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 3 mei 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad heeft het verzoek van appellant opgevat als een verzoek om
herziening van zijn ouderdomspensioen met ingang van een datum welke is
gelegen na de in evenvermelde besluiten vermelde data.
Indien een belanghebbende na afwijzing van een dergelijk verzoek een
nieuw verzoek indient, ligt het volgens vaste jurisprudentie van de Raad
op zijn weg om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de
omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan
aan de vereisten om voor wijziging van de norm in aanmerking te komen.
Naar het oordeel van de Raad is appellant daarin niet geslaagd.
Vaststaat dat appellant en [betrokkene] hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben. Voorts is appellant sedert maart 2002 voor de toepassing
van de AOW onafgebroken met een gehuwde gelijkgesteld en zijn appellant
en [betrokkene] sedert genoemde datum ook onafgebroken aangemerkt als
een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met
de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid van artikel 1 van
de AOW.
Appellant heeft aangegeven dat hij voor de fiscus als alleenstaande
wordt aangemerkt en heeft er tevens op gewezen dat aan het afschrift van
het samenlevingscontract geen rechtskracht toekomt nu dit afschrift niet
door hem is ondertekend. Verder wordt door hem niet betwist dat in de
feitelijke woon- en leefsituatie op zichzelf niets is gewijzigd. De Raad
is van oordeel dat op grond van het vorenstaande niet kan worden
gesproken van gewijzigde omstandigheden in bovengenoemde zin. Daarbij
laat de Raad in het midden of uit de door appellant ingezonden stukken
afkomstig van de Belastingdienst zonder meer kan worden afgeleid dat hij
door die dienst als een alleenstaande wordt aangemerkt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt,
zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J.
van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 23 januari 2007.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) A.C. Palmboom.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|