|
Uitspraak
meervoudige kamer 06/988
AOW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 januari 2006, 05/2765
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 27 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J.M. Willems, advocaat te Malden, hoger
beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2007. Voor
appellant is verschenen mr. Willems. De Svb heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. drs. H. Xhonneux, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellant is met ingang van 1 maart 1992 een pensioen op grond van de
Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een ongehuwde.
Bij besluit van 14 februari 2005 heeft de Svb het ouderdomspensioen van
appellant met ingang van 1 augustus 1996 herzien naar de norm voor
gehuwden op de grond dat appellant sedert die datum een gezamenlijke
huishouding voert met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]).
Bij besluit van 16 juni 2005 heeft de Svb het tegen het besluit van 14
februari 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 16 juni 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zich tegen de uitspraak van de rechtbank
gekeerd.
Daartoe is - samengevat - aangevoerd dat geen sprake is van wederzijdse
verzorging en dat, indien wel een gezamenlijke huishouding wordt
aangenomen, herziening van het pensioen met volledige terugwerkende
kracht kennelijk onredelijk is.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De gezamenlijke huishouding
Ingevolge artikel 1, vijfde lid (oud), respectievelijk artikel 1, vierde
lid, van de AOW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee
ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting respectievelijk
hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald
geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord
aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot
het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven
van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van
belang.
Vaststaat dat appellant en [betrokkene] ten tijde hier van belang in
dezelfde woning aan [adres] wonen zodat aan het eerste
criterium is voldaan.
Het tweede criterium waaraan voor de vaststelling van een gezamenlijke
huishouding moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse verzorging.
Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling
tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de
woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige
verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook
andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de
betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.
Uit de gedingstukken (waaronder met name de zogeheten “Checklist
onderzoek leefsituatie AOW/Anw” van 22 december 2004) komt onder meer
het volgende naar voren. Appellant is per oktober 1995 bij [betrokkene]
gaan inwonen. [betrokkene] was en is in toenemende mate hulpbehoevend.
Appellant verzorgt [betrokkene] en heeft gratis inwoning. Appellant
vervoert [betrokkene] in zijn auto zonder daarvoor een vergoeding te
vragen. Appellant en [betrokkene] hebben in het verleden gezamenlijk
duurzame gebruiksgoederen aangeschaft, zij halen en betalen gezamenlijk
de boodschappen en eten gezamenlijk.
De op de woning rustende vaste lasten worden door [betrokkene] voldaan.
De Raad stelt vast dat deze feiten en omstandigheden, die op zichzelf
niet worden betwist, duidelijk wijzen op een situatie dat beiden een
bijdrage leveren in de kosten van de huishouding. Daarmee is tevens aan
het tweede criterium voldaan. Dat appellant daarnaast in de praktijk van
alledag in feite de enige is die de ander vanwege diens
hulpbehoevendheid verzorgt leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover
appellant heeft beoogd te stellen dat de prestaties over en weer hun
grond vinden in een tussen hen beiden bestaande commerciële relatie kan
de Raad appellant evenmin volgen. Naar vaste rechtspraak van de Raad
moet een commerciële relatie immers aan de hand van schriftelijke
bewijsstukken worden aangetoond. Gebleken is dat geen schriftelijk stuk
is opgemaakt waaruit blijkt wat er precies tussen appellant en
[betrokkene] is afgesproken en wat de precieze prestaties over en weer
zijn. Ook anderszins is niet aannemelijk gemaakt dat op zakelijke basis
tegen een als reëel aan te merken prijs onderdak en verzorging is en
wordt verschaft. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat de
Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant en
[betrokkene] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding hebben
gevoerd.
De herziening met (volledige) terugwerkende kracht
Ingevolge artikel 17a van de AOW herziet de Sociale verzekeringsbank een
besluit tot toekenning van een ouderdomspensioen - voor zover hier van
belang - indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de in artikel 49
van de AOW bedoelde informatieplicht heeft geleid tot het ten onrechte
of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen. In het tweede
lid is bepaald dat de Sociale verzekeringsbank kan besluiten geheel of
gedeeltelijk van herziening af te zien indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
De Svb gaat blijkens zijn beleidsregels met betrekking tot een
herziening ten nadele van de belanghebbende niet tot herziening met
volledig terugwerkende kracht over indien de uitkeringsgerechtigde al
zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen
begrijpen dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd
verleend. Voorts wordt geheel of gedeeltelijk van herziening afgezien
als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel
dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is Bij de
beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid wordt belang
gehecht aan de mate waarin aan de belanghebbende een verwijt kan worden
gemaakt, de mate waarin de Svb een verwijt kan worden gemaakt en de mate
waarin herziening met volledige terugwerkende kracht en de daarmee
gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het
dagelijks leven van de belanghebbende. Naar het oordeel van de Raad zijn
deze beleidsregels niet in strijd met algemeen verbindende voorschriften
en blijven zij binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.
Aangezien appellant heeft nagelaten de Svb te informeren over zijn
gewijzigde woon- en leefsituatie, terwijl het hem redelijkerwijs
duidelijk moet zijn geweest dat deze informatie van invloed kon zijn op
(de omvang van) het recht op ouderdomspensioen, heeft de Svb terecht
aangenomen dat appellant in zoverre verwijtbaar heeft gehandeld. Nu
tevens vaststaat dat de Svb terzake geen verwijt treft, moet worden
geconcludeerd dat de Svb door te besluiten tot herziening met volledige
terugwerkende kracht heeft gehandeld overeenkomstig de geldende
beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad met de
rechtbank geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84
(slot) van de Algemene wet bestuursrecht om in afwijking van de
vigerende beleidsregels terzake van de herziening af te zien van gehele
of gedeeltelijke terugwerkende kracht. De Raad merkt in dat verband nog
op dat het enkele feit dat appellant naar zijn zeggen bij derden,
waaronder zijn huisarts, inlichtingen heeft ingewonnen waaruit hij heeft
afgeleid dat de gewijzigde woonsituatie geen consequenties had voor het
ouderdomspensioen niet tot een ander oordeel leidt. Het moet immers
vanzelfsprekend worden geacht dat over kwesties omtrent het recht op
ouderdomspensioen primair contact wordt opgenomen met of inlichtingen
ingewonnen worden bij de Svb. Ook hetgeen nog is opgemerkt over het
maatschappelijk belang van mantelzorg in het algemeen en over de goede
bedoelingen van appellant, waaraan de Raad op zichzelf niet twijfelt,
kan niet tot een ander oordeel leiden, nu de Svb de van toepassing
zijnde bepalingen op juiste wijze heeft geïnterpreteerd en toegepast.
Slotoverwegingen
Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M.
Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar
op 27 februari 2007.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) L. Jörg.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|