|
Uitspraak
voorzieningenrechter 05/7037
AOW, 06/1094 AOW en 06/7315 AOW
U I T S P R A A K
als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene
wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van
het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
in verband met het geding tussen:
verzoeker
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 30 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. J.H. Hartman, werkzaam bij Hartman
Consultancy te Hedel, beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Breda van 9 november 2005, 05/208 AOW.
Namens verzoeker is tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2007.
Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr.
Hartman, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
A. Marijnissen.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een besluit beroep is
ingesteld bij de Raad, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek
een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de
betrokken belangen, dat vereist.
Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de
voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader
onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de
hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en
dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk
uitspraak te doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van
belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 28 februari 2002 is aan verzoeker met ingang van maart
2002 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW)
toegekend alsmede een toeslag op dat pensioen. De Svb heeft hierbij
aangegeven dat de toeslag wordt gekort omdat de partner van verzoeker
eigen inkomsten heeft, bestaande uit een uitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet en een nabestaandenpensioen van MN-Services. Dit laatste
pensioen is als inkomen uit arbeid gedeeltelijk gekort op de toeslag.
Bij besluit van 4 december 2002 heeft de Svb de toeslag op het
AOW-pensioen verhoogd wegens een wijziging in het nabestaandenpensioen.
Op 15 augustus 2003 heeft de Svb een ingevuld formulier “Opgaaf
inkomsten voor toeslag AOW” van verzoeker retour ontvangen.
Bij besluit van 4 september 2003 heeft de Svb de toeslag op verzoekers
AOW-pensioen met terugwerkende kracht over de periode maart 2002 tot en
met augustus 2003 herzien omdat het door de partner van verzoeker
ontvangen nabestaandenpensioen als inkomen in verband met arbeid
volledig moet worden gekort op de toeslag. In de begeleidende brief
heeft de Svb de terugvordering aangekondigd van het over die periode
teveel ontvangen bedrag van € 3.740,18 en verzoeker uitgenodigd tot
het doen van een voorstel tot een betalingsregeling.
Bij beslissing op bezwaar van 14 oktober 2003 heeft de Svb het door
verzoeker tegen het besluit van 4 september 2003 ingediende
bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 26 november 2003 heeft de Svb aan verzoeker medegedeeld
dat hij de vordering van € 3.740,18 binnen zes weken na dagtekening
van dit besluit dient te voldoen, aangezien verzoeker niet heeft
meegewerkt aan een betalingsregeling.
Naar aanleiding van het namens verzoeker ingediende bezwaarschrift heeft
de Svb bij brief van 9 januari 2004 de besluiten van 14 oktober 2003 en
26 november 2003 ingetrokken en is het bezwaar tegen het besluit van 4
september 2003 alsnog ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 29 januari 2004 heeft de Svb aan verzoeker medegedeeld
dat naar aanleiding van het herzieningsbesluit van 4 september 2003 de
te veel betaalde uitkering ad € 3.740,18 van hem wordt teruggevorderd.
Voorts is aan verzoeker medegedeeld dat hij dit bedrag binnen zes weken
moet terugbetalen, maar dat gedurende de bezwaarprocedure geen
incassomaatregelen zullen worden getroffen.
Op 18 februari 2004 heeft verzoeker een ingevuld formulier “onderzoek
aflossingscapaciteit” ingezonden.
Op 18 mei 2004 heeft de Svb van MN-Services vernomen dat het
nabestaandenpensioen van de partner van verzoeker per 1 januari 2003 is
verhoogd. Naar aanleiding hiervan heeft de Svb bij besluit van 8 juni
2004 het besluit van 4 september 2003 ingetrokken en een nieuw
herzieningsbesluit genomen waarin de wijziging van het inkomen van de
partner van verzoeker per 1 januari 2003 is meegenomen. Voorts is bij
brief van gelijke datum de terugvordering en de invordering van het
teveel betaalde bedrag aangekondigd.
Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft de Svb, onder vervallenverklaring
van het besluit van 29 januari 2004, een bedrag van € 3.778,74 aan
teveel betaalde toeslag over de periode maart 2002 tot en met augustus
2003 van verzoeker teruggevorderd. Voorts is in dit besluit neergelegd
dat de vordering binnen 1 jaar moet zijn betaald en dat gedurende de
bezwaarprocedure geen incassomaatregelen worden getroffen.
Bij beslissing op bezwaar van 24 december 2004 heeft de Svb de namens
verzoeker ingediende bezwaarschriften tegen het herzieningsbesluit van 8
juni 2004 en het terug- en invorderingsbesluit van 26 oktober 2004,
ongegrond verklaard. De Svb heeft hiertoe - samengevat - overwogen dat de Svb het nabestaandenpensioen van de
partner van verzoeker aanvankelijk ten onrechte heeft aangemerkt als
inkomen uit arbeid, terwijl dit als inkomen in verband met arbeid geheel
op de toeslag gekort had moeten worden. Deze fout van de Svb had
verzoeker op grond van het verstrekte voorlichtingsmateriaal
redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn. De wijziging in het inkomen van de
partner per 1 januari 2003 heeft verzoeker niet (tijdig) doorgegeven
waardoor de toeslag ook om die reden tot een te hoog bedrag is
verstrekt. De aangevoerde argumenten vormen geen dringende redenen om
van herziening af te zien. De Svb heeft niet in strijd met het
rechtszekerheidsbeginsel gehandeld door ten nadele van verzoeker op de
primaire besluiten terug te komen. De Svb is voorts verplicht de teveel
betaalde toeslag terug te vorderen en heeft in het door verzoeker
gestelde geen dringende reden gezien hiervan af te zien.
De rechtbank heeft het standpunt van de Svb onderschreven.
In hoger beroep heeft de Svb, onder vervallenverklaring van de
beslissing op bezwaar van 24 december 2004, een nieuwe beslissing op
bezwaar van 10 februari 2006 (hierna: bestreden besluit) afgegeven in
verband met het met toepassing van artikel 3:4 van de Awb ingestelde
onderzoek naar de eventuele kennelijke onredelijkheid van een herziening
met volledige terugwerkende kracht. In dit besluit is wederom het
bezwaarschrift ongegrond verklaard op grond van de overwegingen zoals
gebezigd in het besluit van 24 december 2004, en is tevens overwogen dat
van kennelijke onredelijkheid geen sprake is nu uit de overgelegde
gegevens niet is gebleken dat de terugvordering onevenredig ingrijpend
is in het dagelijks leven van verzoeker.
De voorzieningenrechter heeft aanleiding gezien dit besluit van 10
februari 2006 op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb in de
beoordeling van het hoger beroep te betrekken.
Bij brief van 10 maart 2006 heeft de Svb aan verzoeker medegedeeld dat
de vordering van € 3.778,74 binnen zes weken moet zijn betaald.
Hierbij heeft de Svb verwezen naar een betalingsregeling van 26 oktober
2004 waarin is afgesproken dat de vordering binnen een jaar moet zijn
betaald en dat alleen tijdens de bezwaarfase geen incassomaatregelen
zullen worden genomen. Bij brief van 24 april 2006 heeft de Svb
verzoeker gesommeerd de vordering binnen twee weken te betalen. Op 25
april 2006 heeft de Svb een bezwaarschrift tegen de brief van 10 maart
2006 van verzoeker ontvangen. Vervolgens is bij beslissing op bezwaar
van 24 mei 2006 het bezwaar tegen de brief van 10 maart 2006
niet-ontvankelijk verklaard omdat die brief niet was gericht op een
ander rechtsgevolg dan in het besluit van 26 oktober 2004 was beoogd en
de brief derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is.
Tegen dit besluit van 24 mei 2006 heeft verzoeker beroep ingesteld bij
de rechtbank.
Bij brief van 1 september 2006 wordt verzoeker nogmaals door de Svb
gesommeerd de vordering binnen twee weken te betalen. Op 22 december
2006 heeft de gerechtsdeurwaarder op verzoek van de Svb de grosse van
het terugvorderingsbesluit aan verzoeker betekend en bevel gedaan een
bedrag van totaal € 5181,08 binnen twee dagen te betalen.
Bij schrijven van 26 december 2006 heeft de gemachtigde van verzoeker
een verzoek om een voorlopige voorziening bij de Raad ingediend ten
einde de invordering op te schorten totdat de Raad uitspraak heeft
gedaan in de hoofdzaak betreffende de herziening en de terugvordering.
De gemachtigde heeft hiertoe aangevoerd dat verzoeker in acute financiële
problemen komt als tot invordering wordt overgegaan.
Desgevraagd heeft de Svb medewerking verleend aan het verzoek van de
voorzieningenrechter de incassoprocedure bij de deurwaarder op te
schorten totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist.
In (hoger) beroep is namens verzoeker in de hoofdzaak met name het
volgende aangevoerd.
Verzoeker heeft als leek niet kunnen begrijpen dat door de Svb een fout
met betrekking tot de kwalificatie van zijn inkomen werd gemaakt. Hij
heeft altijd tijdig de juiste informatie omtrent zijn inkomen aan de Svb
verstrekt zodat verzoeker niets te verwijten valt. Voorts was het voor
verzoeker uit de door de Svb verstrekte brochures volstrekt niet kenbaar
wat het verschil is tussen inkomen uit arbeid en inkomen in verband met
arbeid, wat de relevantie is van dit verschil in terminologie en wat de
consequentie is van een verkeerde kwalificatie door de Svb. Ook wat
betreft de verhoging van het inkomen van zijn partner per 1 januari 2003
heeft verzoeker altijd de hem bekende informatie door middel van
verstrekking van jaaropgaven aan de Svb doorgegeven. Voorts is het
verbod op reformatio in peius geschonden omdat de Svb hangende bezwaar
de toeslag op het AOW-pensioen ten nadele van verzoeker heeft herzien,
omdat was gebleken dat het pensioen tot een te hoog bedrag was verleend.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
De herziening
De voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil
is dat de Svb het nabestaandenpensioen van de partner van verzoeker ten
onrechte heeft aangemerkt als inkomen uit arbeid, met als gevolg dat aan
verzoeker in de betreffende periode een te hoge toeslag op het
AOW-pensioen is toegekend.
Uit artikel 17a van de AOW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of
tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het
desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van dit
artikel is blijkens de memorie van toelichting dat in alle gevallen
correctie van fouten moet plaatsvinden (TK, 1994-1995, 23 909, nr.3). In
de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer is daaraan echter toegevoegd
dat in het wetsvoorstel wordt aangesloten bij het
rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak inhoudend dat
herziening/intrekking van een uitkering niet is toegestaan tenzij
betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering had (EK,
1995-1996, 23 909, nr. 114b). Ingevolge het tweede lid van artikel 17a
kan geheel of gedeeltelijk van herziening worden afgezien indien
daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Ten aanzien van een herziening van het recht op uitkering met
terugwerkende kracht ten nadele van de verzekerde heeft de Svb beleid
vastgesteld, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen
zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit
beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledig
terugwerkende kracht overgaat als de verzekerde al zijn verplichtingen
is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de
uitkering ten onrechte werd verleend. In een dergelijk geval wordt de
uitkering in beginsel zonder terugwerkende kracht herzien. Voorts wordt
met toepassing van artikel 3:4 van de Awb geheel of gedeeltelijk van
herziening afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval
leiden tot het oordeel dat een volledig terugwerkende kracht kennelijk
onredelijk is. Bij de beoordeling of er sprake is van kennelijke
onredelijkheid hecht de Svb belang aan:
- de mate waarin aan de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin aan de Svb een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin de herziening met volledig terugwerkende kracht en de
hiermee gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het
dagelijkse leven van de belanghebbende.
Behoudens de verhoging van het nabestaandenpensioen per 1 januari 2003
is tussen partijen niet in geschil dat verzoeker al zijn verplichtingen
is nagekomen en dat de onjuiste berekening van de toeslag op het
AOW-pensioen uitsluitend is toe te rekenen aan een fout van de Svb. Het
geschil spitst zich primair toe op de vraag of verzoeker redelijkerwijs
had kunnen onderkennen dat zijn pensioen werd berekend naar een onjuiste
grondslag.
Door verzoeker is niet ontkend dat hij van het door de Svb toegestuurde
informatiemateriaal tijdig heeft kennis genomen. Dit materiaal, dat zich
gedeeltelijk onder de gedingstukken bevindt (“Uw AOW/ANW”) en
gedeeltelijk ter zitting is getoond (“Informatie over uw AOW-pensioen”),
verschaft naar het oordeel van de voorzieningenrechter in ruime mate
informatie over het onderscheid tussen inkomen uit arbeid en inkomen in
verband met arbeid en het belang van dat onderscheid voor de berekening
van de hoogte van de toeslag. Dit materiaal, dat ten tijde van de
aanvraag van de AOW respectievelijk halfjaarlijks wordt toegezonden, had
verzoeker bij voldoende oplettendheid in ieder geval kunnen en moeten
alarmeren wat betreft het belang van genoemd onderscheid voor de hoogte
van de toeslag. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat niet
kan worden gezegd dat het aan verzoeker redelijkerwijs niet duidelijk
had kunnen zijn dat hij een te hoge toeslag op zijn AOW-pensioen
ontving. In die omstandigheden had het voorts op de weg van verzoeker
gelegen, toen het nabestaandenpensioen van zijn partner bleek te worden
aangemerkt als inkomen uit arbeid, bij de Svb te informeren naar de
juistheid van die kwalificatie, en, in het verlengde daarvan, de
juistheid van de hoogte van het aan hem toegekende pensioen, zo bij hem
- ondanks de door de Svb verstrekte informatie - ter zake nog
onduidelijkheid bestond.
Het hiervoor weergegeven, met toepassing van artikel 3:4 van de Awb,
door de Svb gevoerde beleid biedt verzoeker (ook) geen soelaas. Naar het
oordeel van de voorzieningenrechter bieden de gedingstukken, en het
verhandelde ter zitting, geen grondslag voor de stelling dat de
herziening met volledig terugwerkende kracht en de hiermee gepaard
gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het dagelijkse
leven van verzoeker. Ook anderszins kan in het onderhavige geval niet
worden gezegd dat de herziening met volledig terugwerkende kracht
kennelijk onredelijk is.
Wat betreft de herziening van de toeslag op grond van de verhoging van
het nabestaandenpensioen met ingang van 1 januari 2003 is de
voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker heeft nagelaten deze
verhoging tijdig aan de Svb te melden. Door overlegging van de
jaaropgaven heeft verzoeker het risico genomen dat de Svb van
tussentijdse inkomensverhogingen niet op de hoogte was waardoor achteraf
zou moeten worden geconstateerd dat een te hoge toeslag op het pensioen
is verstrekt. De partner van verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat
zij van tussentijdse verhogingen geen specificatie ontving, maar dat zij
uit haar bankafschriften had kunnen opmaken dat een hoger bedrag dan
anders was overgemaakt en desgewenst tussentijds specificaties bij
MN-Services had kunnen opvragen. In dit licht bezien had verzoeker
derhalve op de hoogte kunnen zijn van mutaties in het inkomen van zijn
partner. Niet is van belang dat verzoeker niet de opzet heeft gehad de
Svb te benadelen aangezien voor de verplichting tot herziening en de
daarop gebaseerde terugvordering opzet geen vereiste is.
Wat betreft de met betrekking tot deze herziening namens verzoeker
gestelde schending van het verbod op reformatio in peius merkt de
voorzieningenrechter op dat artikel 7:11 van de Awb - nog afgezien van
het feit dat zich door de verhoging van het inkomen nieuwe feiten en
omstandigheden hebben voorgedaan - niet in de weg staat aan een
bevoegdheid tot wijziging van een besluit ten nadele van een
belanghebbende in die gevallen waarin die bevoegdheid op andere gronden
reeds bestaat. Indien het bestuursorgaan ook zonder dat het
bezwaarschrift zou zijn ingediend tot wijziging van het bestreden
besluit ten nadele van de indiener bevoegd zou zijn, verzet artikel 7:11
van de Awb zich er niet tegen dat die wijziging betrokken wordt bij de
beslissing op het bezwaarschrift. De voorzieningenrechter stelt vast dat
de Svb op grond van artikel 17a van de AOW verplicht is tot herziening
van de toeslag op het AOW-pensioen indien deze ten onrechte of tot een
te hoog bedrag is verleend. Hieruit volgt dat aan deze verplichting, in
het geval van een lopende bezwaarprocedure, buiten de gronden van het
bezwaar om, vorm kan worden gegeven via de in die procedure te nemen
beslissing op bezwaar. Van reformatio in peius kan in zo’n geval,
gezien het dwingendrechtelijk karakter van de regeling, niet worden
gesproken. Hierbij kan nog worden aangetekend dat verzoeker in de
gelegenheid is gesteld zijn grieven tegen het herzieningsbesluit naar
voren te brengen.
De terugvordering
Uit het bovenstaande vloeit voort dat de Svb gehouden was om over te
gaan tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag,
behoudens voor zover dringende redenen daaraan in de weg zouden staan.
Van dringende redenen in de zin van de van toepassing zijnde wettelijke
bepalingen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de
voorzieningenrechter evenwel niet gebleken.
De invordering
In het primaire terug- en invorderingsbesluit van 26 oktober 2004 heeft
de Svb gesteld dat de teveel betaalde toeslag in principe binnen een
jaar door verzoeker terug betaald moet worden. Ook in de brief van 10
maart 2006 wordt naar dit besluit verwezen om aan te geven dat de
termijn van een jaar reeds lang verstreken is en derhalve de vordering
thans binnen zes weken dient te worden voldaan. Zoals hierboven reeds is
weergegeven is een en ander uitgemond in een incassoprocedure door de
deurwaarder.
Zoals ook reeds ter zitting aan de orde is gesteld is de
voorzieningenrechter van oordeel dat voor de door de Svb gehanteerde
invorderingstermijn geen grond gevonden kan worden in de wet.
In het op artikel 24b van de AOW gebaseerde Besluit invordering boeten
en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW (hierna: Besluit
invordering) zijn verschillende invorderingsregimes neergelegd onder
andere in artikel 5 voor het geval de terugvordering het gevolg is van
het niet of niet behoorlijk nakomen van de mededelingsverplichting en in
artikel 6 voor de andere gevallen. Desgevraagd heeft de gemachtigde van
de Svb ter zitting verklaard dat in het onderhavige geval artikel 6 van
het Besluit invordering toepasselijk moet worden geacht, in welk artikel
is bepaald dat de Svb de termijnen voor de aflossing van de vordering
zodanig vaststelt dat de vordering volledig wordt afgelost binnen
uiterlijk zestig maanden nadat de Svb aan de schuldenaar kennis heeft
gegeven van de vaststelling van de termijnen. De termijnen worden
zodanig vastgesteld dat ten minste de halve en ten hoogste de volledige
aflossingscapaciteit van de schuldenaar wordt benut.
Dit betekent, zoals ook ter zitting door de gemachtigde van de Svb is
beaamd, dat het bestreden besluit voor zover daarin is beslist met
betrekking tot de invordering geen stand kan houden. Ter zitting heeft
de gemachtigde van de Svb bevestigd de invorderingsbesluiten en
aanmaningen in te trekken, evenals het besluit op bezwaar van 24 mei
2006, waardoor de gemachtigde van verzoeker de procedure bij de
rechtbank tegen dat besluit kan beëindigen. De gemachtigde van de Svb
heeft voorts aangegeven met betrekking tot de terugbetaling van de
vordering ad € 3.778,74 met verzoeker in contact te treden waarbij de
aflossingscapaciteit opnieuw zal worden bekeken. Nu de gemachtigde van
de Svb heeft verklaard dat de verdere incassomaatregelen terstond beëindigd
zullen worden, is de noodzaak tot het treffen van een voorlopige
voorziening vervallen.
De voorzieningenrechter concludeert derhalve dat het bestreden besluit
wat betreft de invordering op een onjuiste grondslag berust en in
zoverre dient te worden vernietigd evenals de aangevallen uitspraak
waarin het beroep van verzoeker op dat punt ongegrond is verklaard. Het
beroep dat verzoeker geacht wordt te hebben ingesteld tegen het
bestreden besluit is gegrond voor zover dit besluit betrekking heeft op
de invordering. Voor het overige wordt dit beroep ongegrond verklaard.
Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak en er, gelet op hetgeen
hiervoor is overwogen, geen grond is om enigerlei voorlopige voorziening
te treffen, wordt het verzoek afgewezen.
Er zijn termen aanwezig om toepassing te geven om op grond van artikel
8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van verzoeker
in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-
voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,- voor
verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
In de hoofdzaak:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze de invordering
betreft;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 10 februari 2006
gegrond voor zover dat besluit de invordering betreft en vernietigt dat
besluit in zoverre;
Verklaart het beroep tegen dat besluit voor het overige ongegrond;
Veroordeelt de Svb in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag groot
€ 1.288,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan verzoeker het betaalde
griffierecht van € 134,- vergoedt.
Op het verzoek om voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 30 maart 2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|