|
Uitspraak
97/10426
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
Onderlinge Waarborgmaatschappij Zilveren Kruis Spaarneland Verzekeringen, in haar hoedanigheid van Contactorgaan persoonsgebonden budget,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. A.C.M. Peperkamp, werkzaam bij D.A.S.
Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., op bij het
beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld van een door de
Arrondissementsrechtbank te Haarlem onder dagtekening 8 september 1997
tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 14 april 1997 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 januari
1999, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.I.
Oei, eveneens werkzaam bij voornoemde verzekeringmaatschappij. Gedaagde
is verschenen bij haar, ambtshalve opgeroepen, gemachtigde R.W.
Bestebreurtje.
Na heropening van het onderzoek heeft gedaagdes gemachtigde nog een
inlichting verstrekt.
Na verkregen toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat
voortzetting van het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft
hij het onderzoek gesloten.
II. MOTIVERING
De Ziekenfondsraad heeft op 23 maart 1995 de op de Wet financiering
volksverzekeringen steunende Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring
zorgvernieuwing verpleging en verzorging 1995 (de Regeling) vastgesteld.
De Regeling is bij besluit van 21 december 1995 van de Ziekenfondsraad
per 1 januari 1996 vervangen door de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring
zorg op maat verpleging en verzorging.
Op grond van artikel 6 van de Regeling, welke bepaling op 1 juli 1995 in
werking trad, heeft appellante op 27 december 1995 een aanvraag
ingediend tot toekenning van een zogeheten persoonsgebonden budget (PGB)
ten behoeve van haar in verband met haar medische situatie noodzakelijke
verzorging.
Bij besluit van 15 februari 1996 is appellante ingaande 30 januari 1996
een PGB toegekend. Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 15 april
1997 het tegen evenvermeld besluit gedane bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij
de weigering was gehandhaafd het PGB eerder te doen ingaan dan op 30
januari 1996 en heeft de ingangsdatum van het PGB vastgesteld op 27
december 1995. Daartoe is overwogen dat de datum van aanvraag voor de
ingangsdatum van het PGB bepalend is.
Ingevolge het alleen door appellante ingestelde hoger beroep is in dit
geding nog slechts aan de orde of het haar toegekende PGB nog eerder dan
op de datum van aanvraag van 27 december 1995 had behoren in te gaan en
wel in het bijzonder per 1 juli 1995, de datum waarop artikel 6 van de
Regeling in werking trad. Daartoe heeft appellante doen aanvoeren dat
zij niet op de hoogte was van de inwerkingtreding van de Regeling en dat
zij dit ook niet kon zijn, omdat zij daaromtrent van de zijde van
gedaagde geen informatie had ontvangen.
Gedaagde heeft bij verweerschrift aangegeven dat de uitvoering van de
Regeling bij de zogenaamde contactkantoren PGB is gelegd en dat gedaagde
in haar hoedanigheid van contactkantoor PGB voor Midden- en
Zuidkennemerland in juni 1995 alle huisartsen, ziekenhuizen en
revalidatiecentra heeft aangeschreven met betrekking tot de
inwerkingtreding van de Regeling betreffende het PGB op 1 juli 1995. Ook heeft gedaagde aangevoerd dat in de regionale pers
daaraan aandacht is gegeven en dat blijkens die perspublicaties ook de
Thuisverpleging Kennemerland (waar appellante haar uit eigen middelen gefinancierde hulp
inkocht) van de invoering van het PGB op de hoogte was.
Ten slotte heeft gedaagde aangevoerd dat de Regeling zich richt tot
iedere ingezetene die aan de indicatievereisten voldoet en dat zij als
daartoe aangewezen contactkantoor haar informatievoorziening daarop
heeft gericht. Gedaagde is van opvatting dat haar als zorgverzekeraar
niet verweten kan worden dat zij de "eigen" tegen ziektekosten
verzekerden, waaronder appellante, niet daarnaast afzonderlijk over de
inwerkingtreding van het PGB heeft bericht.
De Raad stelt voorop dat de Regeling noch de opvolgende regelgeving per
1 januari 1996 bepalingen kenden met betrekking tot de ingangsdatum van
een PGB.
De Raad volgt gedaagde in haar zienswijze dat het PGB in het geval van
appellante niet reeds met ingang van 1 juli 1995 had behoren te worden
toegekend. Mede gelet op hetgeen gedaagde daaromtrent heeft aangevoerd
kan niet worden staande gehouden dat appellante van de voor haar van
belang zijnde Regeling en de daaruit voor haar voortvloeiende rechten
en verplichtingen niet op de hoogte had kunnen zijn. Onbekendheid met
die regelgeving bij appellante kan er niet aan in de weg staan dat deze
conform het door gedaagde terzake gehanteerde beleid jegens haar niet
met terugwerkende kracht wordt toegepast.
De aangevallen uitspraak komt, voorzover aangevochten, voor bevestiging
in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van mr. M. van 't Klooster als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 26 maart 1999.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. van 't Klooster.
|
|