|
Uitspraak
97/2260
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A te B, appellant,
en
Onderlinge waarborgmaatschappij ANOZ Verzekeringen U.A., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 17 juli 1995 is appellant vanwege gedaagde in kennis
gesteld van het besluit waarbij op grond van het bepaalde in artikel 2,
tweede lid, van het Besluit ziekenhuisverpleging ziekenfondsverzekering
is geweigerd vergoeding van telefoon-, reis- en verblijfkosten van een
donor, komende uit Nieuw-Zeeland, te vergoeden.
De Commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad heeft bij brief
van 26 maart 1996 appellant ervan in kennis gesteld dat zij het besluit
van het ziekenfonds (hierna: het bestreden besluit) juist acht.
De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 6 februari
1997 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant is van deze uitspraak op bij beroepschrift van 3 maart 1997
(met bijlagen) aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 26 augustus 1997 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 januari
1998, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door haar juridisch medewerker mr. G.J. de
Vries.
II. MOTIVERING
Bij de echtgenote van appellant is in november 1992 chronische myeloοde
leukemie vastgesteld. Begin augustus 1995 heeft zij in verband hiermee
een beenmergtransplantatie ondergaan. De enige daarvoor in aanmerking
komende donor was haar in Nieuw-Zeeland wonende broer die hiervoor naar
Nederland is overgekomen. Gedaagde heeft bij het bestreden besluit
geweigerd de in verband met deze overkomst gemaakte telefoon-, reis- en
verblijfkosten te vergoeden. Daarbij heeft gedaagde er op gewezen dat
zij krachtens de geldende regelen alleen de vervoerskosten van de donor
binnen Nederland kan vergoeden.
De Commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad heeft in haar
advies van 26 maart 1996 aangegeven dat kosten waarvan vergoeding door
appellant wordt gevraagd niet voorkomen in het Besluit
ziekenhuisverpleging ziekenfondsverzekering en deswege niet ten laste
van de ziekenfondsverzekering komen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit in
stand gelaten.
In hoger beroep houdt partijen evenals in eerste aanleg de vraag
verdeeld of gedaagde gehouden is evenvermelde kosten van de donor geheel
voor haar rekening te nemen.
De Raad overweegt als volgt.
Het bestreden besluit steunt op het bepaalde in artikel 2, tweede lid,
van het Besluit ziekenhuisverpleging ziekenfondsverzekering. Daarbij
zijn onder meer ten laste van de ziekenfondsverzekering gebracht de
kosten van de selectie van donors, omvattende de in verband met die
selectie gemaakte kosten van niet-klinische specialistische hulp,
alsmede de geneeskundige behandelings- en verpleegkosten, de
operatiekosten, de hulp als omschreven in het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering gedurende hoogstens dertien weken na de datum van
ontslag uit het ziekenhuis van de donor en de kosten van diens vervoer
in Nederland, voor zover verband houdende met de selectie, opneming en
ontslag uit het ziekenhuis en vorenomschreven nadien gegeven hulp.
In artikel 8, eerste lid van de Ziekenfondswet (Zfw) is bepaald dat
verzekerden aanspraak hebben op verstrekkingen ter voorziening in hun
geneeskundige verzorging, voor zover met betrekking tot die zorg geen
aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ). Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat daarvan
uit dat terzake van de gevraagde kostenvergoeding aan de AWBZ geen
aanspraak valt te ontlenen.
Ingevolge artikel 8, tweede lid van de Zfw
worden de aard, inhoud en
omvang der verstrekkingen geregeld bij en krachtens het bepaalde in het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering van 4 januari 1966, Stb. 3,
zoals nadien gewijzigd (hierna: het Verstrekkingenbesluit). In artikel
12, eerste lid onder b, van het Verstrekkingenbesluit is bepaald dat
opneming en verder verblijf in een ziekenhuis omvatten de door de
Minister aan te wijzen soorten van transplantatie van weefsels en
organen alsmede vergoeding van kosten, verband houdend met het
verkrijgen van het meest passende transplantatiemateriaal, een en ander
in de omvang en onder de voorwaarden door de Minister vast te stellen.
In het tweede lid van dit artikel is geregeld dat de Minister bepaalt in
welke gevallen en in welke mate de verzekerde bijdraagt in de kosten van
opneming en verder verblijf in een ziekenhuis.
Van zijn bevoegdheid om soorten van transplantatie aan te wijzen heeft
de Minister gebruik gemaakt in artikel 2, tweede lid van het Besluit
ziekenhuisverpleging ziekenfondsverzekering. In onderdeel E van deze
bepaling is geregeld dat de reiskosten van de donor in Nederland per
openbaar vervoer dan wel - indien medisch noodzakelijk - per auto voor
vergoeding in aanmerking komen.
De Raad ontleent aan voormeld samenstel van bepalingen dat doel en
strekking ervan is bepaalde soorten van transplantatie binnen het
verstrekkingenpakket voor Ziekenfondsverzekerden te brengen en dat de
Minister daarbij binnen de omlijning van artikel 12, eerste lid onder b,
van het Verstrekkingenbesluit een grote mate van vrijheid is gegeven om
de omvang van de verstrekking en de voorwaarden waaronder die wordt
verleend te bepalen. De Minister heeft daarvan in artikel 2, tweede lid
van het Besluit ziekenhuisverpleging ziekenfondsverzekering ook gebruik
gemaakt. De Raad merkt daarbij op dat de bevoegdheid van de Minister in
die zin is begrensd dat bij de aanwijzing van kosten die bij de
onderscheidene soorten van transplantatie voor vergoeding in aanmerking
komen sprake moet zijn van een door de verzekerde ook feitelijk te
realiseren aanspraak op de verkrijging van het in artikel 12, eerste lid
onder b van het Verstrekkingenbesluit genoemde meest passende
transplantatiemateriaal. Bij dat licht bezien verstaat de Raad onderdeel
E van artikel 2, tweede lid van het Besluit ziekenhuisverpleging
ziekenfondsverzekering aldus dat daarin een aanspraak op vergoeding van
reiskosten van de donor in Nederland is geregeld en niet een categorische uitsluiting van andere
aan de overkomst van de donor inherente kosten. Aan de geschiedenis van
de totstandkoming van laatstgenoemd Besluit, waarin in 1973 de
verstrekking ziekenhuisverpleging ziekenfondsverzekerden is uitgebreid
met transplantaties, ontleent de Raad ook geen aanwijzingen dat sprake
is geweest van een welbewuste uitsluiting van vergoeding van kosten
verbonden aan de overkomst van in het buitenland woonachtige donors. Bij
de toenmalige stand van de transplantatiegeneeskunde was immers nog geen
sprake van de gebruikmaking van donors uit het buitenland.
Gelet op de zojuist geschetste achtergronden van onderdeel E van artikel
2, tweede lid, van voormeld Besluit is de Raad van oordeel dat in een
geval als het onderhavige waarbij, naar tussen partijen niet in geschil
is, de enige in aanmerking komende donor in Nieuw-Zeeland woont en voor
zijn noodzakelijke overkomst zeer hoge kosten onvermijdelijk zijn, een
op dat artikelonderdeel gebaseerde weigering om die kosten te vergoeden,
in die mate afbreuk doet aan het in artikel 12, eerste lid onder b, van
het (van hogere orde zijnde) Verstrekkingsbesluit vermelde uitgangspunt
dat de kosten, verbonden aan de verkrijging van het meest passende
transplantatiemateriaal voor vergoeding in aanmerking komen, dat
zodanige weigering in rechte geen stand kan houden.
Gelet op het hiervoor overwogene komt de Raad tot de slotsom dat de
aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen
blijven. Gedaagde dient ter zake van appellants aanspraken een nader
besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen.
De Raad is niet gebleken van kosten die krachtens het bepaalde in
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in
aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het bestreden besluit;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 200,--
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van B. Goos als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 6 maart 1998.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) B. Goos.
|
|