|
Uitspraak
97/692
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Ziekenfondsraad, appellant,
en
A en B, wonende te C (Canada), gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 11 september 1995 heeft appellant aan gedaagden
medegedeeld dat hij, na bezwaar van gedaagden, zijn weigering d.d. 24
april 1995 om een verklaring af te geven als bedoeld in artikel 23 van
het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1989 (hierna: KB 164) handhaaft.
Gedaagden hebben tegen het besluit van 11 september 1995 beroep
ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam.
Bij uitspraak van 6 december 1996 heeft de rechtbank dit beroep gegrond
verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaarschrift van
gedaagden tegen appellants beslissing d.d. 24 april 1995
niet-ontvankelijk verklaard.
In hoger beroep heeft appellant op de gronden, aangevoerd bij
beroepschrift van 16 januari 1997, de Raad verzocht de uitspraak van de
rechtbank te vernietigen.
Namens gedaagden is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 maart 1999. Van partijen is daar alleen appellant verschenen,
vertegenwoordigd door mr. M.T. de Gans en mr. R.G. van der Wissel, beiden werkzaam bij de Ziekenfondsraad.
II. MOTIVERING
De rechtbank is tot haar hierboven weergegeven uitspraak gekomen op de
grond dat appellants weigering d.d. 24 april 1995 om een verklaring ex artikel 23 van KB 164 af te geven
niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden
aangemerkt, aangezien aan de afgifte van een dergelijke verklaring geen
publiekrechtelijk rechtsgevolg is verbonden; dit zo zijnde is aan de
weigering de verklaring af te geven evenmin publiekrechtelijk
rechtsgevolg verbonden, zodat ook deze niet als een besluit kan worden
aangemerkt, aldus de rechtbank.
Het geschil in hoger beroep betreft de vraag of dit oordeel juist is.
De Raad overweegt het volgende.
Het hier van belang zijnde eerste lid van artikel 23 van KB 164 luidt:
"Niet verzekerd ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
is de ingezetene, die niet verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet
(Stb. 1986,347), die al dan niet naast een pensioen of rente ingevolge
de Nederlandse wetgeving recht heeft op een pensioen of rente krachtens
de wetgeving van een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of
een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte, dan wel een staat waarmee Nederland een
verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten dan wel krachtens een
regeling van een op grond van artikel 3, derde lid, dan wel artikel 13,
tweede lid, aangewezen volkenrechtelijke organisatie en die krachtens de
wetgeving van die Lid-Staat of die staat dan wel krachtens de regeling
van die volkenrechtelijke organisatie recht heeft op medische zorg,
tenzij hij in Nederland arbeid verricht. De Ziekenfondsraad geeft,
wanneer de betrok-ene daarom verzoekt, aan hem een verklaring af indien
voornoemd recht op medische zorg bestaat."
Deze bepaling regelt een uitzondering op het beginsel dat een hier te
lande ingezetene verzekerd is ingevolge de Nederlandse
volksverzekeringen, waaronder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ). De belastingdienst en, in voorkomende gevallen, de Sociale
Verzekeringsbank - en derhalve niet de Ziekenfondsraad - zijn de
aangewezen organen welke bepalen of ten aanzien van een persoon
verzekeringsplicht bestaat. Niettemin is bij de vaststelling, op
verzoek van een betrokkene, van de rechtspositie krachtens het bepaalde
in artikel 23, eerste lid, van KB 164 een afzonderlijke taak toebedeeld
aan de Ziekenfondsraad, hierin bestaande dat dat orgaan toetst of aan de
voorwaarde voor het niet verzekerd zijn ingevolge de AWBZ, zoals deze is
neergelegd in de eerste volzin van genoemd artikellid, is voldaan,
waarna overeenkomstig de uitkomst van die toetsing al dan niet de
verklaring als bedoeld in de tweede volzin wordt afgegeven.
Dit element van de vaststelling van bedoelde rechtspositie heeft
voldoende zelfstandige betekenis om te aanvaarden dat het op een
wettelijk voorschrift gebaseerde handelen terzake van de Ziekenfondsraad
op rechtsgevolg is gericht, en dat derhalve het afgeven van een
verklaring ex artikel 23 van KB 164, c.q. de weigering zulks te doen,
als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb dient te worden
aangemerkt.
Het vorenstaande brengt mee dat het oordeel van de rechtbank over het
karakter van appellants beslissing van 24 april 1995 voor onjuist moet
worden gehouden, zodat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd in
zoverre daarbij het bezwaarschrift tegen het besluit van 24 april 1995
niet-ontvankelijk is verklaard.
Gelet op het navolgende ziet de Raad echter geen grond voor terugwijzing
van de zaak naar de rechtbank en vindt hij voldoende aanleiding om de
door gedaagden in beroep ontvouwde - en in hoger beroep gehandhaafde -
bezwaren tegen het bestreden besluit in behandeling te nemen.
In zijn uitspraak van heden in de zaak 96/527 AWBZ heeft de Raad
geoordeeld dat het standpunt van appellant zoals dat ook in deze zaak in
het primaire besluit is neergelegd, inhoudende dat een verklaring als
bedoeld in artikel 23, eerste lid, van KB 164 uitsluitend kan worden
afgegeven als de betrokkene op grond van een met een andere staat
gesloten verdrag in Nederland recht heeft op AWBZ-verstrekkingen ten
laste van die verdragsstaat, zich niet verdraagt met de tekst van
artikel 23 van KB 164, nu daarin immers slechts de voorwaarde wordt
genoemd dat krachtens de wetgeving van een staat recht bestaat op
medische zorg.
Op grond hiervan komt de Raad, evenals in genoemd geding, tot de
conclusie dat het bestreden besluit niet berust op een toereikende
motivering en derhalve op die grond niet in stand kan worden gelaten.
Appellant zal opnieuw op het bezwaar van gedaagden moeten beslissen.
De Raad acht termen aanwezig om in aanvulling op de in stand te laten
kostenveroordeling door de rechtbank appellant te veroordelen in de
proceskosten in hoger beroep van gedaagden, welke worden vastgesteld op
f 710,- aan kosten van rechtsbijstand.
Beslist wordt als hieronder aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre daarbij het
bezwaarschrift van gedaagden tegen appellants besluit van 24 april 1995
niet-ontvankelijk is verklaard;
Bevestigt die uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat appellant opnieuw beslist op het door gedaagden ingediende
bezwaarschrift;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagden, begroot op f
710,- aan kosten van rechtsbijstand.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr.
K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van L.C.
Geurs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 april 1999.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) L.C. Geurs.
|
|