|
Uitspraak
99/3575
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de erven van A. en B., te C., appellanten,
en
Onderlinge Waarborgmaatschappij ZAO Zorgverzekeringen u.a., gevestigd te
Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 30 oktober 1997 (het bestreden besluit) heeft gedaagde
haar eerdere besluiten van 5 augustus 1997 gehandhaafd.
Aldus heeft gedaagde bepaald dat op grond van artikel 15 van de
Overgangswet verzorgingshuizen en artikel 4, onder 1, van het
Bijdragebesluit zorg, door A. en door B. per 1 juli 1997 een bijdrage is
verschuldigd van f 1.630,09, respectievelijk f 630,70 per maand, ter
zake van hun verblijf in het verzorgingshuis X. in C.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft het tegen dat besluit
ingestelde beroep bij uitspraak van 5 juli 1999 ongegrond verklaard.
De heer D. heeft als zoon en gemachtigde van appellanten tegen deze
uitspraak hoger beroep ingesteld.
De heer A. is in 1999 overleden. De namens hem ingestelde procedure in
hoger beroep is door voormelde gemachtigde, als vertegenwoordiger van de
rechtverkrijgenden, voortgezet.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12
september 2000, waar appellanten niet zijn verschenen en waar gedaagde
is verschenen bij de bij haar werkzame gemachtigde, R. Out.
II. MOTIVERING
Het geding spitst zich toe op de vraag of gedaagde in het bestreden
besluit de door wijlen A. en door B. verschuldigde eigen bijdragen juist
heeft vastgesteld.
De Raad overweegt het volgende.
Namens appellanten is (evenals in eerste aanleg) als grief naar voren
gebracht dat bij het vaststellen van het zogenoemde bijdrageplichtig
inkomen van appellanten, door gedaagde ten onrechte rekening is gehouden
met een door hen in 1996 ontvangen belastingteruggave die verband houdt
met door de Belastingdienst aanvaarde buitengewone lasten
(ziektekosten), en dat gedaagde (aldus) ten onrechte geen rekening heeft
gehouden met die, op het besteedbare inkomen van appellanten drukkende,
lasten.
De Raad is op grond van de beschikbare gegevens met de rechtbank van
oordeel dat deze grief geen doel treft en verenigt zich met hetgeen de
rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.
In hoger beroep is namens appellanten - kort gezegd - verder nog naar
voren gebracht dat de rechtbank in haar uitspraak ten onrechte geen
aandacht heeft besteed aan het namens appellanten tijdens de procedure
in eerste aanleg gesignaleerde feit dat in april 1999 door leden van de
Tweede Kamer schriftelijk vragen zijn gesteld, die in mei 1999 door de
staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de
staatssecretaris van Financiλn zijn beantwoord. Namens appellanten is
gesteld dat met voormelde vragen (die zijn weergegeven in het Aanhangsel
van de Handelingen van de Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, nr. 1366)
is beoogd de verschillen tussen het begrip "inkomen" van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en dat van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 weg te nemen, en dat uit het antwoord blijkt dat
de staatssecretaris de onbillijkheid van voormelde verschillen inziet,
en dit onderwerp in studie zal nemen.
De Raad is op grond van het navolgende van oordeel dat deze grief
evenmin doel treft.
Anders dan de gemachtigde van appellanten heeft gesteld komt uit
voormeld kamerstuk niet naar voren dat door de staatssecretaris wordt
erkend dat er sprake is van onbillijkheid. Het is de Raad voorts
gebleken dat in de in het onderhavige geding van toepassing zijnde
regeling krachtens de AWBZ voor de vaststelling van het bijdrageplichtig
inkomen weloverwogen en bewust is gekozen voor een apart inkomensbegrip,
teneinde binnen het kader van die regeling zo goed als mogelijk het
netto besteedbaar inkomen van de verzekerde vast te stellen. Ook is het
de Raad gebleken dat in verband met de gewenste harmonisatie van
regelingen, onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid van invoering van
het belastbaar inkomen in de bijdrageregeling voor het verblijf in
AWBZ-instellingen en verzorgingshuizen. Ter zitting van de Raad is
namens gedaagde aangevoerd dat uit een brief van 3 juli 2000 van de
staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (nr. 2680016/112)
moet worden afgeleid dat dit onderzoek nog steeds gaande is en dat een
eventuele gelijktrekking van de hiervoor bedoelde inkomensbegrippen op
zijn vroegst per 1 januari 2002 zal ingaan.
Te meer nu niet is gebleken dat in verband met het onderhavige onderwerp
van geschil relevante wijzigingen in wet- of regelgeving zijn te
verwachten, ziet de Raad met betrekking tot het bestreden besluit geen
ruimte voor een anticiperende wetsuitleg als door de gemachtigde van
appellanten - naar de Raad begrijpt - voorgestaan.
Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en door mr. D.J. van
der Vos en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2000.
(get.)
M.I. 't Hooft.
(get.) A.H. Huls.
|
|