|
Uitspraak
99/4788
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
Lokaal Indicatieorgaan Almere, gevestigd te Almere, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft appellant verzocht positief te adviseren met betrekking
tot zorg in de vorm van duurzaam verblijf en verzorging in een
verzorgingshuis.
Appellant heeft bij brief van 3 februari 1998 kennis gegeven van een
negatief advies.
Gedaagde heeft bij brief van 23 februari 1998 om een herbeoordeling
gevraagd.
Appellant heeft dit verzoek aangemerkt als het maken van bezwaar als
bedoeld in artikel 7:1, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb). Hij heeft het bezwaar bij ongedateerd besluit - klaarblijkelijk
genomen na ontvangst van het advies van zijn Commissie voor de bezwaar-
en beroepschriften van 10 juli 1998 - ongegrond verklaard.
Gedaagde is bij brief van 14 augustus 1998 van het besluit op bezwaar in
beroep gekomen.
De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft het beroep bij de
aangevallen uitspraak van 25 augustus 1999 gegrond verklaard en het
bestreden besluit vernietigd. Voorts heeft zij appellant opgedragen een
nieuw besluit te nemen op het bezwaar van gedaagde nadat advies van de
Ziekenfondsraad is ingewonnen.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift - met bijlagen - aangegeven
gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Appellant heeft bij brief van 4 juli 2000 een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 7 november 2000.
Voor appellant zijn daar verschenen W.W. Meijer, werkzaam bij appellant,
en W.J.M. Peters, beleidsmedewerker Wvg en geïntegreerde
indicatiestelling van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Gedaagde
is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar zoon C. Tevens is
daar op verzoek van de Raad als getuige-deskundige verschenen prof. mr. J.M.
van der Most, hoogleraar zorgverzekeringsrecht aan de Vrije Universiteit
te Amsterdam.
II. MOTIVERING
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de
aangevallen uitspraak gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Zij
heeft allereerst geoordeeld dat het advies van appellant over de in casu
aangevraagde zorg moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van
artikel 1:3 van de Awb. Daartoe is overwogen dat een verzekerde slechts
zorg ten laste van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) kan
ontvangen indien uit een advies van een indicatieorgaan volgt dat hij is
aangewezen op die zorg, waarna het ziekenfonds of de zorgverzekeraar de
aanspraak op aangewezen zorg tot gelding dient te laten komen.
Aan de aangevallen uitspraak wordt terzake het volgende ontleend:
"Bij deze laatste beslissing van de zorgverzekeraar bestaat, naar
het oordeel van de rechtbank, gelet op de hiervoor aangehaalde artikelen
uit de AWBZ in combinatie met de artikelen 11 en 13 van het
Zorgindicatiebesluit, geen ruimte meer voor een eigen beoordeling door
het ziekenfonds dan wel de ziektekostenverzekeraar met betrekking tot de
indicatiestelling van het indicatieorgaan. De zorgverzekeraar zal alleen
nog dienen te beslissen over het tot gelding brengen van de aangewezen
zorg dat wil zeggen moeten vaststellen of de aangewezen zorg
overeenkomstig de verzekeringsvoorwaarden is.
Indien een verzekerde zich niet met het besluit van het indicatieorgaan
kan verenigen staat daartegen ingevolge de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) de mogelijkheid open van bezwaar en beroep omdat volgens de
rechtbank sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de
Awb. Weliswaar wordt in artikel 9b, eerste lid AWBZ gesproken over een
advies van het indicatieorgaan maar hiervoor is gebleken dat een
positief advies van het indicatieorgaan onontbeerlijk is voor het tot
gelding kunnen brengen van de aangewezen zorg. Derhalve dient het advies
van het indicatieorgaan aangemerkt te worden als een besluit omdat het
gericht is op rechtsgevolg."
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat appellant
hangende de bezwaarprocedure geen advies heeft ingewonnen bij de
Ziekenfondsraad. Zij was van oordeel dat artikel 58 van de AWBZ
meebrengt dat een beslissing op bezwaar inzake een aanspraak op zorg
ingevolge de AWBZ, niet wordt genomen dan nadat daaromtrent door de
Ziekenfondsraad op verzoek van het bestuursorgaan advies is uitgebracht.
Het standpunt van appellant dat het indicatieorgaan niet beslist over
een aanspraak op zorg ingevolge de AWBZ omdat terzake van de beslissing
over die aanspraak niet het indicatieorgaan maar het ziekenfonds of de
zorgverzekeraar bevoegd is, heeft de rechtbank verworpen. Zij heeft
daartoe overwogen dat de beslissing van het indicatieorgaan omtrent de
indicatie van een verzekerde een centrale rol speelt in de uiteindelijke
beslissing van het ziekenfonds of de zorgverzekeraar over de aanspraak
op zorg van die verzekerde.
"Een negatieve indicatie door het indicatieorgaan brengt immers
volgens artikel 9b, eerste lid van de AWBZ met zich mee dat de
zorgverstrekker de aangewezen zorg niet tot gelding zal brengen. Het
inwinnen van een advies van de Ziekenfondsraad tijdens de procedure
tegen de zorgverzekeraar zal dan ook alleen betrekking kunnen hebben op
dit tot gelding brengen van de aangewezen zorg en niet op de
indicatiebeslissing van het indicatieorgaan. De rechtbank is evenwel uit
de kamerstukken (II, 1996, 25 188, nr. 3 t/m 6) behorende bij artikel 58 AWBZ gebleken dat het advies van
de Ziekenfondsraad ondermeer bedoeld is om een eenduidige interpretatie
te verkrijgen van de aanspraken op zorg in relatie tot het medische
aspect. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de Ziekenfondsraad
reeds in de procedure zal moeten worden betrokken indien een
bezwaarschrift is ingediend tegen een beslissing van het indicatieorgaan
omdat dat het enige beslissingsmoment is op de centrale vraag of de zorg
(medisch) is aangewezen."
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de aangevallen uitspraak
niet in stand kan blijven omdat zorg in een verzorgingshuis (nog) niet
onder de AWBZ valt, zodat artikel 58 van de AWBZ ten aanzien van een
aanspraak als de onderhavige geen werking heeft. Een verzorgingshuis
valt volgens appellant met ingang van 1 januari 1997 onder de
Overgangswet verzorgingshuizen, wet van 26 september 1996, Stb. 478, houdende het onderbrengen van zorg,
bestaande uit duurzaam verblijf en verzorging in een verzorgingshuis, in
de aanspraken op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en
tijdelijke regeling van subsidiëring van verzorgingshuizen door het College voor zorgverzekeringen.
Appellant heeft daarnaast aangevoerd dat een verplicht advies van de
voormalige Ziekenfondsraad (thans het College voor zorgverzekeringen)
afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de indicatieorganen die de
regelgever voor ogen heeft gestaan. Onder onafhankelijkheid moet naar
zijn mening worden verstaan: los van de belangen van financiers,
zorgverleners en onredelijke verlangens van hulpvragenden. Verplicht
advies van de Ziekenfondsraad zou deze onafhankelijkheid aantasten omdat
dit orgaan toezichthouder op de zorgverzekeraars is. Bovendien zou dit
orgaan de noodzakelijke deskundigheid missen. Appellant stelt zich op
het standpunt dat de wetgever ook nooit bedoeld heeft dat terzake van de
indicatiestelling hangende de bezwaarprocedure verplicht advies wordt
ingewonnen bij de voormalige Ziekenfondsraad, thans het College voor
zorgverzekeringen.
Bovendien leidt zulk een verplicht advies naar zijn mening tot een niet
aanvaardbare verlenging van de bezwaarprocedure en tot - gezien het
irreversibele karakter van toewijzing ervan - moeilijk hanteerbare
verzoeken om voorlopige voorziening hangende die procedure. Tenslotte is
erop gewezen dat er met betrekking tot de verplichte advisering een
tweedeling zou ontstaan tussen aanspraken op zorg in natura en
aanspraken op een persoonsgebonden budget (PGB), aangezien artikel 58
van de AWBZ geen betrekking heeft op PGB's.
De Raad ziet zich - evenals de rechtbank - ambtshalve gesteld voor de
vraag of het advies van een indicatieorgaan, zoals in casu appellant,
inzake de indicatie van een verzekerde voor een aanspraak op zorg als
bedoeld in de AWBZ moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van
artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Awb.
Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
Artikel 6, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat verzekerden (volgens deze
wet) aanspraak hebben op zorg ter voorkoming van ziekten en ter
voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging.
De ziekenfondsen en de ziektekostenverzekeraars dragen zorg dat de bij
hen ingeschreven verzekerden hun aanspraken op zorg tot gelding kunnen
brengen.
Artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat burgemeester en
wethouders erin voorzien dat ten behoeve van de inwoners van hun
gemeente in hun gemeente een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is,
dat kosteloos beoordeelt of een inwoner in aanmerking komt voor een van
de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg. Het
tweede lid voegt daaraan toe dat bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de samenstelling en
werkwijze van het orgaan, waaronder de heroverweging van beoordelingen
als bedoeld in het eerste lid, en gegevens die Onze Minister voor de
vervulling van zijn taak redelijkerwijs behoeft. Deze regels zijn
zodanig dat wordt gewaarborgd dat beoordelingen en heroverwegingen
onafhankelijk geschieden.
Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat verzekerden hun
aanspraak op de vormen van zorg bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van
de AWBZ eerst tot gelding kunnen brengen, indien zij een advies hebben
overgelegd van het in dat artikel bedoelde orgaan, waaruit blijkt dat
zij op die zorg zijn aangewezen.
Artikel 58, eerste lid, van de AWBZ bepaalt (voor zover hier van belang)
dat een beslissing op bezwaar inzake een aanspraak op zorg of een
daarmee overeenkomende uitkering ingevolge deze wet niet wordt genomen
dan nadat daaromtrent door de Ziekenfondsraad (thans het College voor
zorgverzekeringen) op verzoek van het bestuursorgaan advies is
uitgebracht.
Artikel 12, eerste lid, van het Zorgindicatiebesluit (koninklijk besluit
van 2 oktober 1997, Stb. 447) bepaalt dat het indicatieorgaan binnen zes
weken nadat de aanvraag is ingediend een indicatiebesluit vaststelt.
Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder besluit wordt
verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende
een publiekrechtelijke rechtshandeling. Blijkens het tweede lid van dit
artikel wordt onder beschikking verstaan: een besluit dat niet van
algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag
daarvan.
De gemeenteraad van Almere heeft op grond van de artikelen 82 tot en met
84 van de Gemeentewet bij besluit van 18 december 1997 het Lokaal
Indicatieorgaan Almere ingesteld teneinde werkzaam te zijn als
onafhankelijk indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de AWBZ.
Met betrekking tot de vraag of een indicatiebeslissing van een
indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de AWBZ kan worden
aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste en tweede
lid, van de Awb, overweegt de Raad allereerst dat hij uitdrukkelijk zal
daarlaten of het Lokaal Indicatieorgaan Almere kan worden beschouwd als
een bestuursorgaan en of dit orgaan bevoegd is ingesteld.
De Raad is van oordeel dat een positief of negatief advies van een
indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de AWBZ niet kan worden
aangemerkt als een beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een
publiekrechtelijke rechtshandeling, als bedoeld in artikel 1:3, eerste
lid, van de Awb.
Weliswaar volgt uit artikel 9b van de AWBZ dat overlegging van een
positief advies van een indicatieorgaan voorwaarde is voor het tot
gelding kunnen brengen van een aanspraak op zorg als bedoeld in artikel
9a, eerste lid, van de AWBZ, doch het enkele feit dat de wet aan deze
overlegging rechtsgevolg verbindt, is naar 's Raads oordeel onvoldoende
om te kunnen zeggen dat het indicatieorgaan door zijn advies de
aanspraak van een verzekerde op zorg ingevolge de AWBZ bepaalt, beperkt
of ontneemt en dusdoende een rechtshandeling verricht. De Raad neemt
daarbij in aanmerking dat noch in de tekst van de AWBZ noch in de
geschiedenis van totstandkoming ervan dwingende aanwijzingen zijn te
vinden voor een ander oordeel omtrent het rechtskarakter van het advies
van het indicatieorgaan. Uit de omstandigheid dat de wetgever
uitdrukkelijk heeft voorzien in de mogelijkheid heroverweging te vragen
van het advies valt veeleer af te leiden dat hem niet voor ogen heeft
gestaan dat het advies moet worden beschouwd als een besluit in de zin
van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, aangezien voor besluiten een
heroverwegingsmogelijkheid is geopend in artikel 7:1 van de Awb.
De omstandigheid dat het in de artikelen 9a en 9b van de AWBZ bedoelde
advies van het indicatieorgaan in het Zorgindicatiebesluit wordt
aangeduid als besluit brengt de Raad niet tot een ander oordeel
aangezien aan deze laatste kwalificatie geen duidelijk oordeel van de
regelgever over het rechtskarakter van het advies ten grondslag ligt en
de desbetreffende aanduiding in dit besluit geen afbreuk kan doen aan de
in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb neergelegde definitie.
De Raad heeft voorts in aanmerking genomen dat het feit dat tegen een
advies van een indicatieorgaan inzake de aanspraak van een verzekerde op
zorg ingevolge de AWBZ niet zelfstandig de rechtsmiddelen van de Awb
kunnen worden aangewend, niet tekort doet aan de rechtsbescherming van
verzekerden. Grieven gericht tegen de juistheid van de
indicatiestelling, de zorgvuldigheid van de totstandkoming of de
deugdelijkheid van de motivering ervan, kunnen naar voren worden
gebracht in het kader van bezwaar of beroep tegen het besluit van het
ziekenfonds of de zorgverzekeraar inzake de aanspraken van de verzekerde
op zorg.
De Raad wijst erop dat het indicatieorgaan naar zijn oordeel is aan te
merken als een college dat bij wettelijk voorschrift is belast met het
adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten dat niet
werkzaam is onder verantwoordelijkheid van dat orgaan. Artikel 3:9 van
de Awb brengt in verband hiermee mee dat het bestuursorgaan, dat over de
aanspraken van de verzekerde ingevolge de AWBZ beslist, derhalve het
ziekenfonds of de zorgverzekeraar, zich dient te vergewissen dat het
onderzoek van het indicatieorgaan op zorgvuldige wijze heeft
plaatsgevonden. Dit bestuursorgaan kan gelet op artikel 3:49 van de Awb,
voor zover van belang, ter motivering van zijn besluit inzake de
aanspraak op zorg verwijzen naar het advies van het indicatieorgaan,
indien dit advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is
of wordt gegeven aan de belanghebbende verzekerde, hetwelk onverlet laat
dat de desbetreffende motivering deugdelijk dient te zijn, zoals
voorgeschreven in artikel 3:46 van de Awb.
Uit artikel 58, eerste lid, van de AWBZ vloeit voort dat een beslissing
van het ziekenfonds of de zorgverzekeraar inzake een aanspraak op zorg
ingevolge deze wet niet wordt genomen dan nadat daaromtrent door het
College voor zorgverzekeringen op verzoek van het bestuursorgaan advies
is uitgebracht.
De Raad vindt in hetgeen van de zijde van appellant naar voren is
gebracht met betrekking tot de onafhankelijkheid van het
indicatieorgaan, in aanmerking genomen de niet voor tweeërlei uitleg
vatbare tekst van de wet, geen reden voor het oordeel dat de advisering
door het College voor zorgverzekeringen zich niet zou mogen uitstrekken
over het advies van het indicatieorgaan.
Uit het vorenstaande volgt dat appellant het verzoek van gedaagde van 23
februari 1998 om heroverweging van zijn advies van 3 februari 1998 ten
onrechte heeft aangemerkt als bezwaar in de zin van artikel 7:1 van de
Awb en dat hij het door hem aangenomen bezwaar ten onrechte ongegrond in
plaats van niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hieruit volgt tevens dat
de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit is vernietigd en
appellant is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, behoudens voor zover appellant daarin is veroordeeld tot vergoeding van
griffierecht, niet in stand kan blijven. Gelet hierop zal de Raad de
aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en zelf in de
zaak voorzien door het inleidend bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep aangezien deze kosten niet zijn gevorderd of gebleken.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, behoudens
voor zover bij die uitspraak is beslist over de vergoeding van
griffierecht;
Verklaart het bezwaar van gedaagde tegen het advies van 3 februari 1998 niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr.
R.M. van Male als leden, in
tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier,
en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2000.
(get.)
M.I. 't Hooft.
(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.
|
|