|
Uitspraak
99/6168
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A], wonende te [B], appellante,
en
Stichting Regionaal Indicatieorgaan 's-Hertogenbosch, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft haar echtgenoot [C] gedaagde verzocht om in
aanmerking te komen voor zorg in de vorm van hulp bij de
gezinsverzorging.
Gedaagde heeft bij brief van 7 december 1998 kennis gegeven van de
afwijzing van dit verzoek.
[C], voornoemd, heeft bij ongedateerde, doch binnen enkele dagen na
dagtekening van de brief van 7 december 1998 gefaxte, brief bezwaren
geuit tegen deze afwijzing.
Bij brief van 7 januari 1999 is namens gedaagde aan appellante kennis
gegeven van het feit dat op 28 december 1998, een indicatie is gesteld
voor ondersteuning bij het verrichten van specifieke huishoudelijke
werkzaamheden voor 3 uur per week, voor de duur van 4 weken.
Namens appellante is [C], voornoemd, bij brief van 7 februari 1999 van
laatstgenoemde brief in beroep gekomen.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft het beroep bij de
aangevallen uitspraak van 9 november 1999 niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellante is door [C], voornoemd, op bij aanvullend
beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 januari 2001.
Appellante heeft zich doen vertegenwoordigen door [C], voornoemd.
Voor gedaagde is daar verschenen W.J.M. Peters, beleidsmedewerker
jurisprudentie Wvg en geïntegreerde indicatiestelling van de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten.
II. MOTIVERING
In dit geding ziet de Raad zich ambtshalve voor de vraag geplaatst of
een advies van een indicatieorgaan, zoals in casu gedaagde, inzake de
indicatie van een verzekerde voor een aanspraak op zorg als bedoeld in
de artikelen 9a en 9b van de AWBZ, moet worden aangemerkt als een
besluit in de zin van artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb).
De Raad overweegt als volgt.
De Raad verwijst kortheidshalve naar hetgeen hij heeft overwogen in zijn
uitspraak van 19 december 2000, registratienummer 99/4788 AWBZ, onder
meer gepubliceerd in AB kort 2001,66, waarin is aangegeven dat een (positief of negatief)
advies van een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de AWBZ
niet kan worden aangemerkt als een beslissing van een bestuursorgaan
inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel
1:3, eerste lid, van de Awb.
De Raad heeft in het onderhavige geval geen aanleiding gevonden om tot
een andersluidend oordeel te komen.
De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde de namens appellante geuite
bezwaren tegen zijn advies van 7 december 1998 niet-ontvankelijk had
moeten verklaren. Hieruit volgt tevens dat de aangevallen uitspraak,
behoudens voorzover daarbij is beslist over de vergoeding van
griffierecht, niet in stand kan blijven. Gelet hierop zal de Raad de
aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en zelf in de
zaak voorzien door het inleidend bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
Dit brengt voorts mee dat het beroep - uitsluitend in zover als zojuist
aangegeven - gegrond zal worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en
in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op f 255,-- aan verletkosten en f 33,90 aan
reiskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover bij die
uitspraak is beslist over de vergoeding van griffierecht;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Verklaart het inleidend bezwaar van appellante alsnog niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
groot f 288,90;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 170,--
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, als leden, in tegenwoordigheid van
A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2001.
(get.)
M.I. 't Hooft.
(get.) A.H. Huls.
|
|