|
Uitspraak
00/1628
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
Onderlinge Waarborgmaatschappij Amicon Zorgverzekeraar Ziekenfonds u.a.,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 2 december 1998 is namens gedaagde aan appellante
meegedeeld dat zij op grond van artikel 15 van de Overgangswet
Verzorgingshuizen en artikel 4, onder 1, van het Bijdragebesluit zorg
(verder: het Besluit) per 1 juli 1997 een bijdrage verschuldigd is van f
2.074,06 per maand voor haar verblijf in het verzorgingshuis [X.] te [B.].
Gedaagde heeft het bezwaar van appellante tegen voormeld besluit bij
besluit van 25 maart 1999 gegrond verklaard onder overweging dat de
eigen bijdrage behoort te worden vastgesteld met inachtneming van het
reeds vastgestelde inkomen in het berekeningsjaar minus de door
betrokkene genoten rente over een begrafenisvoorziening ten bedrage van
f 5.000,--. Voorts is daarbij bepaald dat de verschuldigde eigen
bijdrage door het zorgkantoor opnieuw dient te worden vastgesteld.
Bij nader besluit van 1 juli 1999 is de door appellante per 1 juli 1997
verschuldigde eigen bijdrage namens gedaagde vastgesteld op f 2.052,19
per maand.
De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft het tegen het besluit van
25 maart 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd, het beroep tegen het besluit van 1 juli 1999 ongegrond
verklaard en bepaald dat gedaagde het betaalde griffierecht van f 60,--
aan appellante dient te vergoeden.
Namens appellante is L. Kodde van deze uitspraak in hoger beroep gekomen
op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 4 juli 2001, waar
appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. A.J. Vosmeijer, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Het hoger beroep beperkt zich tot de vraag of gedaagde de door
appellante per 1 juli 1997 verschuldigde bijdrage voor haar verblijf in
verzorgingshuis [X.] in het besluit van 1 juli 1999 juist heeft
vastgesteld.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat bij het op grond van
de artikelen 5, 6 en 7 van het Besluit vaststellen van het zogenaamde
bijdrageplichtig inkomen van appellante, door gedaagde ten onrechte geen
rekening is gehouden met een door haar in 1996 ontvangen
belastingteruggave die verband houdt met door de Belastingdienst
aanvaarde buitengewone lasten (ziektekosten) over 1995. De uit deze
aftrek voortvloeiende vermindering van belasting en premies
volksverzekering is volgens appellante een faciliteit die duidelijk
betrekking heeft op de periode voor 1997 en kan daarom redelijkerwijs
niet worden gerekend tot het inkomen van het jaar waarin de fiscus tot
uitbetaling overging. Onder verwijzing naar de toelichting bij artikel
5, eerste lid, van het Besluit, waarin vermeld staat: "De zinsnede
"redelijkerwijs geacht kan worden te zijn genoten" richt zich
in hoofdzaak op de situatie dat de verzekerde met terugwerkende kracht
uitkeringen ontvangt ingevolge de sociale uitkeringswetten.", heeft
appellante opgemerkt dat er volgens haar geen principieel verschil
bestaat tussen een uitkering met terugwerkende kracht en een premie- en
belastingrestitutie met terugwerkende kracht. Bovendien, zo is namens
appellante gesteld, rekent ook de Algemene bijstandswet ingevolge het
bepaalde in artikel 43, tweede lid, onder d, van die wet een dergelijke
ontvangst niet tot het inkomen.
De Raad beantwoordt de in geding zijnde vraag bevestigend en overweegt
daartoe het volgende.
Artikel 2 van het Besluit bepaalt dat de verzekerde van 18 jaren of
ouder bijdraagt in de kosten van de zorg, verleend door een instelling
of een verzorgingshuis.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Besluit wordt voor de
vaststelling van de bijdrage uitgegaan van het bijdrageplichtig inkomen
dat in het berekeningsjaar, zijnde het kalenderjaar voorafgaande aan de
in artikel 4, vierde lid, bedoelde periode, is genoten, of
redelijkerwijs geacht kan worden te zijn genoten.
In artikel 6, eerste lid, onder f, van het Besluit is bepaald dat voor
de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen de in het
desbetreffende jaar terugontvangen loon-, inkomsten-, dividend- en
vermogensbelasting als inkomen geldt.
In artikel 7 van het Besluit is bepaald wat op de inkomsten, bedoeld in
artikel 6, voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen in
mindering worden gebracht.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat artikel 6, eerste lid,
onder f van het Besluit een dwingendrechtelijke bepaling is op grond
waarvan de door appellante in 1996 ontvangen belastingteruggave voor in
1995 gemaakte ziektekosten aan het bijdrageplichtig inkomen in 1996 moet
worden toegerekend.
Ingevolge het bepaalde in artikel 7 van het Besluit kunnen bepaalde -
limitatief opgesomde - posten op het bijdrageplichtig inkomen in
mindering worden gebracht; belastingteruggave in verband met als
buitengewone lasten aangemerkte ziektekosten uit een voorgaand jaar
worden in dat artikel echter niet genoemd.
Gezien het vorenstaande behoort de in 1996 terugontvangen belasting dan
ook tot het bijdrageplichtig inkomen als bedoeld in artikel 5, eerste
lid van het Besluit.
De Raad ziet aanleiding om, evenals overwogen is bij uitspraak van 24
oktober 2000, reg.nr. 99/3575 AWBZ, aan hetgeen hiervoor is overwogen
toe te voegen dat uit kamerstukken (Aanhangsel van de handelingen van de
Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, nr. 1366) blijkt dat voor de
vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen weloverwogen en bewust is
gekozen voor een apart inkomensbegrip, teneinde binnen het kader van die
regeling zo goed als mogelijk het netto besteedbaar inkomen van de
verzekerde vast te stellen. Hetgeen namens appellante is aangevoerd met
betrekking tot de Algemene bijstandswet kan dan ook geen doel treffen.
De Raad overweegt tenslotte dat zich in het onderhavige geval niet de
bijzondere situatie voordoet waarin toepassing van een
dwingendrechtelijke wettelijke bepaling zozeer in strijd komt met een
algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel dat
die toepassing om die reden niet kan worden toegelaten.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen
zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr.
E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op
15 augustus 2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|