|
Uitspraak
00/3662
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
Onderlinge Waarborgmaatschappij RZG Zorgverzekeraar u.a., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 2 maart 1998 is namens gedaagde aan appellante
meegedeeld dat zij voor haar verblijf in de instelling [X.] te [Y.] op
grond van artikel 4, onder 1, van het Bijdragebesluit zorg (verder: het
Besluit) per 6 september 1997 een bijdrage verschuldigd is van f
1.037,29 per maand, dat de eigen bijdrage over de onvolledige eerste
maand f 852,57 bedraagt en dat de eigen bijdrage ingaande 1 november
1997 wijzigt in f 1.693,67 per maand.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellante tegen voormeld besluit bij
besluit van 26 maart 1998 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft het tegen het bestreden
besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 7 juli 2000 ongegrond
verklaard.
Namens appellante is J. Boer van deze uitspraak in hoger beroep gekomen
op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad van 4 juli 2001, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De feiten die in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak zijn vermeld,
worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het
uitgangspunt bij zijn beoordeling.
Het geschil spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of gedaagde
terecht en op goede gronden het maandelijkse aflossingsbedrag van een
schuld uit geldlening niet in mindering heeft gebracht op de door
gedaagde vastgestelde eigen bijdrage ingevolge het Besluit.
In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat zij tengevolge van
de maandelijkse aflossing zeer weinig geld overhoudt.
De Raad overweegt het volgende.
Artikel 2 van het Besluit bepaalt dat de verzekerde van 18 jaren of
ouder bijdraagt in de kosten van de zorg, verleend door een instelling
of een verzorgingshuis.
Artikel 4 van het Besluit luidde ten tijde in geding:
"1. Met inachtneming van het tweede en het derde lid, bedraagt de
bijdrage voor:
a. de ongehuwde verzekerde die verblijft in een instelling gedurende het
etmaal: ƒ 3150,- per maand; (...)
2. De bijdrage bedraagt niet meer dan negentig procent van: (…)
b. bij een instelling, dertig maal het goedgekeurde of vastgestelde
tarief per dag.
3. De bijdrage wordt indien het bijdrageplichtig inkomen, gedeeld door
twaalf, minder bedraagt dan het ingevolge het eerste en tweede lid
verschuldigde bedrag, op aanvraag verlaagd tot een twaalfde gedeelte van
het bijdrageplichtig inkomen. (…)"
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Besluit wordt voor de
vaststelling van de bijdrage uitgegaan van het bijdrageplichtig inkomen
dat in het berekeningsjaar, zijnde het kalenderjaar voorafgaande aan de
in artikel 4, vierde lid, bedoelde periode, is genoten, of
redelijkerwijs geacht kan worden te zijn genoten.
Ingevolge het bepaalde in de artikelen 7 tot en met 11 van het Besluit
kunnen bepaalde - limitatief opgesomde - posten op het bijdrageplichtig
inkomen in mindering worden gebracht.
In deze artikelen zijn aflossingen van leningen niet genoemd, zodat deze
niet in mindering kunnen worden gebracht op het bijdrageplichtig
inkomen.
Voorts is de Raad niet gebleken dat gedaagde het bijdrageplichtig
inkomen en de daarop gebaseerde eigen bijdrage met toepassing van
evenvermelde bepalingen van dwingendrechtelijke aard op een onjuist
bedrag heeft vastgesteld.
De Raad voegt hier nog aan toe dat zich in het onderhavige geval niet de
bijzondere situatie voordoet waarin toepassing van een
dwingendrechtelijke wettelijke bepaling zozeer in strijd komt met een
algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel dat
die toepassing om die reden niet kan worden toegelaten.
De in geding zijnde vraag dient derhalve bevestigend te worden
beantwoord.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen
en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr.
E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op
15 augustus 2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|