|
Uitspraak
00/4589
AWBZ en 00/4590 AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant 1] en [appellant 2], wonende te [woonplaats], appellanten,
en
Onderlinge Waarborgmaatschappij Nuts Zorgverzekering U.A., optredende in
de hoedanigheid van Zorgkantoor Haaglanden, te 's-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellanten hebben een persoonsgebonden budget (PGB) aangevraagd ten
behoeve van hun verstandelijk gehandicapte [A.], geboren op [in] 1985.
Bij brief van 5 juni 1998 heeft gedaagde kennis gegeven van zijn besluit
de aanvraag af te wijzen wegens uitputting van het voor toekenning van
PGB's beschikbare budget.
Bij het bestreden besluit van 27 augustus 1998 is het bezwaar van
appellanten tegen het besluit van 5 juni 1998 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij de aangevallen
uitspraak van 10 juli 2000 het beroep tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.
Appellanten zijn op bij beroepschrift aangegeven gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 september 2001,
waar appellanten in persoon zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. R.R.G. Dehue en J.M. Onnink, werkzaam
bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De Ziekenfondsraad heeft bij besluit van 27 november 1997 de Regeling
Ziekenfondsraad subsidiëring persoonsgebonden budget 1998 (verder: de
Regeling) vastgesteld. Deze regeling voorziet (onder meer) in de
financiering en toewijzing van PGB's voor het jaar 1998. In de bijlagen
bij de Regeling staat (onder meer) gedaagde vermeld als zorgkantoor
waaraan subsidie voor de toekenning van PGB's wordt toegekend. De
zorgkantoren beoordelen aanvragen om toekenning van een PGB aan de hand
van de Regeling. De Regeling geeft per zorgkantoor nauwkeurig aan welk
bedrag in het jaar 1998 beschikbaar is gesteld voor het toekennen van
PGB's.
Appellanten hebben een persoonsgebonden budget (PGB), als bedoeld in de
Regeling, aangevraagd ten behoeve van hun verstandelijk gehandicapte
dochter [A.].
De Indicatiecommissie van de Sociaal Pedagogische Dienst Zuid-Holland
Noord heeft op 19 mei 1998 geadviseerd [A.] in te delen in
budgetcategorie III van Bijlage 2 van de Regeling en haar in aanmerking
te brengen voor een PGB van f 15.000,-- op jaarbasis. Op de schaal
"nood, urgent, gewenst, niet van toepassing" heeft zij [A.]
ingedeeld in de categorie "gewenst".
Gedaagde heeft de aanvraag bij besluit van 5 juni 1998 afgewezen wegens
uitputting van het voor toekenning van PGB's beschikbare budget voor het
jaar 1998.
Appellanten hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt en aangevoerd dat
het niet toekennen van een PGB op de grond dat geen geld meer
beschikbaar is strijdig is met de wet. Voorts is naar voren gebracht dat
beleid voor de toekenning van budgetten ontbreekt.
Bij het thans bestreden besluit van 27 augustus 1998 is het bezwaar
ongegrond verklaard.
Overwogen is dat het voor de toekenning van PGB's in 1998 beschikbare
budget is uitgeput. Daarbij is het beleid gehanteerd dat aanvragen
worden toegewezen naar de mate van urgentie en de datum van aanmelding.
Uitgaande van dit beleid was er voor toekenning van een PGB aan
aanvragers met het urgentiecriterium "gewenst" onvoldoende
geld beschikbaar.
Appellanten hebben in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat de
afwijzing van hun aanvraag van een PGB in strijd met de wet is,
aangezien aan verzekerden ingevolge de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ) met een zorgindicatie niet mag worden tegengeworpen
dat geen middelen beschikbaar zijn. Als AWBZ-verzekerden hebben zij
recht op toekenning van een PGB voor de zorg waarvoor zij een indicatie
hebben gekregen. Zij hebben in dit verband gewezen op civielrechtelijke
vonnissen. Voorts hebben zij aangevoerd dat in 1998 feitelijk een veel
lager bedrag van de toegekende PGB's is besteed dan het aan gedaagde
voor toekenning van PGB's beschikbaar gestelde budget. Dit valt naar hun
oordeel niet te rijmen met het argument dat het beschikbare budget was
uitgeput. Bovendien had gedaagde zich, indien het budget wel uitgeput
was, moeten inspannen om gelden overgeheveld te krijgen uit regio's met
een overschot. Voorts zou gedaagde bij de toekenning van PGB's
willekeurig te werk zijn gegaan aangezien deugdelijke beleidsregels
inzake de verdeling van de beschikbare middelen ontbreken. Het toekennen
van budgetten naar urgentiecategorie achten zij in strijd met de
Regeling en het gelijkheidsbeginsel. Er bestaat volgens hen geen grond
om de aanvraag voor hun dochter niet gelijk te stellen met andere
aanvragen met een positief advies van de Indicatiecommissie. Tenslotte
is een beroep gedaan op artikel 16 van het Europees Sociaal Handvest en
de artikelen 2 en 23 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. In
laatstgenoemd artikel is ondermeer bepaald dat de staten erkennen dat
een geestelijk gehandicapt kind een volwaardig en behoorlijk leven dient
te hebben en recht heeft op bijzondere zorg.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - appellanten als eisers
aanduidende en gedaagde als verweerder - het volgende overwogen:
"(a) Grief dat de regeling in strijd is met de wet
Eisers zijn van mening dat hen geen persoonsgebonden budget onthouden
mag worden omdat het geld op is. Zij stellen als AWBZ-verzekerden recht
te hebben op toekenning van een persoonsgebonden budget voor de zorg
waarvoor zij een indicatie hebben gekregen.
De aanspraken van verstandelijk gehandicapten op zorg vloeien voort uit
artikel 6 AWBZ jo. artikel 23 tot en met 25 van het Besluit
zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering, zoals het Besluit
destijds luidde.
Met betrekking tot de totstandkoming van de Regeling merkt de rechtbank
het volgende op.
Ten einde meer mogelijkheden tot zorg-op-maat te creëren, waarbij de
verzekerden zelf hun zorg inkopen in plaats van deze van de reguliere
instellingen te betrekken, hebben de bewindslieden van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport de toenmalige Ziekenfondsraad gevraagd een
subsidieregeling voor persoonlijke budgetfinanciering, ook ten behoeve
van zorg voor verstandelijk gehandicapten, te ontwerpen (TK 1994-1995, 23
904, nr. 14).
Gelet op het experimentele karakter van de persoonlijke
budgetfinanciering is er uitdrukkelijk voor gekozen daarvoor een beperkt
budget ter beschikking te stellen en dit afhankelijk van de opgedane
ervaringen eventueel uit te breiden totdat de persoonlijke
budgetfinanciering bij wet in formele zin geregeld zou kunnen worden.
Uitgangspunt daarbij was dat de aanspraken op zorg zoals bij de AWBZ
geregeld, gehandhaafd bleven.
Naar aanleiding daarvan heeft de toenmalige Ziekenfondsraad op basis van
artikel 39, derde lid, aanhef en sub h van de Wet financiering
volksgezondheid (Wfv) de subsidieregelingen voor persoonsgebonden
budgetten ontworpen. Deze zijn voor het eerst in 1996 in werking
getreden. De Regeling hier in geding is het (geïntegreerde) vervolg
hierop.
De rechtbank stelt vast dat de Regeling niet haar grondslag vindt in
enig bij of krachtens de AWBZ gegeven voorschrift, maar in artikel 39,
derde lid, aanhef en sub h, van de Wfv. Anders dan eiser veronderstelt,
vloeit de eventuele aanspraak op een persoonsgebonden budget als hier in
geding derhalve niet voort uit de AWBZ en is bedoelde aanspraak ook niet
afhankelijk van de bij of krachtens die wet gestelde voorwaarden. In dit
opzicht verschilt deze aanspraak wezenlijk van de aanspraken van
verstandelijk gehandicapten op zorg zoals geregeld in artikel 6 AWBZ jo.
artikel 23 tot en met 25 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering, zoals dat Besluit ten tijde hier in geding
gold.
De in de Regeling opgenomen subsidieregeling voor persoonlijke
budgetfinanciering kan aan de aanspraken die een verzekerde op basis van
de AWBZ tot gelding kan brengen geen afbreuk doen. Er bestaat derhalve
geen grond voor het oordeel dat de Regeling in strijd is met de AWBZ.
Evenmin kan worden geoordeeld dat de Regeling zich niet verdraagt met
het bepaalde in de Wfv. Het bepaalde in artikel 39, derde lid, aanhef en
sub h, van die wet biedt immers de ruimte voor het doen van uitgaven uit
het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten voor door de Ziekenfondsraad
aan te geven doeleinden, verband houdende met de algemene verzekering
bijzondere ziektekosten of met de volksgezondheid in het algemeen. Er is
geen grond voor het oordeel dat de Ziekenfondsraad bij de vaststelling
van de Regeling, voor zover betrekking hebbend op de persoonsgebonden
budgetfinanciering voor verstandelijk gehandicapten, buiten de grenzen
van evengenoemde bepaling is getreden.
De rechtbank is tevens van oordeel dat de jurisprudentie waarop door
eisers is gewezen, op andere situaties ziet dan de onderhavige reeds
omdat het daar ging om het tot gelding brengen van aanspraken
voortvloeiende uit de AWBZ.
Zo heeft de uitspraak van de president van rechtbank Utrecht in kort
geding van 29 oktober 1999 betekenis in gevallen waarin een
thuiszorgbehoefte is vastgesteld door een Indicatiecommissie en
desalniettemin met een beroep op het ontbreken van middelen de geïndiceerde
zorg door de reguliere zorginstellingen niet wordt geleverd. De
aanspraak op thuiszorg vloeit voort uit artikel 6 AWBZ jo artikel 15 van
meergenoemd Besluit.
De rechtbank ziet voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder niet
in beginsel als reden voor afwijzing van een aanvraag voor een
persoonsgebonden budget als hier in geding de uitputting van de hem
daartoe op grond van de Regeling ter beschikking gestelde financiële
middelen heeft mogen aanvoeren, nu de Regeling uitdrukkelijk voorzag in
een subsidieplafond voor de financiering van de onderhavige
persoonsgebonden budgetten en van een onbeperkt wettelijk recht op
toekenning van een dergelijk budget ten tijde hier in geding geen sprake
was. De rechtbank acht het niet onredelijk dat verweerder daarbij ten
tijde van de beslissing op de aanvraag van eisers is uitgegaan van de
omvang van de met de reeds toegekende budgetten gemoeide reserveringen.
De rechtbank verklaart deze grief gezien het voorgaande ongegrond.
(b) Grieven met betrekking tot onzorgvuldigheid verweerder
Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat gebleken is dat de voor
persoonsgebonden budget beschikbaar gestelde middelen niet daartoe zijn
benut en dat daarom het zorgkantoor als beheerder van dat budget
onzorgvuldig tegenover hen heeft gehandeld.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Regeling kan aan de
zorgkantoren tot een totaalbedrag van maximaal f 86.500.000,-- subsidie
worden verstrekt voor de financiering van persoonsgebonden budgetten ten
behoeve van verstandelijk gehandicaptenzorg in het jaar 1998 aan
AWBZ-verzekerden.
In een bijlage bij de Regeling is vermeld welk bedrag maximaal per regio
voor subsidieverstrekking beschikbaar is; voor regio Haaglanden, waar
verweerder als zorgkantoor het op grond van de Regeling beschikbaar
gestelde subsidiebudget beheert, was dat in 1998 f 3.879.492,--.
Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat hij in 1998 inderdaad
ongeveer een derde van de hem beschikbaar gestelde middelen heeft
overgehouden. Hij heeft daarvoor verschillende redenen genoemd. Zo heeft
verweerder middelen gereserveerd voor gevallen waarin een budgethouder
met een langetermijnindicatie op grond van een herindicatie gaande het
jaar voor een hoger budget in aanmerking komt.
Als belangrijkste reden voor de onderuitputting heeft verweerder echter
genoemd dat in veel gevallen achteraf is gebleken dat budgethouders het
hen toegekende budget niet of slechts ten dele hebben besteed (vaak
omdat de gewenste zorg niet kon worden ingekocht). De niet bestede
gelden vloeien dan terug naar het algemene fonds. Verweerder heeft
daarbij opgemerkt dat hij over de besteding van de toegekende budgetten
op een zodanig tijdstip werd geïnformeerd door de Sociale
Verzekeringsbank (SVB) - het orgaan belast met de feitelijke betalingen
aan zorgleveranciers -, dat hij de resterende gelden niet meer in het
subsidiejaar voor honorering van aanvragen op de wachtlijst kon
aanwenden. Verweerder heeft aangegeven dat hij wel al in 1998 is
overgegaan tot toekenning van persoonsgebonden budgetten tot 110% van
het hem beschikbaar gestelde bedrag anticiperend op achteraf vast te
stellen restanten.
Verweerder heeft desgevraagd verklaard geen middelen te reserveren voor
kosten voortvloeiend uit geschillen over de toekenning en hoogte van
persoonsgebonden budgetten. Tevens heeft verweerder aangegeven dat de
doorlooptijd tussen het moment waarop de indicatie beschikbaar is en de
beslissing op de aanvraag minimaal is, zodat de doorlooptijden bij hem
geen reden voor onderuitputting vormen.
Verweerder heeft nooit stappen ondernomen om aan andere regio's
beschikbaar gestelde middelen overgeheveld te krijgen, omdat - zo stelt
hij - hij daartoe nooit een aanvraag of een aanwijzing gekregen.
Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Allereerst merkt de rechtbank op dat de onderuitputting een landelijk
probleem is, getuige ook de door eisers in geding gebrachte brieven van
de Staatssecretaris van VWS (onder andere TK 1999-2000, 25 657 en 26
801, nr. 14). Het percentage onderuitputting bij verweerder steekt niet
negatief af bij het landelijk gemiddelde en levert in zoverre geen
aanwijzing op dat verweerder nalatig is geweest.
Evenmin is gebleken dat verweerder aanwijzingen van het College van
Zorgverzekeringen, dan wel van de staatssecretaris om onderuitputting
tegen te gaan niet heeft opgevolgd.
Zoals hierboven is uiteengezet is de persoonsgebonden budgetfinanciering
voor verstandelijk gehandicapten eerst per 1 januari 1996 landelijk
ingevoerd. Het betrof een experiment met vele nieuwe facetten.
Verweerder had daarmee ten tijde van het bestreden besluit ongeveer twee
jaar ervaring kunnen opdoen.
Tijdens die periode heeft hij er blijk van gegeven in elk geval ten
aanzien van de belangrijkste oorzaak van de onderuitputting maatregelen
te hebben genomen door over te gaan tot toekenning tot 110% van de hem
ter beschikking gestelde middelen. Tevens blijkt uit de door verweerder
overgelegde verslagen van de Stuurgroep Persoonsgebonden Budget
Verstandelijk Gehandicapten uit 1997 dat verweerder op basis van
opgedane ervaringen gezocht heeft naar mogelijkheden om de wachtlijsten
te beperken.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het reserveren van middelen met het
oog op herindicaties bij budgethouders die een zorgindicatie voor lange
termijn hebben (volgens verweerder ongeveer f 100.000,--), onzorgvuldig
te achten.
Daarbij gaat zij ervan uit dat verweerder het te reserveren bedrag
afhankelijk van de opgedane ervaring tijdig bijstelt.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat er onvoldoende
grond is voor de conclusie dat verweerder als beheerder van het
subsidiebedrag onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van
het bestreden besluit.
(c) Grieven met betrekking tot het toedelingsbeleid van de
persoonsgebonden budgetten
Ingevolge artikel 12 van de Regeling moet iemand om in aanmerking te
komen voor een persoonsgebonden budget voldoen aan de indicatievereisten
voor één van de in bijlage 2 vermelde budgetcategorieën. De
Indicatiecommissie heeft [A.] ingedeeld in categorie III (C), f
15.000,--, hetgeen wil zeggen dat zij haar aangewezen acht op 11-25 uur
extra (de normale ouderlijke zorg te boven gaande) begeleiding per week
in de thuissituatie. Tevens heeft de Indicatiecommissie de zorgbehoefte
ingedeeld in de urgentiecategorie "gewenst".
Eisers zijn van mening dat aan het verdelen van de beschikbare middelen
geen deugdelijk beleid ten grondslag ligt. Daarbij hebben zij opgemerkt
dat het urgentiebeleid hen niet bekend was en dat zij de implicaties van
een urgentiecategorie-indeling niet kenden ten tijde van de
indicatiestelling. Ook hebben zij een beroep gedaan op het
gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.
Artikel 11, vierde lid, van de Regeling bepaalt dat het zorgkantoor voor
de toekenning van persoonsgebonden budgetten slechts voorwaarden stelt
die voldoen aan de Regeling. Er moet derhalve sprake zijn van een
indicatie als bedoeld in artikel 12 van de Regeling. Volgens de
toelichting bij artikel 11, vierde lid, van de Regeling mag urgentie
evenwel ook een rol spelen bij de toekenning van budgetten als het
zorgkantoor in overleg met de regionale oudervereniging(en) nader heeft
bepaald of, en zo ja, op welke wijze urgentie een rol speelt.
Blijkens de door verweerder overgelegde verslagen van de Stuurgroep
Persoonsgebonden Budget Verstandelijk Gehandicapten van april, mei en
juni 1997 heeft verweerder in overleg met de Sociaal Psychiatrische
Dienst (SPD) en de Federatie van Ouderverenigingen (FvO) besloten om een
urgentiebeleid te voeren, waarbij dezelfde urgentie-indicaties
gehanteerd worden als ten aanzien van aanvragen tot zorg in natura voor
verstandelijk gehandicapten.
De indicatiecommissie is bij brief van 24 juni 1997 verzocht de
aanvragen ook naar urgentie-categorie in te delen. In de bundel
"Regionale Werkafspraken Indicatiecommissie ten behoeve van mensen
met een verstandelijke handicap Regio Haaglanden" (uitgave Sociaal
Pedagogische Dienst november 1997/002) is de indeling naar
urgentiecategorie nader beschreven.De rechtbank is van oordeel dat het
urgentiebeleid niet onaanvaardbaar is.Daartoe heeft ze het volgende
overwogen.
Verweerder heeft geconstateerd dat het voor persoonsgebonden budgetten
beschikbare budget onvoldoende was om alle aanvragen te honoreren. Voor
zover eisers hebben gesteld dat deze constatering onjuist was, hebben
zij dit slechts achteraf kunnen doen; niet gebleken is dat verweerder op
grond van de hem toen bekende gegevens deze constatering ten onrechte
heeft gedaan.
Voorts laat de Regeling ruimte voor een urgentiebeleid. Verweerder
heeft het in overeenstemming met de toelichting bij artikel 11, vierde
lid, van de Regeling, in overleg met de FvO vastgesteld. Bovendien heeft
verweerder het urgentiebeleid afgestemd op het urgentiebeleid dat wordt
gevoerd bij aanvragen tot zorg in natura.
Voor zover eisers hebben aangevoerd dat zij het niet eens zijn met de
urgentie-indicatie "gewenst" heeft de rechtbank overwogen dat
de indicatiestelling wordt verricht door de Indicatiecommissie en geen
onderwerp is van dit geding.
Met betrekking tot de grief van eisers dat het urgentiebeleid hen niet
bekend was heeft de rechtbank overwogen dat zowel in de handleiding als
op het aanmeldingsformulier gesproken wordt over de mogelijkheid dat de
aanvraag wordt afgewezen omdat het geld op is. In zoverre hebben eisers
met die mogelijkheid rekening moeten houden. De rechtbank is het evenwel
met eisers eens dat aanvragers van een persoonsgebonden budget door
verweerder ook over het urgentiebeleid geïnformeerd horen te worden.
Aangezien echter in de bezwaarfase voldoende duidelijkheid is ontstaan
over de implicaties van het urgentiebeleid en overigens niet valt in te
zien hoe bekendheid met het beleid tot een voor eisers andere uitkomst
had kunnen leiden, is de rechtbank van oordeel dat deze grief faalt.
De rechtbank kan eisers niet volgen in hun stelling dat verweerder in
strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt gezien de opmerking in de
Handleiding "De indicatiestelling is voor alle verstandelijk
gehandicapten gelijk". Een indicatiestelling is slechts een
voorwaarde om tot een toewijzend besluit te komen.
(d) Grieven met betrekking tot verdragsbepalingen
Met betrekking tot de grieven van eisers dat verweerder met zijn
afwijzende besluit in strijd zou hebben gehandeld met de artikelen 2 en
23 van het Verdrag inzake de rechten van het kind oordeelt de rechtbank
dat - zo het hier al gaat om bepalingen die naar inhoud een ieder
verbinden - niet staande kan worden gehouden dat de door de wetgever
alhier geformuleerde voorwaarden op grond waarvan budgettoekenning
afhankelijk is gesteld van onder andere de beschikbare middelen en mate
van urgentie een inbreuk vormen op deze verdragsrechtelijke bepalingen.
Voor wat betreft artikel 16 van het Europees Sociaal Handvest is de
rechtbank van oordeel dat die bepaling niet behoort tot de in de
artikelen 93 en 94 van de Grondwet bedoelde bepalingen die naar inhoud
een ieder kunnen verbinden."
Appellanten hebben in hoger beroep naar voren gebracht dat de rechtbank
ten onrechte heeft geoordeeld dat gedaagde een beroep kon doen op
tekortschietende middelen. Aangevoerd is dat het in casu gaat om een
AWBZ-gerelateerde regeling die gefinancierd wordt uit AWBZ-premies,
uitgevoerd wordt door AWBZ-zorgkantoren en die aan de AWBZ-verzekerden
ten goede komt. De AWBZ is een verzekering met open eindfinanciering
hetwelk naar hun oordeel bevestiging vindt in een arrest van het
gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 december 1999, gepubliceerd in KG
2000/63. De omstandigheid dat geen beroep is gedaan op de AWBZ kan naar
het oordeel van appellanten geen afbreuk doen aan hun aanspraak op een
PGB voor hun dochter. Appellanten stellen zich voorts op het standpunt
dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de regeling voorziet
in een subsidieplafond, aangezien artikel 27 van de Regeling bepaalt dat
extra kosten voortvloeiende uit geschillen uit het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten worden betaald en artikel 2, vierde lid, van de
Regeling voorziet in de mogelijkheid van overheveling van subsidies van
de ene regio naar de andere. Daarbij komt dat blijkens mededelingen van
gedaagde voor het jaar 2000 geen subsidieplafond meer geldt, zonder dat
de Regeling op dit punt is gewijzigd. Bovendien gaan de in de Regeling
aan de zorgkantoren toegekende beperkte budgetten naar het oordeel van
appellanten slechts deze kantoren aan en niet de AWBZ-verzekerden. Er is
volgens hen geen wettelijke grondslag aanwezig die een beroep op
tekortschietende financiële middelen zou kunnen rechtvaardigen.
Appellanten ontkennen dat sprake is geweest van tekortschietende financiële
middelen aangezien het zorgkantoor steeds gelden heeft teruggestort in
de algemene middelen. De onderuitputting is volgens appellanten
veroorzaakt door gebrekkige informatievoorziening van de Sociale
Verzekeringsbank aan de zorgkantoren en door inadequaat handelen van
deze kantoren met betrekking tot de gevolgen die aan de onderuitputting
moesten worden verbonden. De rechtbank heeft volgens appellanten ten
onrechte geoordeeld dat dit handelen wordt gerechtvaardigd door de door
de rechtbank gereleveerde feiten en omstandigheden.
Met betrekking tot de hantering van urgentiecriteria is aangevoerd dat
onduidelijk is of de Regeling ruimte biedt voor het hanteren ervan, dat
appellanten direct noch indirect bij de totstandkoming ervan betrokken
zijn geweest en dat deze criteria in casu onjuist zijn toegepast. Ten
aanzien van het laatste aspect is naar voren gebracht dat het op [A.]
van toepassing geachte criterium "gewenst" inhoudt dat
toekenning van een PGB binnen één jaar" geïndiceerd is; daarmee
verdraagt zich niet dat de desbetreffende belanghebbenden veelal
onderaan de wachtlijst terechtkomen.
Appellanten achten - ten slotte - het onderhavige systeem van
budgetfinanciering strijdig met in eerste aanleg genoemde in zowel het
Verdrag inzake de rechten van het kind als in het Europees Sociaal
Handvest op de lidstaten neergelegde bijzondere zorgplicht waar het
betreft de rechten van het gehandicapte kind en van het gezin. Hiermee
verdraagt zich naar hun oordeel niet dat in het kader van een
volksverzekering gelijke zorgbehoeftigden ongelijk worden behandeld. Dat
de bepalingen van het Verdrag en het Handvest niet direct zouden werken
doet er naar hun mening niet aan af dat in het licht van deze verdragen
overwegingen van financiering onvoldoende rechtvaardiging zijn om af te
wijken van het gelijkheidsbeginsel.
Vanwege gedaagde is in hoger beroep naar voren gebracht dat de eventuele
aanspraak op een PGB niet voortvloeit uit de AWBZ en niet afhankelijk is
van de bij of krachtens die wet gestelde voorwaarden. De Regeling doet
dan ook geen afbreuk aan de aanspraken die een verzekerde aan deze wet
kan ontlenen. Van strijd met de AWBZ kan volgens gedaagde dan ook geen
sprake zijn. Evenmin is naar het oordeel van gedaagde sprake van strijd
met artikel 39, derde lid, aanhef en onder h van de Wet financiering
volksverzekeringen aangezien niet is gebleken dat de voormalige
Ziekenfondsraad bij de vaststelling van de Regeling buiten de grenzen
van zijn bevoegdheid is getreden. De jurisprudentie waarop appellanten
zich beroepen heeft volgens gedaagde geen betrekking op de toekenning
van PGB's, maar op de aanspraken die verzekerden aan de AWBZ kunnen
ontlenen. De Regeling, zoals deze ten tijde van de aanvraag luidde,
voorzag volgens gedaagde wel degelijk in een subsidieplafond zodat daar
bij het nemen van het bestreden besluit naar het oordeel van gedaagde
terecht rekening mee is gehouden. Gedaagde ontkent onzorgvuldig te zijn
omgegaan met de onderuitputting van het beschikbare budget; het
percentage onderuitputting steekt niet negatief af bij het landelijk
gemiddelde en geeft geen aanwijzing dat gedaagde nalatig zou zijn
geweest. Ook is geen sprake geweest van het niet opvolgen van
aanwijzingen van de Ziekenfondsraad of enig ander bevoegd orgaan.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of gedaagde de
aanvraag van appellanten om in aanmerking te worden gebracht voor een
PGB op grond van de Regeling bij het bestreden besluit terecht heeft
afgewezen.
Overwogen wordt als volgt.
De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met de overwegingen van de
aangevallen uitspraak welke hij tot de zijne maakt.
Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht wordt
daaraan nog het volgende toegevoegd.
De Regeling voorziet in de subsidiëring van zorgkantoren teneinde deze
in staat te stellen PGB's toe te kennen aan daarvoor in aanmerking
komende AWBZ-verzekerden. Zij berust niet op de AWBZ maar is door de
Ziekenfondsraad vastgesteld ter invulling van zijn op artikel 39, derde
lid aanhef en onder h van de Wet financiering volksverzekeringen
berustende bevoegdheid om financiële middelen voor de aldaar opgesomde
doeleinden beschikbaar te stellen. De Regeling wijst de zorgkantoren
aan, aan welke subsidie is toegekend voor de toekenning van PGB's, en
bepaalt in de van de Regeling deel uit maken de bijlage de per kantoor
beschikbaar gestelde middelen. Tevens bepaalt zij de voorwaarden
waaronder PGB's mogen worden toegekend.
Vastgesteld moet worden dat gedaagde, één van deze zorgkantoren,
aanvragen voor een PGB toetst aan het in de Regeling neergelegde
beoordelingskader, daaronder begrepen het door de Ziekenfondsraad
blijkens de Regeling beschikbaar gestelde beperkte budget.
De Raad is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat gedaagde, die ter
zake van de toekenning van PGB's over een discretionaire bevoegdheid
beschikt, door de Regeling met de daartoe behorende bijlage in het jaar
1998 als toetsingskader te hanteren in strijd is gekomen met enige regel
van geschreven of ongeschreven recht, daaronder begrepen de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur en algemene rechtsbeginselen. De Raad
is van oordeel dat hetzelfde geldt voor de vraag of gedaagde, gegeven
het beschikbare beperkte budget voor PGB's, de hem toekomende
discretionaire bevoegdheid aldus mocht invullen dat de aanvragen voor
een PGB worden beoordeeld naar de mate van urgentie en de aanvraagdatum.
De toepassing van deze gedragslijn in het onderhavige geval houdt in dat
het gedaagde ten tijde in geding, mede gelet op de zorgindicatie in de
categorie "gewenst", vrijstond de aanvraag van appellanten
niet te honoreren op de grond dat het budget voor 1998 was uitgeput,
waarbij de Raad in aanmerking neemt dat het appellanten vooraf
redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat de uitputting van het
budget hen kon worden tegengeworpen. Op het aanvraagformulier is immers
duidelijk aangegeven dat rekening moet worden gehouden met niet
toereikende financiële middelen, in welk geval de aanvrager op de
wachtlijst kan komen. Appellanten hebben op dat formulier aangekruist
dat zij in dat geval op de wachtlijst wensen te worden geplaatst.
De Raad voegt hieraan nog toe dat niet gebleken is dat zich een
bijzondere situatie voordoet waarin van evenbedoelde gedragslijn
behoorde te worden afgeweken.
In het vorenstaande ligt besloten dat de grief van appellanten dat de
Regeling, anders dan gedaagde aanneemt, geen subsidieplafond inhoudt,
geen doel treft. Gedaagde heeft het in de Regeling, daaronder mede
begrepen de bijlage, neergelegd te achten plafond tot de zijne gemaakt
en door middel van het aanmeldingsformulier tijdig kenbaar gemaakt dat
met uitputting van het budget rekening moest worden gehouden. De Raad
verwijst naar zijn uitspraak van 17 oktober 2000, gepubliceerd in USZ
2001/32. De civielrechtelijke jurisprudentie waarop appellanten zich
hebben beroepen kan daarin geen verandering brengen, reeds niet omdat
deze betrekking heeft op zorg in natura ingevolge de AWBZ en niet op de
toepassing van de onderhavige Regeling. Voorts laat het bepaalde in
artikel 27 van de Regeling, dat betrekking heeft op uit geschillen
voortkomende kosten, het voorgaande onverlet en is artikel 2, vierde
lid, van de Regeling, waarop appellanten zich hebben beroepen, niet van
toepassing, aangezien dit ziet op PGB's verpleging en verzorging.
Met betrekking tot de grief dat in het jaar 1998 feitelijk geen sprake
is geweest van uitputting van het budget overweegt de Raad dat
genoegzaam aannemelijk is geworden dat ten tijde van de besluitvorming
PGB's waren toegekend tot het maximaal voor toekenning beschikbare
budget. De omstandigheid dat achteraf is gebleken dat de toegekende
PGB's voor een aanmerkelijk gedeelte niet zijn besteed kan daaraan niet
afdoen. Gelet op het experimentele karakter van de PGB's en de beperkte
ervaring met de mate van besteding ervan heeft gedaagde naar 's Raads
oordeel niet onzorgvuldig gehandeld door met betrekking tot het jaar
1998 PGB's toe te kennen tot 109% van het beschikbare budget.
De Raad ziet niet in dat gedaagde in strijd met zijn eigen beleid heeft
gehandeld door ten behoeve van [A.], die in de categorie
"gewenst" was ingedeeld, niet binnen één jaar een PGB toe te
kennen. Hij overweegt daartoe dat de onderhavige zorginhoudelijke
indicatie met betrekking tot de termijn waarbinnen een voorziening moet
worden getroffen, naar zijn aard geen aanspraak geeft op daadwerkelijke
toekenning van een PGB, aangezien daarvoor ook andere dan
zorginhoudelijke criteria gelden.
De grief ten slotte dat toepassing van de Regeling tot een ongelijke
behandeling van personen met eenzelfde zorgindicatie leidt, en mitsdien
strijdig met het gelijkheidsbeginsel moet worden gevonden, stuit naar 's
Raads oordeel af op het gegeven dat dit inherent is aan de uit de
Regeling en het daarop gebaseerde beleid voortvloeiende beschikbaarheid
van beperkte financiële middelen en daardoor objectief wordt
gerechtvaardigd. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de weigering om
in het onderhavige geval voor het jaar 1998 een PGB toe te kennen in
strijd komt met de door appellanten genoemde bepalingen van verdragen,
daargelaten de vraag of deze bepalingen zijn aan te merken als een ieder
verbindende bepalingen in de zin van de artikelen 93 en 94 van de
Grondwet.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft, dat het
bestreden besluit in rechte stand houdt en dat de aangevallen uitspraak
dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op
grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A.H. Huls.
|
|