|
Uitspraak
00/5309
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen
het bestuur van de Stichting Regionaal Indicatie Orgaan Midden-Limburg,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft gedaagde op 14 september 1999 in kennis gesteld van een
negatief indicatieadvies ten behoeve van de vaststelling van een
persoonsgebonden budget verpleging en verzorging.
Gedaagde heeft tegen dit advies bezwaar gemaakt.
Appellant heeft dit opgevat als het maken van bezwaar als bedoeld in
artikel 7:1, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij
heeft het bezwaar bij besluit van 6 december 1999 (het bestreden
besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 23 augustus 2000 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden
besluit vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met
inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen en appellant
veroordeeld in de kosten van de procedure tot een bedrag van f 1420,--.
Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 21 november 2001,
waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. W.J.M.
Peters medewerker bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en waar
gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
In het kader van de uitvoering van de Wet financiering
volksverzekeringen is door de voormalige Ziekenfondsraad de Regeling
subsidiλring persoonsgebonden budget 1999 (hierna: de Regeling 1999)
vastgesteld. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Regeling 1999 komt
voor toekenning van een persoonsgebonden budget uitsluitend in
aanmerking de verzekerde ten aanzien van wie een indicatiebesluit als
bedoeld in artikel 9a en 9b van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ) is gegeven.
Artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat burgemeester en
wethouders erin voorzien dat ten behoeve van de inwoners van hun
gemeente in hun gemeente een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is,
dat kosteloos beoordeelt of een inwoner in aanmerking komt voor een van
de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.
Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat verzekerden hun
aanspraken op vormen van zorg, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, eerst
tot gelding kunnen brengen, indien zij een advies hebben overgelegd van
het in dat artikel bedoelde orgaan, waaruit blijkt dat zij op die zorg
zijn aangewezen.
Appellant is werkzaam als onafhankelijk indicatieorgaan als bedoeld in
artikel 9a van de AWBZ.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van gedaagde tegen de
indicatiebeslissing van appellant, als bedoeld in artikel 5, tweede lid,
van de Regeling 1999 van 6 december 1999 ongegrond verklaard.
In dit geding ziet de Raad zich primair voor de vraag gesteld of een
dergelijke indicatiebeslissing van een indicatieorgaan als appellant,
die kan leiden tot toekenning van een persoonsgebonden budget, moet
worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste en
tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In zijn uitspraak van 19 december 2000, gepubliceerd in USZ 01/52, heeft
de Raad geoordeeld dat een (positief of negatief) advies van een
indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de AWBZ inzake de
indicatie van een verzekerde voor een aanspraak op zorg als bedoeld in
de AWBZ niet kan worden aangemerkt als een beslissing van een
bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, als
bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De Raad ziet geen reden
om daarover anders te oordelen in een geval als in dit geschil aan de
orde, waarbij het niet gaat om de advisering inzake de aanspraak op zorg
als bedoeld in de AWBZ, maar om de advisering inzake de benodigde zorg
in het kader van de vaststelling van een persoonsgebonden budget op
grond van de Regeling 1999. Ook in laatstgenoemd geval kan niet worden
gezegd dat het indicatieorgaan door zijn advies de aanspraak van
belanghebbende op een persoonsgebonden budget bepaalt, beperkt of
ontneemt en dusdoende een rechtshandeling verricht.
Met inachtneming van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat
appellant het namens gedaagde ingediende bezwaar tegen het advies van 14
september 1999 niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
Hieruit volgt tevens dat de aangevallen uitspraak, weliswaar op grond
van een andere motivering, dient te worden bevestigd behoudens voor
zover daarin is bepaald dat verweerder opnieuw moet beslissen op het
bezwaarschrift van gedaagde. De Raad zal de aangevallen uitspraak, voor
zover daarin is opgedragen een nieuw besluit te nemen, vernietigen en
zelf in de zaak voorzien door het inleidend bezwaar niet-ontvankelijk te
verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin is opgedragen een
nieuw besluit te nemen;
Verklaart het bezwaar van gedaagde alsnog niet-ontvankelijk,
Bepaalt dat van de Stichting Regionaal Indicatieorgaan Midden-Limburg
een recht van 327,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr.
A van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 februari
2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|