|
Uitspraak
99/4547
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[erfgenaam] als enig erfgenaam van [appellant], wonende te [woonplaats]
(Indonesië), appellant,
en
Nationale-Nederlanden Zorgverzekering N.V., gevestigd te 's-Gravenhage,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft bij besluit van 4 november 1997 afwijzend beschikt op de
aanvraag van 19 maart 1997 strekkende tot vergoeding van de kosten van
verpleging en behandeling van [appellant] (betrokkene) in residentie [X.]
([X.]) te [woonplaats], Lombok, Indonesië.
Namens betrokkene is bij brief van 12 december 1997 tegen dat besluit
bezwaar gemaakt.
Betrokkene is op 27 mei 1998 overleden.
De Commissie voor Beroepszaken van de voormalige Ziekenfondsraad heeft
gedaagde bij brief van 19 juni 1998 van advies gediend, luidend, voor
zover hier van belang:
"De medisch adviseur heeft de commissie het volgende meegedeeld.
Verzekerde heeft sinds april 1996 met onderbrekingen verbleven in een
bungalowpark dat vanaf het jaar 1998 geëxploiteerd zou gaan worden. De
beoogde doelgroep voor het park zijn ouderen voor vakantie, tijdelijk
verblijf of overwintering. In dat verband worden er maaltijden en
toeristische faciliteiten aangeboden. Het verblijf is niet gebonden aan
zorginhoudelijke criteria. Wel is het de bedoeling om ook
verpleegkundige en medische faciliteiten te bieden om ook het verblijf
van gehandicapte ouderen mogelijk te maken. Volgens de beschrijving is
continu verpleging aanwezig en éénmaal per week een arts. Medische
zorg is verder op afroep beschikbaar. De medisch adviseur heeft verder
aangetekend dat het niet duidelijk is, welke zorg nu precies aan
verzekerde is geboden. Het lijkt met namen te zijn gegaan om verblijf en
verzorging. Van een instelling was zeker in de aanloopfase nog geen
sprake, waar er naast de verzekerde geen andere personen verblijf
hielden. Van vergelijkbaarheid met de Nederlandse AWBZ-verstrekking
verpleeghuiszorg is geen sprake. Daarvoor ontbreken de specifieke
indicatiestelling voor opname, de samenhangende medische en
verpleegkundige behandelplanning en de multidisciplinaire
zorgorganisatie.
De commissie is van oordeel dat u terecht voornemens bent te blijven bij
uw weigering om de achteraf gevraagde kostenvergoeding te verlenen. Van
een redelijke vergelijkbaarheid met een AWBZ-zorgaanspraak kan naar haar
oordeel niet worden gesproken. Zij geeft u in overweging om aan de af te
geven beslissing nog het volgende toe te voegen. Het is niet realistisch
om in dit geval af te zien van de door mevrouw Brentjes als
'toevalligheden' bestempelde feiten dat [appellant] heeft verbleven in
de door haar zoon geëxploiteerde residentie die in de opbouwfase
verkeerde en dat zij daar blijkens de toelichting in de hoorzitting
'niet altijd als enige gast' verbleef."
Gedaagde heeft het bezwaar van appellant bij het bestreden besluit van
13 juli 1998 ongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft het beroep tegen dat besluit bij de
aangevallen uitspraak van 9 juli 1999 ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. A.J. Kiela, advocaat te Amersfoort, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger
beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. J. Ekelmans, advocaat te 's-Gravenhage, een
verweerschrift ingezonden.
Vanwege appellant zijn nadere stukken, waaronder getuigenverklaringen,
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 februari 2002,
waar voor appellant is verschenen mr. Kiela, voornoemd, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Ekelmans, voornoemd, en drs.
R.E.B. de Groot, adviserend geneeskundige.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Betrokkene, geboren [in] augustus 1908, heeft in 1995 haar man en oudste
zoon verloren. Zij is op 4 december 1995 met psychische klachten
opgenomen in de Ursulakliniek van de Robert Fleury Stichting te
Wassenaar. Voorts had zij een handicap aan haar handen waardoor zij niet
meer in staat was om zichzelf te wassen, kleden en voeden. Begin 1996 en
in de tweede helft van 1997 is betrokkene geïndiceerd voor opname in
een (particulier) verpleeghuis. In april 1996 heeft betrokkene haar
intrek genomen in [X.], waar continu verpleging, verleend door
gediplomeerde verpleegkundigen, voorhanden was, alsmede eenmaal in de
week een arts. Medische zorg was daar verder op afroep beschikbaar.
Betrokkene is daar verzorgd van 16 april 1996 tot 20 november 1996 en
van 22 december 1996 tot 1 maart 1997. Namens betrokkene is verzocht om
vergoeding van de in deze periode gemaakte verblijf- en verpleegkosten
op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
Bij het bestreden besluit van 13 juli 1998 heeft gedaagde zijn weigering
om deze kosten te vergoeden gehandhaafd. Dit besluit berust op het
standpunt dat geen aanspraak kan worden gemaakt op vergoeding van de in
[X.] verleende zorg krachtens het bepaalde in artikel 11 van de AWBZ
omdat de aanbodsvorm van de geboden zorg te zeer afwijkt van
vergelijkbare zorgaanspraken in Nederland. Van een redelijke
vergelijkbaarheid van de in [X.] verleende zorg met de in Nederland
geboden zorg kan volgens gedaagde niet worden gesproken. Gedaagde heeft
er op gewezen dat de beoogde doelgroep van [X.] bestaat uit ouderen voor
vakantie, tijdelijk verblijf of overwintering. Het verblijf in de
residentie is niet gebonden aan zorginhoudelijke criteria. Een
specifieke indicatiestelling voor opname, daarmee samenhangende medische
en verpleegkundige behandelplannen en een multidisciplinaire
zorgorganisatie ontbreken. [X.] is volgens gedaagde primair een hotel-
of woonvoorziening met als toegevoegde mogelijkheid zorgarrangementen in
de vorm van verpleging en/of verzorging.
Vanwege appellant is betwist dat niet aan het criterium van de redelijke
vergelijkbaarheid is voldaan. Aangevoerd is dat de doelstelling van [X.]
er op gericht is ouderen te verzorgen en zonodig medische verzorging te
bieden waarvoor adequaat medisch personeel in de instelling voorhanden
is. De door appellant genoemde elementen van een specifieke
indicatiestelling voor opname, daarmee samenhangende medische en
verpleegkundige behandelplannen en een multidisciplinaire
zorgorganisatie rieken volgens appellant naar de erkenningseisen die
worden gesteld aan verpleeg- en zorginrichtingen in Nederland. Appellant
acht het onjuist en onaanvaardbaar dat op die manier wordt voorbijgegaan
aan de eigen aard van [X.] en de cultuur ter plaatse. Verder is er op
gewezen dat in september 1997 in Nederland een indicatie voor opname in
een verpleeginrichting is afgegeven. Subsidiair heeft appellant
aangevoerd dat niet adequaat is onderzocht of de omstandigheden bij [X.]
redelijkerwijs vergelijkbaar zijn, nu geen contact is opgenomen met [X.],
met het Ministerie van Volksgezondheid in Indonesië en met particuliere
ziekenhuizen en artsen. Voorts had gedaagde naar zijn mening moeten
onderzoeken of er in Indonesië adequate alternatieven voorhanden waren.
Tenslotte is er een beroep op gedaan dat de Ziekenfondsraad in een brief
van 14 augustus 1997 de verwachting heeft gewekt dat de aangevraagde
kostenvergoeding zou worden toegekend en dat alleen de hoogte van het
tarief nog niet vaststond.
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Zij
heeft daartoe (onder meer) het volgende overwogen:
"Doorslaggevend voor haar oordeel dat verweerster terecht heeft
geconcludeerd dat in dit geval niet aan het criterium van de
vergelijkbaarheid is voldaan acht de rechtbank dat haar uit de hiervoor
vastgestelde feiten met betrekking tot [X.] en ook overigens uit de
voorhanden zijnde gegevens niet is gebleken dat het verblijf van gasten
in [X.], ook niet van diegenen die (medische) zorg of begeleiding nodig
hadden, zoals betrokkene, ten tijde hier in geding was gericht op de
verwezenlijking van een medische doelstelling, geformuleerd in het kader
van een behandelplan, ontwikkeld door in, c.q, voor [X.] werkzame
(para)medici en op basis van een indicatiestelling voor opname in een
verpleeghuis, zoals in de Nederlandse verpleeghuiszorg gebeurt. Niet
zonder belang acht de rechtbank voorts dat niet is aangetoond dat de [X.]
werkzame "physician in residence" beschikt over of
redelijkerwijs moet worden geacht te beschikken over de deskundigheid
van een verpleeghuisarts verbonden aan een Nederlandse
verpleeginrichting, die als zodanig hier te lande is opgeleid en is
geregistreerd."
Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Aangevoerd is
dat de rechtbank, evenals gedaagde, te ver strekkende maatstaven aanlegt
voor de vraag of de in [X.] geboden zorg redelijkerwijs vergelijkbaar is
met de in Nederland aangeboden zorg. Appellant doelt daarbij op de eis
van een specifieke indicatie gericht op opname, samenhangende medische
en verpleegkundige behandelplannen en een multidisciplinaire
zorgorganisatie. Daarmee wordt volgens appellant de strekking van
artikel 34 van het Besluit zorgaanspraken miskend. Appellant persisteert
uitdrukkelijk bij zijn in eerdere instanties ingenomen standpunt dat er
sprake is van een verpleeginrichting. Ter adstructie is verwezen naar de
gedingstukken. Voorts zijn in hoger beroep getuigenverklaringen
ingezonden waaruit dit naar zijn inzicht blijkt.
Gedaagde heeft er in hoger beroep op gewezen dat slechts aanspraak op
vergoeding voor zorg verleend in het buitenland kan bestaan, indien
sprake is van zorg bedoeld in artikel 6 van de AWBZ, c.q. zorg
omschreven in het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering. Daarbij gaat het niet om de vraag welke zorg in
het buitenland feitelijk voorhanden en beschikbaar is, maar of de daar
aangeboden zorg zich kan kwalificeren als AWBZ-zorg. Gedaagde
beantwoordt deze vraag in het geval van [X.] ontkennend. Gewezen wordt
op een advies van de voormalige Ziekenfondsraad waarin wordt aangegeven
dat [X.] primair een hotel- of woonvoorziening is met als toegevoegde
mogelijkheid zorgarrangementen in de vorm van verpleging en/of
verzorging. Bij verpleeg- en verzorgingshuizen liggen de zaken volgens
gedaagde omgekeerd: daar zijn verpleging en verzorging primaire functies
waarmee verblijf als een noodzakelijk onderdeel is verbonden. Daarvan
uitgaande lijkt [X.] volgens gedaagde het meest op wat men in Nederland
een particulier verzorgingshuis of serviceflat zou noemen.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of gedaagde terecht
heeft geweigerd het verblijf en de verpleging van betrokkene in RRD in
de periode van 16 april 1996 tot 20 november 1996 en van 22 december
1996 tot 1 maart 1997 op grond van artikel 11 van de AWBZ te vergoeden.
Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of de in [X.] verleende
zorg redelijkerwijs vergelijkbaar is met in Nederland aangeboden zorg.
De Raad, die zich in de gegeven omstandigheden kan en zal beperken tot
het geschilpunt dat partijen verdeeld houdt, overweegt het volgende.
Blijkens artikel 6, eerste lid, van de AWBZ hebben verzekerden aanspraak
op zorg ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en
verzorging. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard,
inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat geregeld. Daarbij
kunnen met betrekking tot de inhoud en omvang van de desbetreffende zorg
beperkingen worden gesteld.
Artikel 10, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat de verzekerde, die zijn
aanspraak op zorg tot gelding wil brengen, zich voor het ontvangen van
de desbetreffende zorg (...) dient te wenden tot een persoon of
instelling naar eigen keuze, met wie of welke (...) de
ziektekostenverzekeraar (...) tot dat doel een overeenkomst heeft
gesloten (...). Blijkens het tweede lid van dit artikel kan bij
ministeriële regeling worden bepaald in welke gevallen en onder welke
voorwaarden door de ziektekostenverzekeraar aan een verzekerde
toestemming kan worden verleend zich voor het tot gelding brengen van
zijn aanspraak te wenden tot een persoon of inrichting buiten Nederland.
Artikel 11 van de AWBZ houdt in dat bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur wordt bepaald in welke mate en onder welke voorwaarden
aanspraak bestaat op een verstrekking of op een uitkering ter zake van
zorg, bedoeld in artikel 6, verleend in of buiten Nederland, in gevallen
waarin aan een verzekerde als gevolg van in die algemene maatregel van
bestuur omschreven omstandigheden zorg is verleend, welke hij, hadden
die omstandigheden zich niet voorgedaan, op de in artikel 10 omschreven
wijze had kunnen verkrijgen.
Ter uitvoering van onder meer artikel 6, eerste lid, en artikel 11 van
de AWBZ is het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering
(Besluit zorgaanspraken) vastgesteld. In dit besluit zijn de aanspraken
op verschillende vormen van zorg nader omschreven. In artikel 10, eerste
lid, van dit Besluit is opneming en verblijf in een verpleeginrichting
geregeld.
Artikel 34 van het Besluit heeft betrekking op de aanspraak op een
uitkering ter zake van kosten van zorg onder bijzondere omstandigheden.
Als bijzondere omstandigheid is onder meer aangemerkt tijdelijk verblijf
in het buitenland wegens uitoefening van beroep of bedrijf, of wegens
door de Ziekenfondsraad aan te geven redenen. Ingevolge artikel 3 van de
Regeling Ziekenfondsraad hulp in bijzondere omstandigheden (Regeling van
23 januari 1992, Stcrt. 20) wordt als andere reden van verblijf
aangemerkt elke andere reden dan de uitoefening van bedrijf of beroep.
Op grond van het bepaalde bij en krachtens artikel 10, gelezen in
samenhang met artikel 6, eerste lid, van de AWBZ heeft een verzekerde
ingevolge deze wet in beginsel, dat wil zeggen indien aan de daarvoor
gestelde voorwaarden is voldaan, aanspraak op bij of krachtens deze wet
geregelde vormen van zorg, daaronder begrepen, blijkens artikel 10 van
het Besluit zorgaanspraken, opneming en verder verblijf in een
verpleeginrichting, alsmede de door die inrichting te verlenen
geneeskundige hulp, verzorging, verpleging en behandeling. Ter zake van
de kosten van deze of daarmee redelijkerwijs gelijk te stellen zorg
bestaat in geval van tijdelijk verblijf in het buitenland als bedoeld in
artikel 34 van het Besluit zorgaanspraken aanspraak op een vervangende
uitkering.
Daargelaten of in het onderhavige geval is voldaan aan de overige bij c.q.
krachtens de artikelen 11 AWBZ en 34 van het Besluit zorgaanspraken
neergelegde voorwaarden beantwoordt de Raad de partijen verdeeld
houdende vraag of de in [X.] verleende zorg redelijkerwijs kan worden
gelijkgesteld met opneming, verblijf en geneeskundige hulp in een
verpleeginrichting, waarop in Nederland, overeenkomstig artikel 10,
eerste lid, van respectievelijk de AWBZ en het Besluit zorgaanspraken in
natura aanspraak bestaat, in aanmerking genomen de gedingstukken en het
verhandelde ter terechtzitting, ontkennend. Hij acht daarvoor maatgevend
dat [X.] geen zorginhoudelijke criteria hanteert voor de opname en het
verblijf van cliënten die de wens te kennen geven tijdelijk in deze
residentie te willen verblijven, hetwelk wezenlijk afwijkt van opneming
en verblijf in een in Nederland gevestigde verpleeginrichting. Voor de
Raad is voorts niet komen vast te staan dat de opname, het verblijf en
de verzorging van betrokkene in [X.] hebben plaatsgevonden op basis van
een specifiek daarop gerichte indicatiestelling, alsmede een
behandelplan, en dat betrokkene daar verpleegd en verzorgd is ter
uitvoering van zulk een plan. Verder acht de Raad het van belang dat
niet is gebleken dat aan [X.] een specifieke verpleeghuisarts is
verbonden. Dat een aan [X.] gelieerde, buiten [X.] praktijk voerende,
arts eenmaal in de week een bezoek brengt aan [X.] en verder op afroep
beschikbaar is, alsook dat contacten worden onderhouden met enkele
medisch specialisten, kan daarmee niet op één lijn worden gesteld.
Hieruit volgt dat gedaagde bij het bestreden besluit reeds op deze grond
terecht heeft beslist dat de kosten van verblijf en verpleging van
betrokkene in [X.] niet voor vergoeding op grond van de AWBZ in
aanmerking komen, zodat dit besluit in rechte stand houdt. Voorts volgt
hieruit dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van J.C.
Meijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 april 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) J.C. Meijer.
|
|