|
Uitspraak
00/218
AWBZ
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
O.W.M. Univé Zorgverzekeraar U.A., te Alkmaar, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 20 maart 1998 heeft gedaagde aan appellante voor het
jaar 1998 een persoonsgebonden budget toegekend.
Bij het bestreden besluit van 28 mei 1998 is het bezwaar tegen dat
besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Alkmaar heeft bij de aangevallen uitspraak van 8 december
1999 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar
die uitspraak wordt hierbij verwezen.
Namens appellante is mr. J.D. van Vlastuin, advocaat te Utrecht, op bij
beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 juni 2001, waar
voor appellante zijn verschenen mr. Van Vlastuin voornoemd, alsmede [A.]
en [B.], en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door S.J.
Lantinga, werkzaam bij gedaagde.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Vervolgens is met toestemming van partijen verder onderzoek ter zitting
achterwege gebleven.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren [in] 1969, is verstandelijk en lichamelijk
gehandicapt; voorts is zij autistiform en heeft zij gedragsstoornissen.
Appellante beschikt sinds 1996 over een persoonsgebonden budget (pgb)
bestemd voor zorg en begeleiding bij het wonen. Het budget bedroeg in
1996 f 60.000,-- en in 1997 f 65.000,--. Daarnaast ontving zij in die
jaren op grond van de AWBZ zorg in natura ten behoeve van haar
dagbesteding. Deze zorg in natura is per 1 januari 1998 beëindigd. Aan
appellante is voor het jaar 1998 aanvankelijk een pgb van f 65.000,--
toegekend welk bedrag bestemd was voor zowel het wonen als de
dagbesteding.
Aangezien dit bedrag niet voldoende bleek, heeft gedaagde, mede namens
appellante, bij de "RIPAT indicatiecommissie PGB" een
herindicatie van de zorgbehoefte van appellante aangevraagd.
Deze indicatiecommissie heeft zich in haar vergadering van 13 januari
1998 over deze adviesaanvraag gebogen. Zij heeft overwogen dat
appellante is geïndiceerd voor woontype 3 en dat het aanvankelijk
toegekende budget f 65.000,-- bedraagt, waarvan f 40.000,-- voor wonen
en f 25.000,-- voor dagbesteding. Vanwege de benodigde extra
verpleegkundige verzorging leek het de commissie echter gerechtvaardigd
om een budget voor wonen toe te kennen van f 65.000,-- en voor
dagbesteding van f 25.000,--. Blijkens het formulier indicatieadvies
stemt dit overeen met de (standaard) budgetcategorieën IV en VII van
Bijlage 2 van de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring persoonsgebonden
budget 1998 (hierna: de Regeling).
Gedaagde heeft aan appellante overeenkomstig dit advies bij primair
besluit van 20 maart 1998 voor het jaar 1998 een persoonsgebonden budget
van f 90.000,-- toegekend. Daarbij is overwogen dat het maximale budget
voor een volwassene ten behoeve van wonen en dagbesteding f 65.000,--
bedraagt en dat dit bedrag met toepassing van de hardheidsclausule is
verhoogd tot f 90.000,--.
Bij het bestreden besluit op bezwaar van 28 mei 1998 heeft gedaagde het
namens appellante ingediende bezwaar ongegrond verklaard en zijn in het
primaire besluit neergelegde standpunt gehandhaafd. Overwogen is dat
uitgebreid is gekeken naar de persoonlijke zorgbehoefte van appellante
en naar de kosten, die normaal gesproken met haar verzorging gemoeid
zijn. Daarbij is een vergelijking gemaakt met de intramurale situatie
zoals die voor appellante zou gelden. De indicatiecommissie heeft zich
volgens gedaagde niet gebaseerd op de gemiddelde verpleegprijs of de
gemiddelde kosten per opgenomen patiënt maar op de kosten die normaal
gesproken voor appellante gemaakt zouden zijn. Gedaagde is van oordeel
dat het advies van de adviescommissie voldoende gemotiveerd is. Het
gegeven dat zorgaanbieders een hogere offerte hebben opgesteld dan het
toegekende budget, is volgens gedaagde geen reden om het budget te
verhogen aangezien het budget wordt vastgesteld op basis van de
objectief vastgestelde zorgbehoefte en het daarop gebaseerde zorgplan.
Richtpunt is het bedrag dat daarvoor gemiddeld nodig is. Gedaagde is van
oordeel dat het pgb niet bedoeld is om een hogere vergoeding te
ontvangen dan bij zorg in natura besteed zou worden.
Namens appellante is in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat het
toegekende budget onvoldoende is om de benodigde zorg in te kopen: de
offerte voor zorg en begeleiding bij het wonen van de Stichting [X.]
komt uit op ruim f 80.000,--; met de dagbesteding is blijkens een opgave
van Esdege ruim 34.000,-- gemoeid. Namens appellante is bestreden dat de
kosten van zorg en begeleiding in een gezinsvervangend tehuis niet meer
bedragen dan ongeveer f 90.000,--. Met betrekking tot de kosten van
dagbesteding is aangevoerd dat deze in natura f 37.000,-- kost, reden
waarom een pgb van f 25.000,-- voor dit doel ontoereikend is. Met
betrekking tot beide vormen van zorg is aangegeven dat de hogere kosten
van zorg en begeleiding van appellante veroorzaakt worden door haar zeer
intensieve zorgbehoefte. Daarbij is erop gewezen dat appellante
meervoudig gehandicapt is. Verder is aangevoerd dat bij de toepassing
van de hardheidsclausule niet aangaat het toe te kennen budget te
maximaliseren omdat daarbij de individuele omstandigheden van het geval
maatgevend behoren te zijn. Gedaagde heeft dit miskend door bij de
toepassing van die clausule een combinatie van standaardbudgetten toe te
kennen.
Gedaagde heeft in beroep gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit
neergelegde standpunt. Daarnaast is aangevoerd dat blijkens de
toelichting op de Regeling bij het bepalen van een pgb geen rekening
behoort te worden gehouden met de hoogte van de uitgebrachte offertes,
maar dat uitsluitend de aard van de handicap van betekenis is. Bovendien
is een uitgangspunt dat de keuze voor zorg in natura of een pgb geen
voor- of nadeel mag inhouden voor de zorgvrager. Bij de zorg in natura
wordt de vergoeding voor instellingen vastgesteld op grond van de AWBZ.
Daarin is bepaald dat de vergoedingsregels worden vastgesteld door - ten
tijde van belang - het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg (COTG).
Op basis van de richtlijnen van het COTG wordt voor de zwaarste
categorie van patiënten voor een 24-uurs intramurale plaats (waarbij
voorzien is in zorg, begeleiding bij het wonen en de dagbesteding), bij
zorg in natura in de regio Noord-Holland een bedrag van f 108.000,-- per
jaar vergoed. De gemiddelde verpleegprijs voor alle categorieën samen
komt op f 95.000,-- per jaar uit. Om tot een vergelijking met een pgb te
komen wordt op het tarief van de naturazorg een korting van 20%
toegepast. Deze wordt berekend als compensatie voor de overheadkosten en
voor de algemene eigen bijdrage die bij zorg in natura wordt berekend.
Ook speelt de overweging een rol dat van ouders altijd een bepaalde mate
van zorgplicht tegenover de kinderen mag worden verwacht. Uitgaande van
deze gegevens en rekening houdende met de zwaarte van de handicap van
appellante en de daaruit voortvloeiende zorgvraag is de onderhavige pgb
op f 90.000,-- vastgesteld. Tenslotte heeft gedaagde naar voren gebracht
dat het appellante vrijstaat te opteren voor een pgb van f 65.000,-- ten
behoeve van het wonen en voor de dagbesteding een beroep te doen op zorg
in natura.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe
onder meer overwogen dat de wijze waarop gedaagde de hardheidsclausule
toepast door de rechter slechts marginaal kan worden getoetst. Deze
toetsing beperkt zich volgens de rechtbank tot de vraag "of
gedaagde bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de
genomen beslissing heeft kunnen komen dan wel anderszins in strijd heeft
gehandeld met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur." De
rechtbank is tot het oordeel gekomen dat niet kan worden gezegd dat
gedaagde buiten de grenzen van de hem toegekende discretionaire
bevoegdheid is getreden door bij de toepassing van de hardheidsclausule
aansluiting te zoeken bij de voor de zorg in natura toe te kennen
bedragen en het toe te kennen bedrag vervolgens met inachtneming van
voornoemde vergoedingsregels te maximaliseren. Zij heeft daarbij in
aanmerking genomen dat aan de Regeling het uitgangspunt ten grondslag
ligt dat de keuze voor zorg in natura of een pgb geen financieel voor-
of nadeel mag inhouden voor de zorgvrager. Zij achtte dit geen onjuist
dan wel anderszins onaanvaardbaar uitgangspunt. Dat daarbij - in het
verlengde van dit uitgangspunt - tenslotte geen doorslaggevend gewicht
wordt toegekend aan de door zorgaanbieders feitelijk uitgebrachte
offertes valt naar het oordeel van de rechtbank te billijken.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat artikel 12, vierde
lid, van de Regeling gedaagde de bevoegdheid geeft om aan degene die in
principe is ingedeeld in de (standaard)budgetcategorie VII (of VIII) in
gevallen van kennelijke hardheid een hoger budget toe te kennen dan het
standaardbudget. Blijkens de toelichting bij de Regeling gaat het om
bijzondere gevallen, waarin het objectief vaststaat dat, gelet op alle
omstandigheden, het budget gekoppeld aan de desbetreffende
budgetcategorie evident onredelijk is. Appellante acht het niet
aanvaardbaar dat gedaagde met de RIPAT indicatiecommissie PGB heeft
afgesproken dat het maximale pgb f 90.000,-- bedraagt. Dit tast naar
haar mening de onafhankelijkheid van het advies aan. Voorts gaat het
naar haar mening niet aan bij de toepassing van de hardheidsclausule
standaardbudgetten vast te stellen. De indicatiecommissie had moeten
kijken naar de werkelijke kosten van de naar objectieve maatstaven
individueel vast te stellen benodigde zorg. Voorts heeft de
indicatiecommissie naar haar mening ten onrechte verzuimd om de
afzonderlijke behoefte voor de zorgonderdelen begeleiding, verzorging,
verpleging, behandeling, (geneeskundig) onderzoek, advisering,
ondersteuning en verblijf vast te stellen. Voorts is onduidelijk waarom
de hardheidsclausule wel is toegepast bij het budget voor wonen, maar
niet voor dat van de dagbesteding. Gedaagde stelt zich verder op het
standpunt dat is aangetoond dat het toegekende pgb voor de dagbesteding
niet alleen substantieel tekortschiet ten opzichte van de geoffreerde
dagbesteding, maar ook ten opzichte van de kosten van dagbesteding in
natura.
Gedaagde heeft in hoger beroep benadrukt dat een individuele beoordeling
heeft plaats gevonden en dat de adviescommissie zich heeft gebaseerd op
het zorgplan opgesteld door de SPD. Appellant heeft naar haar mening
niet aangetoond dat de indicatiestelling onjuist is geweest. Gedaagde
ontkent dat met de indicatiecommissie de afspraak is gemaakt dat het bij
de toepassing van de hardheidsclausule toe te kennen budget maximaal f
90.000,-- zou mogen zijn. "Wanneer de indicatiecommissie zou hebben
aangegeven dat er sprake is van een nog zwaardere zorgbehoefte dan bij
de zwaarste categorie instellingsbewoners gebruikelijk, dan was de
vaststelling van een nog hoger budget in beginsel mogelijk
geweest." Gedaagde heeft voorts bestreden dat de hardheidsclausule
alleen met betrekking tot het wonen is toegepast. Zij stelt zich op het
standpunt dat de toegekende bedragen voor wonen en dagbesteding
onderling gebruikt mogen worden, mits het bedrag van f 90.000,-- maar
niet overschreden wordt. Bij de vaststelling van het pgb is rekening
gehouden met de kosten van zorg in natura. Daarop is een correctie
toegepast voor overheadkosten en de eigen bijdrage AWBZ, zoals
gebruikelijk bij de vaststelling van de standaard budgetcategorieën.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit in rechte stand houdt. Het volgende wordt overwogen.
Artikel 12, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat voor toekenning van
een persoonsgebonden budget uitsluitend in aanmerking komt de
verstandelijk gehandicapte die voldoet aan de indicatievereisten voor
één van de in bijlage 2 vermelde budgetcategorieën. Artikel 11,
eerste lid, van de Regeling bepaalt dat persoonsgebonden budgetten
uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van kosten van door de in
aanmerking komende verzekerden ingekochte zorgonderdelen: begeleiding,
verzorging, verpleging, behandeling, (geneeskundig) onderzoek,
advisering en ondersteuning en verblijf. Artikel 12, vierde lid, van de
Regeling bepaalt, voor zover hier van belang, dat het bestuursorgaan in
gevallen van kennelijke hardheid aan een verzekerde ingevolge de AWBZ
die wordt ingedeeld in de categorieën VII en VIII een hoger budget kan
toekennen dan het bij die categorieën behorende budget.
De Raad stelt vast dat het RIPAT indicatieorgaan PGB appellante geïndiceerd
heeft voor de indicatiecategorieën D en F van Bijlage 2 van de
Regeling. Daarbij behoort (standaard) budgetcategorie VII: f 65.000,--.
Categorie D betreft de begeleiding van een volwassene gedurende meer dan
25 uur buitenshuis. Hierbij kan worden gedacht aan volwassen personen
die met name overdag veel begeleiding nodig hebben. Tot deze groep
behoren personen die op grond van hun indicatie voor zorgonderdelen in
aanmerking komen voor een DVO in natura. Categorie F betreft, voor zover
hier van belang, verblijf en begeleiding van een volwassene gedurende
meer dan 25 uur per week. Hierbij kan worden gedacht aan een verzekerde
die in aanmerking komt voor langdurig verblijf (plus begeleiding) ten
laste van de AWBZ.
Voorts heeft het RIPAT indicatieorgaan PGB aangegeven dat de zorg voor
appellant dermate zwaar is dat een hoger budget dan het standaardbudget
VII noodzakelijk is.
Met betrekking tot de toepassing van de Regeling stelt de Raad voorop
dat een persoonsgebonden budget als het onderhavige uitsluitend bestemd
is voor voormelde zorgonderdelen als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
van de Regeling. Daarbij geldt, gelet op de toelichting bij Bijlage 2
van de Regeling, dat de verzekerde, om voor een pgb in aanmerking te
komen, in beginsel naar dezelfde normen dient te worden geïndiceerd als
bij ingevolge de AWBZ te verlenen zorg in natura. In de systematiek van
de Regeling ligt voorts het uitgangspunt besloten dat het bedrag
behorend bij de voor de verzekerde geïndiceerde budgetcategorie
maatgevend is voor de in te kopen zorg en geacht moet worden daarvoor
een toereikende tegemoetkoming te zijn. De Raad verwijst hiervoor naar
zijn uitspraak van 24 januari 2000, gepubliceerd in RSV 2000/52, welke
uitspraak betrekking heeft op een voorganger van de Regeling, te weten
de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring zorg op maat verstandelijke
gehandicapten 1997.
Het vorenstaande betekent dat een verzekerde in budgetcategorie VII met
een budget van f 65.000,-- in beginsel, dat wil zeggen behoudens
bijzondere omstandigheden, geacht wordt alle bij deze categorie
behorende zorgonderdelen, waaronder verblijf, te kunnen inkopen. De
enkele omstandigheid dat in incidentele gevallen sprake kan zijn van
kennelijke hardheid, wanneer wordt volstaan met toekenning van een
standaardbudgetbedrag van f 65.000,--, impliceert niet dat afbreuk wordt
gedaan aan deze systematiek. Gelet hierop kan de (subjectieve) wens van
de betrokken verzekerden ten aanzien van de omvang en de inrichting van
de zorg dan ook niet maatgevend worden geacht voor de hoogte van het toe
te kennen persoonsgebonden budget.
Bij het licht hiervan spitst de beoordeling zich toe op de vraag of, nu
het bestreden besluit de toepassing van een discretionaire bevoegdheid
in het kader van een hardheidsclausule betreft, gezegd moet worden dat
gedaagde niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen dan wel
anderszins heeft gehandeld in strijd met enige regel van geschreven of
ongeschreven recht.
De Raad beantwoordt die vraag als volgt.
Van betekenis is dat de Regeling geen dwingend richtsnoer aan de
contactkantoren oplegt voor de bij de toepassing van de
hardheidsclausule te volgen berekeningswijze en dat de voormalige
Ziekenfondsraad daarvoor ook anderszins geen aanwijzingen heeft gegeven.
Het staat de contactkantoren derhalve in beginsel vrij bij de toepassing
van de hardheidsclausule uit te gaan van een eigen berekeningswijze. De
uitoefening van deze bevoegdheid kan ertoe leiden dat de keuzevrijheid
van de belanghebbende verzekerde met betrekking tot de omvang en
inrichting van de op grond van het pgb in te kopen gewenste zorg wordt
beperkt, mits de naar redelijkheid niet te vermijden kosten, verbonden
aan de blijkens de indicatie noodzakelijke zorg, grosso modo uit het pgb
kunnen worden betaald. Het toekennen van een pgb mag er blijkens de
toelichting van de - voormalige - Ziekenfondsraad immers niet toe leiden
dat de keuze voor zorg in natura of een persoonsgebonden budget tot
(financieel) voor- of nadeel bij de zorgvrager leidt. Hierin ligt
besloten dat, indien het indicatieorgaan, zoals in casu, tot de
conclusie komt dat meer zorg en dergelijke noodzakelijk is dan grosso
modo kan worden bestreden uit het standaardbudget, ten aanzien van elk
van de in artikel 11, eerste lid, van de Regeling genoemde
zorgonderdelen, zoveel doenlijk, concreet wordt aangegeven in welke mate
zorg en begeleiding nodig is, opdat mede aan de hand daarvan kan worden
aangegeven welke kosten in redelijkheid geacht moeten worden verbonden
te zijn met realisering van de aanspraken van de betrokken verzekerde
ingevolge de AWBZ (zorg in natura). Uitgaande van deze indicatie en deze
kostenraming brengt voormelde, blijkens de toelichting bij de Regeling
door de regelgever voorgestane, benadering van zorg in natura en pgb mee
dat het budget waarvoor de aanvrager van een pgb in aanmerking komt min
of meer in verhouding staat tot de kosten van deze zorg in natura.
Met betrekking tot de vraag of bij het bepalen van de hoogte van het
onderhavige pgb de overheadkosten mogen worden afgetrokken van de
geraamde kosten van zorg in natura, acht de Raad door gedaagde niet
aannemelijk gemaakt dat appellant de voor hem noodzakelijke zorg in
redelijkheid had kunnen verkrijgen tegen een prijs waarin geen
overheadkosten zijn verdisconteerd. De Raad acht voorts, gelet op de ter
beschikking staande gegevens, door gedaagde onvoldoende deugdelijk
gemotiveerd dat het in casu aanvaardbaar is de kosten van huisvesting
van de instelling, waarin zorg in natura kan worden verkregen, in de
door gedaagde voorgestane omvang van de kosten van de opvang in natura
af te trekken. Mede in aanmerking genomen de zorgcomponent
"verblijf" in artikel 11, eerste lid, van de Regeling levert
de door gedaagde aangevoerde omstandigheid dat de huisvestingskosten van
instellingen sterk kunnen verschillen, op zichzelf genomen geen grond op
om die kosten geheel in mindering te brengen.
Tegen de achtergrond van het vorenoverwogene stelt de Raad vast dat het
te dezen bestreden besluit gebaseerd is op een onvoldoende uitgewerkte
indicatie met betrekking tot de in artikel 11, eerste lid, van de
Regeling bedoelde zorgonderdelen. Mede in verband daarmee heeft gedaagde
in het onderhavige geval bij de toepassing van de hardheidsclausule op
ontoereikende gronden aangenomen dat de voor appellante geïndiceerd te
achten zorg grosso modo tegen de door gedaagde aangenomen kosten kan
worden verkregen en op basis daarvan de hoogte van het in casu omstreden
pgb vastgesteld. De in geding zijnde gestelde vraag moet derhalve
bevestigend worden beantwoord.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden
en dat dit besluit dient te worden vernietigd. Hetzelfde geldt voor de
aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. Gedaagde
zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met in acht neming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 322,-- in eerste aanleg en € 644,-- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep.
Gelet op het vorenstaande, alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en
25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het
door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte
griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde op het bezwaar van appellante dient te beslissen
met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
tot een bedrag van € 322,-- in hoger beroep tot een bedrag van €
644,--;
Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van € 99,83
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29
maart 2002.
(get.) R.M. van Male.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|