|
Uitspraak
01/253
AWBZ en 02/2337 AWBZ
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
O.W.M. Zilveren Kruis Ziekenfonds U.A., gevestigd te Rotterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij besluit van 2 september 1999 heeft gedaagde de eigen bijdrage in de
kosten van zorg, als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), verleend door de [X.] Groep, voor de
periode van 17 september 1998 tot en met 31 juli 1999 vastgesteld op f
5.603,86.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij het
bestreden besluit van 2 maart 2000 (besluit 1) gegrond verklaard en
gelast dat het zorgkantoor een nieuw besluit zou nemen.
De rechtbank Rotterdam heeft het beroep tegen besluit 1 bij de
aangevallen uitspraak van 20 november 2000 gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd en gedaagde gelast een nieuw besluit te nemen met
inachtneming van die uitspraak. Voorts is gedaagde veroordeeld tot
vergoeding van wettelijke rente en griffierecht.
Namens appellant is [vader van], zijn vader, op bij beroepschrift - met
bijlagen - aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft in die uitspraak berust en ter uitvoering ervan het
besluit van 28 december 2000 (besluit 2) genomen. Daarin is de eigen
bijdrage van appellant beperkt tot de periode van 1 april 1999 tot en
met 31 juli 1999 en vastgesteld op f 519,93 per maand.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad van 12 juni
2002. Voor appellant zijn daar verschenen [vader van] en [moeder van],
zijn ouders. Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr.
M.P. Gschwind.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant, geboren [in] 1976, is van 30 september 1997 tot 15 november
1999 opgenomen geweest in het psychiatrisch ziekenhuis [X.] te
[vestigingsplaats (hierna: [X.]). Gedaagde heeft hem in verband daarmee
bij het in rubriek I genoemde primaire besluit van 2 september 1999 een
eigen bijdrage, als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de AWBZ,
opgelegd over de periode van 17 september 1998 tot en met 31 juli 1999.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellant tegen dat besluit bij besluit 1
gegrond verklaard en aan het zogeheten Zorgkantoor opdracht gegeven een
nieuw besluit te nemen overeenkomstig zijn in besluit 1 opgenomen
overwegingen. Gedaagde heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het op
zijn weg had gelegen om appellant voorafgaande aan het tweede opnamejaar
te informeren over de financiële consequenties van verlenging van de
opname na het eerste opnamejaar, maar dat hij ten onrechte verzuimd
heeft dat te doen. Aan appellant is eerst eind maart 1999 medegedeeld
dat vanaf het tweede opnamejaar een eigen bijdrage verschuldigd is,
zodat de verschuldigde bijdrage, naar het oordeel van gedaagde, gelet op
het rechtszekerheidsbeginsel, geen betrekking kan hebben op het tijdvak
vóór 1 april 1999.
De ouders van appellant hebben zich hiermee, in hun hoedanigheid van
zaakwaarnemers en gemachtigden van appellant, niet kunnen verenigen
omdat zij van mening zijn dat de in [X.] verleende zorg verregaand onder
de maat is gebleven, van welke mening zij een en andermaal mondeling en
schriftelijk hebben doen blijken aan de verpleegkundige staf en de
directie van [X.], de Inspectie voor de Volksgezondheid en het
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ook bij gedaagde
hebben zij geklaagd over de kwaliteit van de aan hun zoon geboden zorg.
Vanwege gedaagde is onderzoek naar de gegrondheid van de klachten
toegezegd, maar omtrent de voortgang en resultaten ervan zijn de ouders
eerst hangende het beroep bij de rechtbank - toen gedaagde daarop
betrekking hebbende stukken inzond - geïnformeerd. Voorts moet worden
vastgesteld dat stukken die betrekking hebben op de kwaliteit van de
behandeling van appellant in [X.] door gedaagde aanvankelijk buiten het
bezwaardossier zijn gehouden, en daaraan pas zijn toegevoegd nadat de
vader van appellant daarop had gewezen. Appellants ouders zijn van
mening dat de kwaliteit van de zorg in [X.] slechts een halve eigen
bijdrage kan rechtvaardigen. Voorts zijn zij van mening dat de
(administratieve) behandeling van de zaak door gedaagde zo onzorgvuldig
is geweest dat de daardoor bij hen veroorzaakte materiële en immateriële
schade dient te worden vergoed. Appellant heeft ter zake van de
kwaliteit van de zorg in [X.] een schadevergoedingsprocedure gevoerd bij
de burgerlijke rechter. De kantonrechter te Rotterdam heeft de vordering
tot vergoeding van materiële en immateriële schade, nadat tegen [X.]
verstek was verleend, bij vonnis van 27 februari 2001 toegewezen en [X.]
veroordeeld tot betaling van f 10.000,--. [X.] heeft dit bedrag
inmiddels betaald.
Appellant wenst met zijn (hoger) beroep te bereiken dat de opgelegde
eigen bijdrage gehalveerd wordt en dat gedaagde wordt veroordeeld tot
vergoeding van materiële en immateriële schade, welke hij begroot op f
10.000,-- (€ 4.537,80).
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat hetgeen bij en krachtens de
AWBZ is bepaald met betrekking tot het opleggen van een eigen bijdrage
imperatief, alsmede dwingendrechtelijk van aard is en geen ruimte biedt
om rekening te houden met de kwaliteit van de geboden zorg en die van de
gevalsbehandeling door zijn administratie.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit 1 gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Zij heeft daartoe overwogen dat gedaagde er, gelet op artikel 7:11,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ten onrechte mee
heeft volstaan het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van
2 september 1999 gegrond te verklaren en niet tevens dat besluit heeft
herroepen en vervangen door een nieuw besluit. De rechtbank was voorts -
samengevat - van oordeel dat gedaagde terecht tot het nader inzicht is
gekomen dat het rechtszekerheidsbeginsel meebrengt dat niet eerder dan
met ingang van 1 april 1999 een eigen bijdrage kan worden geheven van
appellant. Verder heeft zij gedaagde veroordeeld tot vergoeding van de
wettelijke rente over een bedrag aan eigen bijdrage dat appellant, naar
achteraf moet worden vastgesteld, ten onrechte aan gedaagde heeft
betaald. De door appellant gevorderde materiële schadevergoeding heeft
zij voor het overige afgewezen omdat haar niet gebleken was dat deze
geleden is ten gevolge van het vernietigde besluit 1. De gevorderde
immateriële schadevergoeding heeft zij evenzeer afgewezen. Zij was van
oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat appellant dan wel zijn
ouders, los van de klachten over de behandeling in [X.], zodanig onder
besluit 1 hebben geleden dat sprake was van geestelijk leed dat kan
worden beschouwd als een aantasting van de persoon als bedoeld in
artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Gedaagde heeft in die uitspraak berust en ter uitvoering ervan besluit 2
genomen. Bij dat besluit is aan appellant een eigen bijdrage opgelegd
van f 519,93 per maand over de periode van 1 april 1999 tot en met 31
juli 1999.
De Raad is van oordeel dat besluit 2 moet worden aangemerkt als een
besluit, zoals bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb.
Aangezien dit besluit niet volledig aan het beroep tegemoetkomt, wordt
het hoger beroep, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19, eerste
lid, juncto 6:24 van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.
In hoger beroep hebben partijen gepersisteerd bij de in eerste aanleg
ingenomen standpunten.
Het hoger beroep heeft blijkens het verhandelde ter zitting van de Raad
geen betrekking op de aangevallen uitspraak, voor zover gedaagde daarin
is veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente.
Verder moet worden vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is
dat de rechtbank besluit 1 terecht heeft vernietigd wegens strijd met
het bepaalde in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb. De Raad
onderschrijft het oordeel van de rechtbank op dit punt, waaruit volgt
dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden bevestigd.
De Raad dient gelet op het vorenstaande de vraag te beantwoorden of
gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld, zoals neergelegd
in besluit 2, dat van appellant over de periode van 1 april 1999 tot en
met 31 juli 1999 een volledige eigen bijdrage moet worden geheven.
Hij beantwoordt die vraag als volgt.
Artikel 6, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat de verzekerden ingevolge
die wet aanspraak op zorg hebben ter voorkoming van ziekten en ter
voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging
en dat de uitvoeringsorganen zorg dragen dat de bij hen ingeschreven
verzekerden hun aanspraak op zorg tot gelding kunnen brengen. Voorts
bepaalt dit artikellid dat bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat
worden geregeld. De verzekerde die zijn aanspraak op zorg tot gelding
wil brengen, dient zich, gezien artikel 10, eerste lid, van de AWBZ,
voor zover hier van belang en behoudens uitzonderingen, voor het
ontvangen van de betreffende zorg te wenden tot een persoon of
(toegelaten) instelling naar eigen keuze, met wie of welke het
uitvoeringsorgaan, waarbij hij is ingeschreven, tot dat doel een
overeenkomst heeft gesloten.
Blijkens artikel 6, derde lid, van de AWBZ kan bij algemene maatregel
van bestuur als voorwaarde voor het verkrijgen van een verstrekking
worden gesteld, dat de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan.
Artikel 2, eerste lid, van de desbetreffende algemene maatregel van
bestuur, het Bijdragebesluit zorg (het Besluit), bepaalt dat de
verzekerde van 18 jaar of ouder bijdraagt in de kosten van de zorg,
verleend door een instelling of verzorgingshuis. Hij is deze bijdrage,
welke wordt vastgesteld volgens de in het Besluit gegeven regels van
dwingendrechtelijke aard, volgens artikel 3, eerste lid van het Besluit,
verschuldigd aan het uitvoeringsorgaan.
De Raad leidt uit vorenstaande bepalingen, in hun onderlinge samenhang
bezien, af dat het uitvoeringsorgaan waarbij de verzekerde, aan wie zorg
is verleend in een instelling of verzorgingshuis, staat ingeschreven,
gehouden is van hem of haar een eigen bijdrage te heffen overeenkomstig
hetgeen dwingendrechtelijk is voorgeschreven in het Bijdragebesluit
zorg, indien de verleende zorg zich kan kwalificeren als zorg waarop de
verzekerde overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de AWBZ recht
heeft.
De Raad stelt vast dat gedaagde in de door appellants ouders
gemotiveerde en geadstrueerde klachten geen aanleiding heeft gevonden om
te onderzoeken of de door [X.], een toegelaten instelling als bedoeld in
artikel 8, eerste lid, van de AWBZ, verleende zorg zich kan kwalificeren
als zorg waarop appellant op grond van de AWBZ recht heeft en waarvoor
van hem op grond van het bepaalde bij en krachtens de AWBZ een eigen
bijdrage moet worden geheven. Weliswaar is vanwege gedaagde onderzoek
naar de gegrondheid van deze klachten toegezegd en (gedeeltelijk)
verricht, maar nimmer met het oog op de vraag of zorg is verleend als
bedoeld in de AWBZ en op de mogelijke consequenties van het antwoord op
die vraag voor de heffing van de eigen bijdrage. Gedaagde heeft zich
steeds op het, gezien het voorafgaande onjuiste, standpunt gesteld dat
de kwaliteit van de geboden zorg nimmer consequenties kan hebben voor
deze heffing. De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde in de
bezwaarprocedure ten onrechte voorbij is gegaan aan dit aspect van zijn
verantwoordelijkheid bij de uitvoering van de uit de van toepassing
zijnde wetgeving voortvloeiende opdracht ervoor zorg te dragen dat de
betrokken verzekerden hier aanspraak op zorg tot gelding kunnen brengen.
De Raad vindt voor dit oordeel mede steun in Hoofdstuk VI van de AWBZ
dat ziet op de inhoud en de totstandkoming van de in artikel 10, eerste
lid, van de AWBZ bedoelde overeenkomsten die uitvoeringsorganen met
zorgaanbieders sluiten. Het van dat hoofdstuk deel uitmakende artikel
42, vierde lid, van de AWBZ bepaalt dat deze overeenkomsten in ieder
geval ook bepalingen omtrent de kwaliteit van de zorg en de
doelmatigheid van de zorgverlening dienen te bevatten. Artikel 9 van de
van toepassing zijnde (model)overeenkomst bepaalde ten tijde in geding
dat de instelling zorg van kwalitatief verantwoord niveau zal verlenen
en dat voor het begrip verantwoorde zorg wordt uitgegaan van de
omschrijving in de Kwaliteitswet zorginstellingen. Onder verantwoorde
zorg wordt in artikel 2 van die wet verstaan: "zorg van goed
niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht
wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de patiënt".
Het tweede lid van artikel 9 van de (model)overeenkomst bepaalde dat de
instelling erop toeziet dat de medewerkers blijven beschikken over
kennis en kunde die voor een kwalitatief verantwoorde zorg noodzakelijk
is en het derde lid dat het uitvoeringsorgaan het zijne bijdraagt aan de
totstandkoming van de goede voorwaarden ter bevordering van een
kwantitatief voldoende en kwalitatief verantwoorde zorg. Het achtste lid
voegde daaraan toe dat de instelling een klachtenregeling in stand zal
houden waarover zij volgens artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c,
verzekerden, hun vertegenwoordigers, of hun familie schriftelijk
voorlichtingsmateriaal dienen te verstrekken. Artikel 15 van de
(model)overeenkomst voorzag er verder in dat het uitvoeringsorgaan
gerechtigd is controle uit te oefenen op de verleende zorg
overeenkomstig het bij of krachtens het Besluit controletaak
uitvoeringsorganen AWBZ (KB 13 april 1984, Stb. 229) bepaalde en dat de
instelling verplicht is aan het uitvoeringsorgaan desgevraagd de
inlichtingen te verschaffen die redelijkerwijs nodig zijn voor een
inzicht in de nakoming door de instelling van haar in de overeenkomst
aangegane verplichtingen, met in achtneming van het bepaalde bij of
krachtens de AWBZ. In artikel 3 van het genoemde Besluit is tenslotte
bepaald dat de uitvoeringsorganen controle uitoefenen op (onder meer)
een, zowel naar prestatie als naar kosten, verantwoorde uitvoering van
de eerder bedoelde overeenkomsten.
Naar het oordeel van de Raad kan uit het samenstel van deze
voorschriften, in hun onderlinge samenhang gelezen, niet anders worden
afgeleid dan dat uitvoeringsorganen als gedaagde, een controlerende taak
hebben jegens zorgaanbieders als [X.], met betrekking tot de kwaliteit
van de door die zorgaanbieders verstrekte zorg.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het in de besluiten 1 en 2
neergelegde standpunt van gedaagde in rechte geen stand kan houden
wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:4, eerste lid,
van de Awb. Dit betekent dat het beroep tegen besluit 2 gegrond is en
dat dit besluit dient te worden vernietigd. Gedaagde zal een nieuw
besluit dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak
overwogen is.
De Raad zal zich, gelet hierop, onthouden van een oordeel over de
gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding. Gedaagde zal
zich hierover moeten uitlaten in het te nemen besluit op bezwaar.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast
dat het door appellant in hoger beroep gestorte griffierecht dient te
worden vergoed.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond;
Vernietigt besluit 2;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt met in achtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van het door appellante in hoger
beroep gestorte griffierecht ten bedrage van € 77,14 (f 170,--).
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van N.J.
Stolten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) N.J. Stolten.
|
|