|
Uitspraak
00/1644
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 16 juli 1998 is appellante vanwege gedaagde in kennis
gesteld van het besluit dat zij ten behoeve van haar zoon [naam kind],
geboren [in] 1990, geen recht heeft op een tegemoetkoming ingevolge de
Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en
ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen (Besluit van 7 april 1997/nr.SV/VP/97/1406
Directie Sociale Verzekeringen, Stcrt. 1997, 67; hierna: de TOG-regeling).
Die weigering is gebaseerd op het standpunt dat [naam kind] niet
meervoudig gehandicapt, ernstig lichamelijk gehandicapt of chronisch
ziek is.
Het tegen voormeld besluit ingediende bezwaarschrift is door gedaagde
bij besluit op bezwaar van 7 januari 1999 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft het tegen het besluit
op bezwaar ingestelde beroep bij uitspraak van 24 februari 2000
ongegrond verklaard.
Van die uitspraak is mr J.P.M. Castelein, advocaat te Dordrecht, namens
appellante in hoger beroep gekomen op daartoe bij beroepschrift (met
bijlagen) aangevoerde gronden.
Bij brief van 6 juni 2000 heeft gedaagde een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 november
2000, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.P.M.
Castelein voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. K.C.M. van Engelenhoven-Eijkelkamp en drs. A. Zwierzina,
respectievelijk werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank en bij Argonaut/ZVN-Advies.
II. MOTIVERING
Voor de gegevens van feitelijke aard en de tekst van artikel 3 van de
TOG-regeling verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
Aan het bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat [naam
kind] - die een aan autisme verwante contactstoornis heeft - niet
meervoudig gehandicapt is, omdat hij weliswaar zintuiglijk maar niet
lichamelijk of (duidelijk) verstandelijk gehandicapt is.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten en heeft
daartoe onder meer het volgende overwogen:
"Voor de toepassing van artikel 3 van de regeling TOG wordt
krachtens een beleidsregel van de Sociale Verzekeringsbank onder
meervoudig gehandicapt in de zin van deze bepaling tevens verstaan een
combinatie van een verstandelijke handicap met:
- motorische beperkingen, waarbij sprake is van een evidente lichamelijk
handicap; of
- motorische beperkingen ten gevolge van een door de verstandelijke
handicap ontstane motorische ontwikkelingsachterstand; of
- niet te corrigeren zintuiglijke beperkingen die leiden tot een ernstig
gestoorde communicatie met anderen; of
- een chronische ziekte die leidt tot ernstige lichamelijke beperkingen.
De rechtbank, van oordeel zijnde dat verweerder met de vaststelling van
deze beleidsregel is gebleven binnen redelijke (beleids)grenzen,
onderschrijft verweerders opvatting dat in het geval van [naam kind],
ook met inachtneming van de door verweerder gehanteerde ruimere
interpretatie van het basiscriterium meervoudige handicap zoals vervat
in de Regeling TOG, niet kan worden gesproken van een combinatie van een
verstandelijke en een lichamelijke, dan wel zintuiglijke handicap, reeds
omdat van een verstandelijke handicap bij [naam kind] geen sprake
is."
De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd en ook overigens
geen aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank voor
onjuist te houden. De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel
dat [naam kind] niet meervoudig gehandicapt is in de zin van de
TOG-regeling, omdat bij hem een aan autisme verwante contactstoornis is
vastgesteld, doch geen combinatie van handicaps zoals bedoeld in deze
Regeling.
Voor dat oordeel heeft de Raad met name steun gevonden in het ZVN-advies
van 8 juli 1998 en in de daarbij behorende aantekeningen naar aanleiding
van het huisbezoek d.d. 5 mei 1998.
De Raad merkt tot slot nog op dat hij voor het namens appellante
verdedigde standpunt, inhoudende dat gedaagde -gelet op de twee
overgelegde beschikkingen van de SVB Roermond d.d. 1 december 1998 en de
SVB Eindhoven d.d. 10 december 1997- het gelijkheidsbeginsel heeft
geschonden, onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden.
Wat die eerste beschikking betreft verwijst de Raad kortheidshalve naar
hetgeen de rechtbank in dat verband heeft overwogen, en wat de tweede
beschikking betreft sluit de Raad zich aan bij hetgeen gedaagde in dat
kader bij verweerschrift in hoger beroep heeft opgemerkt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van het bepaalde in
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. J.M.A. van der
Kolk-Severijns en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr.
E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
22 december 2000.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|