|
Uitspraak
00/1482
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1.1. Bij besluit van 8 juli 1998 heeft gedaagde aan appellante kennis
gegeven van het besluit om niet terug te komen van zijn eerdere besluit
van 30 juli 1997, waarbij haar een tegemoetkoming op grond van de
Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en
ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen (TOG-regeling) is geweigerd.
1.2. Het tegen het besluit van 8 juli 1998 ingediende bezwaar is door
gedaagde bij besluit van 11 februari 1999 (het bestreden besluit)
ongegrond verklaard.
1.3. De Arrondissementsrechtbank te Maastricht heeft het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 8 februari 2000
ongegrond verklaard.
1.4. Namens appellante is mr. B.E.H. Seegers, advocaat te Maastricht van
deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift
(met bijlage) aangevoerde gronden.
1.5. Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend.
1.6. Bij brieven van 20 november 2000 en 26 maart 2001 zijn van de zijde
van appellante nader stukken in geding gebracht.
1.7. Gedaagde heeft bij schrijven van 3 april 2001 (met bijlage) een
reactie ingezonden.
1.8. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 april 2001,
waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.G. van
der Wouw, kantoorgenoot van mr. Seegers, voornoemd. Gedaagde heeft zich
doen vertegenwoordigen door mr. K.C.M. van Engelenhoven en drs. A.
Zwierzina-Knol.
2. MOTIVERING
2.1. Voor een uitgebreide weergave van de aan het bestreden besluit
voorafgegane relevante feiten en regelgeving verwijst de Raad naar
rubriek II sub A en E van de aangevallen uitspraak.
2.2. De Raad stelt voorop, dat hij het primaire besluit, waarbij
gedaagde geweigerd heeft terug te komen van zijn eerdere besluit van 30
juli 1997, leest als een weigering om positief te beslissen op een
aanvraag van appellante van 13 maart 1998 - die is gehandhaafd bij de
beslissing op bezwaar -, nu uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde
naar aanleiding van zowel de bijstelling van de criteria van de
TOG-regeling met ingang van 12 november 1997 als de door appellante in
haar verzoek om herziening bedoelde nieuwe medische gegevens de situatie
naar de datum van het herzieningsverzoek heeft beoordeeld.
2.3. In hoger beroep betreft het geschil tussen partijen uitsluitend de
vraag of appellantes zoon [naam kind], geboren 20 januari 1994, ten
tijde in geding is aan te merken als meervoudig gehandicapt in de zin
van artikel 3 van de TOG-regeling. Het geschil spitst zich daarbij toe
op de vraag of [naam kind] geestelijk gehandicapt is in de zin van
genoemd artikel.
2.4. Gedaagde heeft zich in het voetspoor van het door H.J.F.M. Baggen,
arts bij ZVN Advies N.V., uitgebrachte advies d.d. 18 mei 1998 op het
standpunt gesteld dat er geen sprake is van een geestelijke handicap.
Gedaagde merkt een kind aan als verstandelijk gehandicapt als dit kind
cognitief gezien niet in staat is om de basisschool af te maken en/of
een vastgesteld intelligentiequotiënt heeft van lager dan 70, waarbij
nog enige marge wordt aangehouden. Aangezien er volgens gedaagde bij
[naam kind] sprake is van een gemiddelde cognitieve aanleg en hij een IQ
van 102 heeft, is hij niet aangemerkt als verstandelijk gehandicapt.
2.5. De rechtbank heeft terzake het volgende overwogen:
"Op grond van de gedingstukken komt wel een
ontwikkelingsachterstand op taal/spraakgebied bij [naam kind] naar
voren, maar deze is niet dusdanig dat gesproken kan worden van een
verstandelijke handicap.
Ook de van de kant van eiseres overgelegde verklaring van drs. Weber
werpt - anders dan de raadsman ter zitting heeft betoogd - geen ander
licht op de zaak.
De door eiseres geschetste gedragsproblemen, zoals [naam kind]s
driftaanvallen, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet beschouwd
worden als een lichamelijke of verstandelijke handicap als bedoeld in de
TOG."
2.6. In hoger beroep is van de kant van appellante gesteld dat niet
duidelijk is, waarop de beide door gedaagde gestelde
"voorwaarden" voor het bestaan van een verstandelijke handicap
zijn gebaseerd. Voorts wijst appellante op het rapport van 7 januari
1999 van de kinderneuroloog F.J.M. Gabreëls waarin wordt vermeld dat
[naam kind] op het niveau van drie jaar is blijven steken, terwijl hij
toen al vijf jaar oud was en op informatie van het medisch
kleuterdagverblijf, waarin - aldus appellante - wordt aangegeven dat
[naam kind] over cognitieve mogelijkheden beschikt op zwakbegaafd
niveau. Appellante beroept zich voorts op de brief van 12 april 1999 van
de kinderneuroloog J.W. Weber, die daarin aangeeft, dat het bij [naam
kind] gaat om een meervoudige handicap; er zijn zowel gevolgen op
lichamelijk als op geestelijk functioneren.
2.7. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde geen onredelijke normen
ter toetsing van de aanwezigheid van een verstandelijke handicap
aangelegd. Zijdens gedaagde is ter zitting door de arts A.
Zwierzina-Knol uiteengezet dat het een internationaal aanvaard en
gebruikelijk uitgangspunt is dat er bij een IQ dat lager is dan 70,
wordt gesproken over een verstandelijke handicap. De Raad heeft geen
aanwijzingen om deze stelling, die van de zijde van appellante niet is
weersproken, voor onjuist te houden.
2.8. Omtrent het verstandelijk functioneren van [naam kind] zijn zowel
voorafgaand aan het bestreden besluit als na die tijd veel rapporten van
medische en/of psychologische aard uitgebracht. De Raad noemt onder
andere de adviezen van ZVN Advies N.V. van 18 juni 1997, 26 januari
1998, 18 mei 1998 en 28 januari 1999, de brief van prof. dr. F.J.M.
Gabreëls van 7 januari 1999, informatie van het medisch
kleuterdagverblijf Giezenhoove van 14 januari 1999, de brief van 12
april 1999 van de kinderneuroloog J.W. Weber, het rapport van de
klinisch psycholoog/psychotherapeut J.M.G. Maurer en de rapportage van
de neuropsycholoog dr. E.J.T. Matser.
Uit al deze informatie blijkt dat er weliswaar gebreken zijn in het
geestelijk functioneren van [naam kind] - hetgeen zich onder meer uit in
gedragsproblemen -, maar dat deze niet zijn te kenmerken als een
verstandelijke handicap. Uit de rapporten blijkt immers dat het
gemiddeld IQ van [naam kind] ligt boven de 70, dat zijn verstandelijk
vermogen wordt aangeduid als laag normaal tot zwakbegaafd en dat hij ten
tijde in geding van belang over gemiddeld cognitieve capaciteiten
beschikte. Dit laatste vindt bevestiging in het feit, dat blijkens de
door appellante in geding gebrachte rapportage van dr. Matser [naam
kind] op de mythylschool voldoende didactische vorderingen maakt.
Appellante heeft ter zitting ook bevestigd dat [naam kind] tot op heden
goed heeft kunnen meekomen op school.
Gedaagde heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat [naam
kind] niet meervoudig gehandicapt is in de zin van artikel 3 van de
TOG-regeling.
2.9. Naar in het voorgaande ligt besloten faalt het ingestelde hoger
beroep. De aangevallen uitspraak komt dan ook, voorzover aangevochten
voor bevestiging in aanmerking.
2.10. De Raad acht - ten slotte - geen termen aanwezig om toepassing te
geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
3. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A.H. Huls.
|
|