|
Uitspraak
99/1744
AWBZ
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
Onderlinge Waarborgmaatschappij Zilveren Kruis Spaarneland Verzekeringen
U.A., gevestigd te Heemstede, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 10 juli 1995 heeft gedaagde aan appellant mededeling
gedaan van het - thans bestreden - besluit dat haar verzoek om ingevolge
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) in aanmerking te worden
gebracht voor verstrekking van een duwrolstoel, is afgewezen.
De Commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad heeft bij brief
van 20 februari 1996 kennis gegeven van haar standpunt dat het bestreden
besluit van gedaagde juist moet worden geacht.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 16
februari 1999 het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. H.M. van Dam, advocaat te Haarlem, op bij
beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraken in hoger beroep
gekomen. Bij schrijven van 27 september 1999 zijn de gronden van het beroep aangevuld. Bij brief
van 30 november 1999 zijn nadere stukken ingezonden.
Gedaagde heeft bij brief van 9 december 1999 een verweerschrift
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 februari 2000, waar voor appellante is verschenen
mr. Van Dam voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. R.W. Bestebreurtje, juridisch medewerker bij
OWM Zilveren Kruis Ziekenfonds U.A. te Rotterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende - door partijen niet betwiste - feiten
en omstandigheden.
Appellante is ernstig gehandicapt tengevolge van mutiple sclerose en
volledig rolstoelafhankelijk. Zij verblijft permanent in de ingevolge
artikel 8 van de AWBZ erkende instelling [naam instelling] te
[vestigingsplaats]. Zij beschikt over een elektrische rolstoel voor
gebruik binnen de instelling die haar ten laste van de AWBZ is
verstrekt. Zij gebruikt deze rolstoel in en om de gebouwen van de
instelling. Omdat deze rolstoel ongeschikt is voor gebruik in
niet-aangepaste omgevingen, zoals veel woningen en winkels, heeft
appellante aanvragen ingediend voor verstrekkingen van een duwrolstoel
in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de AWBZ. De
aangevraagde rolstoel is mede bedoeld voor bezoeken aan familie en
kennissen en om op vakantie te kunnen gaan.
Burgemeester en wethouders van Zandvoort hebben de aangevraagde
duwrolstoel in het kader van de Wvg bij besluit van 2 maart 1995
afgewezen. Het bezwaar van appellante is bij besluit van 27 juni 1995
ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van
27 juni 1995 bij uitspraak van 30 mei 1996 gegrond verklaard en dat
besluit vernietigd. Zij heeft daarbij bepaald dat burgemeester en
wethouders een nieuw besluit dienden te nemen. Burgemeester en
wethouders hebben tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De Raad
heeft die uitspraak bij uitspraak van 21 november 1997, gepubliceerd in
RZA 1998/94, vernietigd en het inleidend beroep tegen het besluit van 27
juni 1995 alsnog ongegrond verklaard. Hij heeft daarbij overwogen dat
artikel 2, tweede lid, van de Wvg gehandicapten die in een ingevolge
artikel 8 van de AWBZ erkende instelling verblijven, uitsluit van de in
het eerste lid van dat artikel omschreven zorgplicht van het
gemeentebestuur, omvattende woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en
rolstoelen.
Voorts heeft de Raad daarbij overwogen dat uit artikel 1, eerste lid van
de op artikel 2, derde lid, van de Wvg
gebaseerde gemeentelijke Wvg-Regeling weliswaar voortvloeit dat gehandicapten die in een
instelling als [naam instelling] verblijven onder de zorgplicht van het
gemeentebestuur vallen voor zover het de verstrekking van
vervoersvoorzieningen betreft, maar dat onvoldoende is gebleken dat de
gemeentelijke regelgever voor ogen heeft gestaan dat onder het
verstrekken van vervoersvoorzieningen mede het verstrekken van
rolstoelen moet worden begrepen. Hieraan kon, gelet op de tekst van de
gemeentelijke Regeling, niet afdoen dat in de toelichtingen bij de Wvg
en de Regeling de algemene doelstelling naar voren komt om in de
gevallen, waarin ten aanzien van bewoners van AWBZ-instellingen een vaste uitvoeringspraktijk wat betreft het verlenen
van voorzieningen in kader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) bestond, deze in het kader van
de Wvg te continueren, aangezien deze algemene doelstelling met
betrekking tot rolstoelen niet nader is uitgewerkt in concrete
regelgeving.
Gedaagde heeft de aanvraag van appellante van 13 juni 1995 om
verstrekking van een duwrolstoel in het kader van de AWBZ bij het
bestreden besluit van 10 juli 1995 afgewezen. Hij stelt zich op het
standpunt dat uit het bepaalde bij en krachtens de AWBZ voortvloeit dat
een gehandicapte, die in de situatie van appellante verkeert, slechts
aanspraak heeft op verstrekking van een rolstoel wanneer deze bestemd is
voor gebruik binnen, of in de naaste omgeving van de instelling waarin
de gehandicapte verblijft. Aangezien appellante een duwrolstoel heeft
aangevraagd die in overwegende mate is bedoeld voor gebruik buiten de
onmiddellijke omgeving van de instelling, dient de aanvraag in het kader
van de AWBZ te worden afgewezen.
De Commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad heeft dit
standpunt bij advies van 20 februari 1996 onderschreven. De commissie
meent dat, als een duwrolstoel nodig is voor sociale doeleinden,
verstrekking als vervoervoorziening vanuit de Wvg
is aangewezen.
Namens appellante is aangevoerd dat uit de uitspraak van de Raad van 21
november 1997, gepubliceerd in RZA 1998/94, voortvloeit dat gedaagde de duwrolstoel op grond van de
AWBZ dient te vergoeden. Verder is gesteld dat indien vergoeding in het
kader van de AWBZ niet mogelijk is, sprake is van een lacune in de
wetgeving aangezien in dat geval een duwrolstoel voor gebruik buiten de
naaste omgeving van de instelling noch krachtens de AWBZ noch krachtens
de Wvg verstrekt kan worden. Dit zou betekenen dat appellante onbedoeld
slechter af is dan onder de AAW, toen haar wel een buitenrolstoel is
verstrekt.
Verder is aangevoerd dat de Regeling nadere regels zorgaanspraken AWBZ
(verder: de Regeling) onrechtmatig is, aangezien daarin onderscheid
wordt gemaakt tussen personen die verblijven in een onder de AWBZ
gefinancierde instelling en personen die in gezinsvervangende tehuizen
of in een regionale instelling voor beschermd wonen verblijven.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe -
appellante als eiseres aanduidende en gedaagde als verweerder - het
volgende overwogen.
"Bij de toetsing of verweerder terecht heeft geweigerd deze
rolstoel onder de AWBZ te vergoeden dient er van te worden uitgegaan dat
de AWBZ een door de wetgever dwingend en limitatief voorgeschreven
stelsel van expliciet opgesomde verstrekkingen betreft.
Onder verwijzing naar Centrale Raad van Beroep, 13 december 1994, RZA 1995, 110 merkt de rechtbank daarbij op dat het de
rechter in dat kader niet vrij staat een gevraagde voorziening middels
een ruime interpretatie in dit stelsel besloten te achten.
In het Besluit en de Regeling zijn de aanspraken op zorg dwingend en
limitatief geregeld. Blijkens het Besluit en de Regeling heeft eiseres
aanspraak op de verstrekking van een rolstoel voor het gebruik binnen
[naam instelling] of in de naaste omgeving daarvan. Nu de door eiseres
gewenste rolstoel expliciet niet is bedoeld voor dit gebruik, heeft
verweerder eiseres terecht vergoeding van deze rolstoel geweigerd.
De stelling van eiseres dat, indien de buitenrolstoel niet onder het
Besluit en de Regeling kan worden vergoed, de betrokken wettelijke
bepalingen als onrechtmatig buiten toepassing dienen worden gelaten,
leidt niet tot een ander oordeel. Dienaangaande merkt de rechtbank op
dat het Besluit en de Regeling algemeen verbindende voorschriften zijn,
vastgesteld ter uitvoering van onder andere artikel 6 van de AWBZ. Niet
is gebleken dat het Besluit dan wel de Regeling, voorzover in casu van
belang, in strijd zijn met de AWBZ. De rechtbank kan hier niet treden in
de vraag of zij zich een rechtvaardiger of billijker regeling kan
voorstellen, doch dient zich ertoe te beperken te toetsen of de
wetgever, in aanmerking genomen de belangen die hem ten tijde van de
totstandkoming van het Besluit en de Regeling bekend waren of behoorden
te zijn, bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot
het Besluit en de Regeling heeft kunnen komen. In dit geschil spitst
deze beoordeling zich toe op de, in de combinatie van artikel 3, lid 1,
aanhef en onder e, van het Besluit en artikel 1, aanhef en onder c, van
de Regeling, neergelegde beperking bij de verstrekking van rolstoelen
aan betrokkenen die in een ingevolge de AWBZ erkende instelling
verblijven.
Blijkens het antwoord van 8 juni 1998 van de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid (mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport) op vragen van het kamerlid Dankers (kamervragen II,
1997-1998, nr. 1322) acht genoemde Minister de situatie dat in
AWBZ-instellingen niet wordt voorzien in de behoefte aan een tweede
rolstoel niet redelijk. Genoemde Minister geeft daarbij aan dat hij in
het overleg met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wil
bereiken dat een oplossing wordt gerealiseerd en dat hij in dit verband
een tussentijdse maatregel vooralsnog niet aan de orde acht.
Genoemde Minister geeft daarbij voorts aan dat, zo nodig, in de Wet
voorzieningen gehandicapten de mogelijkheid zal worden gecreëerd om dit
knelpunt op te lossen.
Uit deze reactie, mede namens de Staatssecretaris, maakt de rechtbank op
dat de Besluit-wetgever en de Minister zowel bekend zijn met het door
eiseres gesignaleerde knelpunt als onder ogen hebben gezien dat tussen
betrokkenen als eiseres en degenen die in gezinsvervangende tehuizen of
in regionale instelling voor beschermd wonen verblijven een verschil
bestaat. Bij afweging van alle betrokken belangen hebben zij echter geen
tussentijdse maatregel willen treffen. De rechtbank ziet geen grond voor
het oordeel dat de Besluit-wetgever en de Minister niet in redelijkheid
tot deze opstelling hebben kunnen komen.
In het licht van het vorenstaande ziet de rechtbank evenmin grond voor
het oordeel dat de wetgever niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot
artikel 3, lid 1, aanhef en onder e, van het Besluit en artikel 1,
aanhef en onder c, van de Regeling.
Uit het betoog van eiseres maakt de rechtbank op dat zij van mening is
dat de rechtbank uit zou moeten spreken dat haar een buitenrolstoel
dient te worden verstrekt omdat sprake is van een lacune in de wetgeving
die de wetgever niet heeft gewild. Zelfs indien zou moeten worden
uitgegaan van deze veronderstellingen van eiseres en van de
veronderstelling dat het voorgaande meebrengt dat van
dwingendrechtelijke bepalingen van het Besluit en de Regeling zou mogen
worden afgeweken, dan is onvoldoende komen vast te staan dat de
wetgever, indien hij voor de groep waartoe eiseres behoort een
voorziening zou hebben getroffen, deze ertoe zou hebben laten strekken
dat onverkort recht zou bestaan op een individuele buitenrolstoel naast
een elektrische rolstoel ten laste van de AWBZ. Hierbij wordt mede
verwezen naar de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport van 29 juli 1998 aan de Voorzitter van de
Ziekenfondsraad (ingekomen stukken II, 1997-1998, griffienr. 122.389).
Zelfs in bovengenoemde dubbele veronderstelling zou de rechtbank
derhalve geen vrijheid kunnen vinden zelf een bepaling te formuleren om
de lacune in de wetgeving op te vullen."
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat het recht om
zelfstandig (al dan niet onder begeleiding) sociale contacten te
onderhouden een essentieel recht is van een ieder, maar in het bijzonder
van gehandicapten.
Appellante stelt zich op het standpunt dat de wetgever beoogd heeft de
onder de AAW bestaande situatie te continueren. Ten aanzien van tweede
rolstoelen worden echter vergelijkbare groepen van gehandicapten
verschillend behandeld, afhankelijk van de woonomgeving/instelling waar
zij wonen. De tweede rolstoel voor thuiswonenden en voor hen die
verblijven in een gezinsvervangend tehuis of regionale instelling voor
beschermd wonen, worden bekostigd op grond van de Wvg, die voor hen die
in een op grond van artikel 8 van de AWBZ erkende instelling verblijven
echter niet. Voor deze ongelijke behandeling bestaan volgens appellante
geen redelijke en objectieve gronden.
Voorts is erop gewezen dat de staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport in antwoord op schriftelijke vragen van het lid van de
Tweede Kamer Dankers heeft aangegeven dat deze situatie niet redelijk
wordt geacht. Namens appellante is in hoger beroep een rapport
ingezonden dat de Ziekenfondsraad desgevraagd aan de staatssecretaris
heeft uitgebracht op 27 mei 1999. Daarin wordt geconcludeerd dat de
verstrekking van rolstoelen aan bewoners van AWBZ-instellingen, zowel
voor gebruik binnen als buiten de instelling, het beste uit hoofde van
de AWBZ kan gebeuren en dat de regelgeving in die zin dient te worden
aangepast. Ter zitting van de Raad is aangevoerd dat voor en zover
krachtens de AWBZ is bepaald dat aan gehandicapte in een AWBZ-instelling
slechts een rolstoel kan worden verstrekt die bestemd is voor gebruik
binnen en in de naaste omgeving van de instelling, daarvoor geen
grondslag kan worden gevonden in de AWBZ of de op die wet gebaseerde
algemene maatregel van bestuur.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de AWBZ geen ruimte biedt voor
verstrekking van de aangevraagde duwrolstoel en dat het advies van de
Ziekenfondsraad van 27 mei 1999 nog niet heeft geleid tot aanpassing van de regelgeving.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit van 10 juli 1995 in recht stand houdt. De Raad overweegt als
volgt.
Artikel 6, eerste lid, van de AWBZ bepaalt, voor zover hier van belang,
het volgende:
"De verzekerden hebben aanspraak op zorg (...). Onder vorenbedoelde
zorg zijn begrepen voorzieningen (...) strekkende tot verbetering van de
levensomstandigheden, alsmede maatschappelijke dienstverlening. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard, inhoud en omvang
van de zorg waarop aanspraak bestaat, geregeld; daarbij kunnen met
betrekking tot de inhoud en omvang van de desbetreffende zorg
beperkingen worden gesteld."
De in artikel 6 AWBZ bedoelde algemene maatregel van bestuur is het
Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering (verder: het
Besluit). In artikel 10 van dit besluit is, voor zover hier van belang,
het volgende bepaald:
"1. Opneming en verder verblijf (...) in een inrichting, waarin
lichamelijk gehandicapten verblijven, omvat de door de inrichting te
verlenen (...) verzorging (...) met dien verstande dat de aard en omvang
daarvan worden bepaald door de bestemming van de inrichting. (...)
3. Onze Minister stelt per categorie van inrichtingen nadere regelen met
betrekking tot de inhoud en de omvang van en de voorwaarden voor het
verkrijgen van de zorg, omschreven in het eerste (...) lid."
In artikel 3 van het Besluit is een bijzondere regeling voor rolstoelen
opgenomen. Deze houdt het volgende in:
"1. De zorg omschreven in de artikelen (...) 10 (...), omvat
tevens: (...)
e. het individueel gebruik van een rolstoel. (...)
4. Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de omvang van en
de voorwaarden voor het verkrijgen van de zorg, bedoeld in het eerste
lid, onder (...) e."
De Minister heeft ter uitvoering van het Besluit de Regeling vastgesteld. Artikel 1, aanhef en onder
c, van de Regeling
bepaalt het volgende:
"onder rolstoel wordt verstaan: een verrijdbare stoel voor
individueel gebruik, bedoeld om binnen de instelling of in de naaste
omgeving daarvan, op een andere wijze dan lopend zich te verplaatsen dan
wel verplaatst te worden met een snelheid als lopend gebruikelijk
is."
De Raad leidt uit dit samenstel van algemeen verbindende voorschriften
af dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat aard, inhoud en omvang
van de in artikel 6, eerste lid, van de AWBZ bedoelde zorg waarop
gehandicapten recht hebben bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur, in het onderhavige geval het Besluit, worden geregeld. Uit
artikel 3, eerste lid aanhef en onder e, in samenhang met artikel 10,
eerste lid, van het Besluit leidt de Raad af dat de zorg die in een
AWBZ-instelling aan een gehandicapte moet worden verleend tevens het
individuele gebruik van een rolstoel omvat. Noch in de AWBZ noch in het
Besluit zijn aangaande aard, inhoud en omvang van de zorg bestaande uit
het individuele gebruik van een rolstoel beperkingen opgenomen. Een
beperking is wel opgenomen in de Regeling daar deze bepaalt dat onder
rolstoel wordt verstaan: een verrijdbare stoel voor individueel gebruik,
bedoeld om binnen de instelling of in de naaste omgeving daarvan, zich
te verplaatsen of verplaatst te worden.
Dit roept de vraag op of voor deze beperking grondslag kan worden
gevonden in het Besluit.
De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Hij is van oordeel dat voor
artikel 1, aanhef en onder c, van de Regeling geen grondslag kan worden
gevonden in artikel 3, vierde lid, van het Besluit aangezien het
beperken van de definitie van het begrip rolstoel, zoals gebruikt in
artikel 3, eerste lid aanhef en onder e, van het Besluit, niet kan
worden aangemerkt als het stellen van regels met betrekking tot de
omvang van de zorg bestaande uit het verstrekken van een rolstoel voor
individueel gebruik en de voorwaarden waaronder deze kan worden
verkregen. Voor deze beperkende definitie kan naar 's Raads oordeel
evenmin grondslag worden gevonden in artikel 10, derde lid, van het
Besluit, reeds niet omdat met betrekking tot artikel 1, aanhef en onder
c, van de Regeling niet kan worden gesproken van nadere regels voor een
categorie van inrichtingen. Hieruit volgt dat artikel 1, aanhef en onder
c, van de Regeling, voor zover daarin een beperking van het begrip
rolstoel is opgenomen, wegens strijd met de wet buiten toepassing dient
te worden gelaten.
In het vorenstaande ligt besloten dat het bestreden besluit niet in
stand kan blijven en dat dit besluit dient te worden vernietigd.
Aangezien dit besluit bij de aangevallen uitspraak in stand is gelaten
dient ook die uitspraak te worden vernietigd.
De Raad wijst het namens appellante gedane verzoek om gedaagde met
toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te
veroordelen tot vergoeding van schade, thans af, omdat in dit verzoek
niet is aangegeven welke schade is geleden. Het staat appellante vrij
ter zake van door het bestreden besluit geleden schade een zelfstandig
schadebesluit uit te lokken.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en
in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- in beroep en f
1.420,-- in hoger beroep.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellante in beide gedingen zowel in eerste
aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te
worden vergoed.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg
tot een bedrag van f 1.420,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot f
1.420,--;
Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 220,--
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van 't
Klooster als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2000.
(get).
M.I. 't Hooft.
(get.)
M. van 't Klooster.
|
|