|
Uitspraak
00/6167
AWBZ en 00/6168 AWBZ
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
NUTS-AEGON Ziektekosten N.V., te 's-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij besluit van 22 september 1998 heeft gedaagde op grond van het
Bijdragebesluit zorg de door appellante verschuldigde eigen bijdrage
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) met ingang van 1
juli 1998 herzien en vastgesteld op f 2.092,26 per maand.
Bij besluit op bezwaar van 10 juni 1999 (bestreden besluit I) heeft
gedaagde de bezwaren van appellante tegen het besluit van 22 september
1998 ongegrond verklaard.
Bij besluit op bezwaar van 28 oktober 1999 (bestreden besluit II) heeft
gedaagde de bezwaren van appellante tegen het besluit van 23 juni 1999,
waarbij gedaagde de door appellante verschuldigde eigen bijdrage AWBZ
met ingang van 1 juli 1999 heeft herzien en vastgesteld op f 2.195,04,
eveneens ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft het tegen beide
bestreden besluiten ingestelde beroep bij uitspraken van 16 oktober 2000
ongegrond verklaard.
Namens appellante is haar zoon [naam zoon], wonende te [woonplaats 2],
van die twee uitspraken in hoger beroep gekomen op daartoe bij
beroepschriften (met bijlagen) aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, naar aanleiding waarvan de
gemachtigde van appellante bij brief van 12 maart 2001 nog commentaar
heeft gegeven.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
21 november 2001, waar alleen [naam zoon], voornoemd, namens appellante
is verschenen.
II. MOTIVERING
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de bestreden besluiten op
goede gronden berusten en in rechte gehandhaafd kunnen worden. Daartoe
heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:
"De rechtbank stelt vast dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij
uitspraak van 12 augustus 1997, reg.nrs. 96/2949 AWBZ en 96/2950 AWBZ
de uitspraken van deze rechtbank van 29 januari 1996, reg.nr. 95/5437
AWBZ en 1 februari 1996, reg.nr. 95/8815 AWBZ, beslissende op de
daartegen door eiseres ingestelde hogere beroepen, heeft bevestigd.
Genoemde uitspraken van deze rechtbank strekten tot ongegrondverklaring
van de beroepen van eiseres tegen de besluiten van verweerder van 23
augustus 1994 en 11 mei 1995, waarbij de door eiseres verschuldigde
eigen bijdragen ter zake van haar verblijf in een verpleeginrichting ten
laste van de AWBZ per respectievelijk 1 juli 1994 en 1 juli 1995 op de
voet van de Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ (hierna: de Regeling)
waren vastgesteld.
In die beroepsprocedures heeft eiseres zich, met een beroep op artikel
26 IVBPR en artikel 15, eerste lid, sub a, van het IVESCR op basis van
min of meer gelijkluidende argumenten als in de onderhavige
beroepsprocedure door haar zijn aangevoerd, op het standpunt gesteld dat
de Regeling een ongerechtvaardigde, en daarom ongeoorloofde, ongelijke
behandeling naar status en geslacht opleverde, c.q. het recht op
deelname aan het culturele leven aantastte.
De rechtbank, noch de CRvB heeft dit standpunt van eiseres in enig
opzicht overgenomen.
Ook in het kader van de toetsing van het thans bestreden besluit ziet de
rechtbank geen grond voor het oordeel dat de door eiseres in het kader
van haar beroep op vorengenoemde internationaalrechtelijke normen
aangedragen argumenten doel treffen. De rechtbank verwijst hiertoe naar
hetgeen de CRvB daaromtrent heeft overwogen in genoemde uitspraak van 12
augustus 1997 en neemt deze overwegingen hier over. Deze overwegingen
hebben weliswaar betrekking op de Regeling, maar behouden naar het
oordeel van de rechtbank hun gelding voor het Besluit (lees:
Bijdragebesluit zorg, Stb. 1996, 486, zoals gewijzigd bij KB van 15
november 1996, Stb. 1995, 595), ook al wijkt de daarin getroffen
eigenbijdrageregeling in een aantal opzichten af van die van de
Regeling. Zo was in de regeling voorzien in de heffing van enerzijds
vaste bijdragen van bepaalde categorieën verzekerden en anderzijds van
inkomensafhankelijke bijdragen van andere categorieën verzekerden en
niet - zoals in het Besluit - in een in beginsel voor alle categorieën
verzekerden geldende inkomensafhankelijke bijdrage (met uiteenlopende
maxima voor verschillende van deze categorieën).
Met betrekking tot het door eiseres gewraakte onderscheid naar status,
is in dit verband van belang dat de kern van het in het Besluit gemaakte
onderscheid tussen gehuwde en ongehuwde verzekerden in verband met de
heffing van de eigen bijdrage, zoals ook reeds het geval was met
betrekking tot het in de Regeling gemaakte onderscheid, is gelegen in de
omstandigheid of de betrokkene al dan niet een eigen huishouding heeft
of verondersteld wordt te hebben. Indien de huishouding wordt voortgezet
tijdens verblijf in een instelling, is slechts sprake van een beperkte
kostenbesparing. In het geval dat er geen sprake is van voortzetting van
de huishouding, moet een hogere eigen bijdrage, afhankelijk van de
draagkracht, gerechtvaardigd worden geacht, omdat in dat geval in
beginsel alle kosten van huisvesting, verzorging en voeding worden
bespaard.
Hierin is een voldoende objectieve rechtvaardigingsgrond gelegen voor
het onderscheid naar status.
Dat de eigen bijdrageregeling een ongerechtvaardigd onderscheid zou
maken tussen mannen en vrouwen is door eiseres op geen enkele wijze
aannemelijk gemaakt, zodat de rechtbank deze grief verder onbesproken
zal laten.
Eiseres heeft voorts gesteld dat zij nog immer een eigen huishouding
voert, dan wel moet worden verondersteld te voeren. De rechtbank
overweegt dat niet ontkend wordt dat eiseres vanaf 1991 in verband met
een psychogeriatrische indicatie sedert 25 maart 1991 in een
verpleeghuis verblijft. De vraag of iemand een eigen huishouding voert
dient naar het oordeel van de rechtbank te worden beoordeeld aan de hand
van de feitelijke situatie waarin deze persoon zich bevindt. Namens
eiseres is ter zitting medegedeeld dat eiseres sinds haar verblijf in
het verpleeghuis slechts voor kortdurende bezoeken op het adres te
[woonplaats 2], waar zij ingeschreven staat, komt en dat de frequentie
van deze bezoeken de afgelopen jaren is afgenomen. De rechtbank acht
deze kortdurende bezoeken van eiseres op het adres te [woonplaats 2]
onvoldoende om een door eiseres op dat adres gevoerde huishouding
aannemelijk te achten."
De Raad heeft in hetgeen namens appellante in hoger beroep schriftelijk
en mondeling is aangevoerd, hetgeen grotendeels een herhaling is van de
grieven welke namens appellante in eerste aanleg naar voren zijn
gebracht, en ook overigens geen aanleiding gevonden om de aangevallen
uitspraken niet in stand te laten.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en ook de
overwegingen waarop het oordeel van de rechtbank is gebaseerd. Voor de
juistheid van het oordeel van de rechtbank is naar het oordeel van de
Raad voldoende steun te vinden in de door de rechtbank genoemde
uitspraak van de Raad van 12 augustus 1997, gepubliceerd in RZA
1997/169.
De gemachtigde van appellante heeft ter zitting van de Raad onder meer
verklaard dat zijn moeder ten tijde in geding niet ingeschreven stond in
de gemeente [woonplaats 2], maar uit administratieve overwegingen
overgeschreven was naar de gemeente 's-Gravenhage. Die verklaring laat
onverlet dat appellante ten tijde in geding niet als gehuwd in de zin
van het bepaalde in artikel 1, vierde lid (thans artikel 1, derde lid,
sub a) van de AWBZ aangemerkt kon worden, reeds niet omdat haar
zoon/gemachtigde, een bloedverwant in de eerste graad is.
Tot slot merkt de Raad nog op dat voor het namens appellante verdedigde
standpunt, er op neerkomend dat bij het horen in het kader van de
bezwaarprocedure niet de vereiste onpartijdigheid in acht zou zijn
genomen, in de gedingstukken geen aanknopingspunten zijn te vinden. In
ieder geval is de Raad niet gebleken dat het horen niet conform het
bepaalde in artikel 7:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
heeft plaatsgevonden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraken voor
bevestiging in aanmerking komen.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.
van Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 december
2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|