|
Uitspraak
00/4638
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
OWM Zorg en Zekerheid UA, gevestigd te Leiden, in de hoedanigheid van
contactkantoor, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij (primair) besluit van 5 augustus 1997 heeft gedaagde aan appellante
voor het jaar 1997 een persoonsgebonden budget (pgb) ingevolge de
Regeling Ziekenfondsraad subsidiering zorg op maat verstandelijk
gehandicaptenzorg 1997 (hierna: Regeling 1997) toegekend.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit
van 9 augustus 1999 (het bestreden besluit) primair niet-ontvankelijk en
subsidiair ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft het tegen het bestreden
besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 5 juli 2000 ongegrond
verklaard.
Namens appellant is mr. J.D. van Vlastuin, advocaat te Utrecht, van deze
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 21 november 2001,
waar voor appellante zijn verschenen haar vader, tevens curator, en mr.
Van Vlastuin, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. M.G.M. Snep en drs. I. den Haan, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten.
Appellante is verstandelijk gehandicapt; zij verblijft in een
wooncentrum van de Stichting Ons Tweede Thuis (hierna: OTT) te
Hoofddorp, een AWBZ-erkende instelling, met een intramurale indicatie.
Daarnaast bezocht zij ten tijde in geding dagcentrum Bernadottelaan van
de Stichting Wonen Dagbesteding en Dienstverlening.
Gedaagde is een contactkantoor als bedoeld in de door de toenmalige
Ziekenfondsraad vastgestelde Regeling Ziekenfondsraad subsidiering zorg
op maat verstandelijk gehandicapten 1996 (hierna: Regeling 1996) en de
Regeling 1997.
De vader van appellante heeft bij gedaagde in 1996 een pgb aangevraagd
teneinde voor appellante en enkele andere verstandelijk gehandicapten
een kleinschalig woonproject te ontwikkelen.
Bij besluit van 1 juli 1996 heeft gedaagde appellante een pgb ingevolge
de Regeling 1996 toegekend ter hoogte van f 40.000,-- op jaarbasis,
uitgaande van indeling van de door appellante benodigde zorg in
budgetcategorie V met basisindicatie F van de hiervoor genoemde Regeling
1996 overeenkomstig het advies d.d. 31 juni 1996 van het Regionale
Indicatie en Plaatsings Advies Team Amstelland en Meerlanden (hierna:
RIPAT A & M).
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit
van 6 augustus 1997 primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond
verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep
tegen laatstgenoemd besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en
bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit, voor zover daarbij het
bezwaar van appellante ongegrond is verklaard, in stand worden gelaten.
Het tegen dit deel van de aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep
is bij aanvullend beroepschrift ingetrokken.
Met betrekking tot de toekenning van een pgb voor 1997 heeft een
herindicatie door het RIPAT A & M plaatsgevonden. Volgens het
indicatieadvies van 7 juli 1997 van het RIPAT A & M komt appellante
in aanmerking voor een pgb volgens budgetcategorie VII met
indicatievereisten D en F van de Regeling 1997, onder aftrek van D,
indien appellante dagbesteding op een dagverblijf voor ouderen geniet.
Bij het primaire besluit van 5 augustus 1997 heeft gedaagde
overeenkomstig het indicatieadvies van RIPAT A & M aan appellante op
grond van de Regeling 1997 voor het jaar 1997 een pgb toegekend ter
hoogte van f 65.000,-- op jaarbasis, onder aftrek van f 25.000,--
vanwege dagbesteding in natura.
Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Namens haar is
verzocht om toepassing van de hardheidsclausule, gelet op de
discrepantie tussen het toegekende budget en het bedrag van de aan haar
curator uitgebrachte offerte met betrekking tot de voor appellante
benodigde zorg. Verder is namens haar aangevoerd dat het budget evenmin
overeenstemt met de huidige kosten van zorg in natura voor appellante
bij de Stichting OTT. Tot slot is aangevoerd dat het aan het primaire
besluit ten grondslag liggende indicatieadvies ten onrechte geen
rekening heeft gehouden met de benodigde zorgonderdelen verzorging en
behandeling.
Op de hoorzitting naar aanleiding van het ingestelde bezwaar is tussen
partijen afgesproken, dat bij wijze van second opinion de
indicatiecommissie van het Regionaal Overlegorgaan Zorg Noordelijk
Zuid-Holland een herindicatie zou uitbrengen. Nader overleg tussen
partijen heeft erin geresulteerd dat het RIPAT Midden- en Zuid-Kennemerland (hierna: RIPAT MZK) om een herindicatie is verzocht.
Ten behoeve van het door RIPAT MZK uit te brengen advies is op 15
februari 1999 in het kader van de inventarisatie van de zorgbehoefte van
appellante een rapport uitgebracht door A. van Diepen, maatschappelijk
werkster en zorgconsulente bij MDGG sociaal pedagogische dienstverlening
aan mensen met en verstandelijke handicap (hierna: MDGG). Van de zijde
van appellante is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om op een concept
van het daaraan mede ten grondslag liggende sociaal rapport van Van
Diepen te reageren.
RIPAT MZK heeft zich in zijn vergadering van 3 maart 1999 over de
adviesaanvraag beraden en de conclusie van dit overleg bij brief van 19
maart 1999 ter kennis van gedaagde gebracht. In deze brief staat onder
meer het volgende vermeld:
"De commissie is van mening dat [appellante] in aanmerking komt
voor woonniveau 3/4 als het om zorg in natura gaat. Zij heeft een voor
dit niveau gemiddelde zorgbehoefte, omdat er voor haar geen punten zijn
waarop zij bijzondere zorg behoeft. Zij kan volgens de commissie goed
functioneren in een voorziening waar 24-uurs begeleiding aanwezig is.
De commissie is van mening dat een indicatieadvies afgegeven moet worden
voor zorgcategorie D + F, met bijbehorende budgetcategorie 7. Dit
baseert zij op de zorgbehoefte en op de huidige situatie van de
kandidaat. Omdat Nicole reeds dagbesteding in natura ontvangt, zal het
dagbestedingsdeel (D) van het PGB-budget afgetrokken worden, waardoor
zorgcategorie F, budgetcategorie 5 resteert.
Toepassing van de hardheidsclausule acht de commissie niet
gerechtvaardigd."
Gedaagde heeft vervolgens het bestreden besluit genomen. Haar besluit om
de bezwaren ongegrond te verklaren is mede gebaseerd op het door RIPAT
MZK uitgebrachte (her)indicatieadvies en de daaraan ten grondslag
liggende rapporten.
Namens appellante is in beroep bij de rechtbank onder meer het volgende
aangevoerd:
Het pgb is bedoeld voor degenen die de benodigde zorg op een andere
wijze willen ontvangen dan in natura (via de AWBZ), te weten zorg die is
afgestemd op de individuele hulpvraag en kwalitatief gelijkwaardig is
aan de zorg in natura. De zorg die appellante nu in natura van OTT
ontvangt, kost f 319,70 per dag oftewel f 116.690,50 per jaar. De
vergelijkbare 24-uurszorg die appellante zelf wil inkopen kost iets
minder dan naturakosten, maar meer dan het ingevolge de pgb-regeling toe
te kennen maximum pgb-bedrag van f 65.000,-- per jaar, vermeerderd met
de eigen bijdrage voor volwassenen van f 12.152,40. Door vast te houden
aan het maximale bedrag, althans aan gemiddelde bedragen, handelt
gedaagde in strijd met de pgb-regeling, althans past deze onjuist toe
omdat moet worden uitgegaan van de kosten van de individuele
zorgbehoefte.
Appellante heeft tevens een beroep gedaan op de hardheidsclausule vervat
in artikel 15 lid 3 van de Regeling, hetgeen ten onrechte niet is
gehonoreerd door gedaagde, omdat toekenning van het standaardbudget
evident onredelijk is gelet op de bovengemiddelde zorgbehoefte van
appellante, in vergelijking met anderen die in dezelfde categorie als
appellante zijn ingedeeld. Gedaagde had zich wat betreft haar standpunt
omtrent de toepassing van de hardheidsclausule niet mogen baseren op het
advies van het RIPAT MZK, omdat dat onzorgvuldig is voorbereid en
onvoldoende is gemotiveerd.
Gedaagde heeft in beroep gepersisteerd bij haar in het bestreden besluit
neergelegde standpunt.
De rechtbank heeft, voor zover het de inhoudelijke beoordeling van het
bestreden besluit betreft, overwogen, dat de toepassing van de
hardheidsclausule een discretionaire bevoegdheid van gedaagde betreft,
in verband waarmee de vraag beantwoord moet worden of van de weigering
de hardheidsclausule toe te passen gezegd moet worden dat gedaagde
daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen komen dan wel daarbij
anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven
rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. Die vraag heeft de rechtbank
ontkennend beantwoord, aangezien gedaagde zich in redelijkheid op het
advies van RIPAT MZK heeft mogen verlaten, nu de rechtbank niet is
gebleken dat dit advies - zoals namens appellante is gesteld - summier
en nauwelijks gemotiveerd is, niet deskundig of objectief is en niet
voldeed aan de opdracht en aan de eisen die in het algemeen aan een
deskundigenadvies gesteld mogen worden. De enkele omstandigheid dat het
toegekende budget ontoereikend is voor de zorg die appellante wil
inkopen, is op zichzelf naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om
toepassing van de hardheidsclausule te rechtvaardigen. Voorts is de
rechtbank niet gebleken van een bovengemiddelde zorgbehoefte van
appellante in vergelijking met anderen die in dezelfde categorie als zij
zijn ingedeeld.
Namens appellante wordt in hoger beroep gepersisteerd bij de gronden van
het beroep in eerste aanleg. Daarnaast wordt namens haar aangevoerd dat
de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat toepassing van de
hardheidsclausule een discretionaire bevoegdheid van gedaagde is,
aangezien bij personen met een grote zorgbehoefte gedaagde gehouden is
de hardheidsclausule toe te passen.
Voorts is namens appellante gesteld dat door MDGG de zorgbehoefte
onvoldoende specifiek is aangegeven; volstaan is met een geconstateerde
behoefte aan 24 uur zorg per dag, terwijl geen inventarisatie van
zorgonderdelen en zorguren heeft plaats gevonden, op basis waarvan een
vergelijking kan worden gemaakt met de "gemiddelde
zorgbehoefte" en kan worden vastgesteld waaruit de extra
zorgbehoefte bestaat. Tenslotte wordt aangevoerd, dat bij de
vaststelling van de zorgbehoefte van appellante geen rekening is
gehouden met haar nevenhandicap autisme, althans met factoren die de
verdenking van een PPD-stoornis rechtvaardigen.
Gedaagde acht toepassing van de hardheidsclausule niet gerechtvaardigd.
Zij neemt het standpunt in dat de inventarisatie van de zorgbehoefte van
appellante door MDGG op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, waarbij
de omvang van de zorgvraag vertaald is naar de zorgonderdelen, waarvoor
geïndiceerd is. MDGG heeft vanwege de mogelijke diagnose van
"autisme" geen aanleiding gezien om voor appellante extra
begeleiding te adviseren.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit in rechte stand houdt. Hij overweegt daarover het volgende.
Artikel 15, eerste lid, van de Regeling 1997 bepaalt dat voor toekenning
van een persoonsgebonden budget uitsluitend in aanmerking komt de
verstandelijk gehandicapte die voldoet aan de indicatievereisten voor
een van de in Bijlage 2 vermelde budgetcategorieën. Artikel 14, eerste
lid, van de Regeling 1997, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste
lid, van die Regeling, bepaalt dat de persoonsgebonden budgetten
uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van kosten van door de in
aanmerking komende verzekerden ingekochte zorgonderdelen begeleiding,
verzorging, verpleging en behandeling. Ingevolge artikel 15, derde lid,
van de Regeling 1997 kan het contactkantoor in gevallen van kennelijke
hardheid aan de verzekerde die wordt ingedeeld in de budgetcategorieën
VII en VIII een hoger budget toekennen dan het bij die categorieën
behorende budget, als vermeld in bijlage 2 bij de regeling 1997.
RIPAT A & M en RIPAT MZK hebben appellante geïndiceerd voor de
indicatiecategorieën D en F van Bijlage 2 van de Regeling 1997. Daarbij
behoort (standaard) budgetcategorie VII: f 65.000,--. Categorie F
betreft, voor zover hier van belang, verblijf en begeleiding van een
volwassene gedurende meer dan 25 uur per week. Hierbij kan worden
gedacht aan een verzekerde die in aanmerking komt voor langdurig
verblijf (plus begeleiding) ten laste van de AWBZ. Categorie D betreft
de begeleiding van een volwassene gedurende meer dan 25 uur buitenshuis.
Hierbij kan worden gedacht aan volwassen personen die met name overdag
veel begeleiding nodig hebben. In verband met de aan appellante
verleende zorg in natura in de vorm van dagopvang is bij het bestreden
besluit - overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, tweede lid onder c,
van de Regeling 1997 - f 25.000,-- van het bij categorie VII behorende
budget afgetrokken.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (CRvB 14 januari 2000, RSV
2000/52) vloeit uit de systematiek van de Regeling 1997 voort dat het
bedrag behorend bij de voor de verzekerde geïndiceerde budgetcategorie
in beginsel maatgevend is voor de in te kopen zorg en geacht moet worden
daarvoor een toereikende tegemoetkoming te zijn. Dit betekent dat een
verzekerde in budgetcategorie VII met een budget van f 65.000,-- of,
ingeval van dagopvang in natura f 40.000,--, in beginsel, dat wil
zeggen behoudens bijzondere omstandigheden, geacht wordt alle bij deze
categorie behorende zorgonderdelen, waaronder verblijf, te kunnen
inkopen. De omstandigheid dat in incidentele gevallen sprake kan zijn
van kennelijke hardheid, wanneer wordt volstaan met toekenning van een
standaardbudgetbedrag van f 65.000,-- respectievelijk f 40.000,--
impliceert niet dat afbreuk wordt gedaan aan deze systematiek. Gelet
hierop kan de (subjectieve) wens van de betrokken verzekerde ten aanzien
van de omvang en de inrichting van de zorg dan ook niet maatgevend
worden geacht voor de hoogte van het toe te kennen pgb.
Bij het licht hiervan staat de Raad voor de beantwoording van de vraag
of het besluit van gedaagde, waarbij is geweigerd bij de toekenning van
een pgb op grond van de Regeling 1997 de hardheidsclausule toe te
passen, in rechte stand houdt. De Raad beantwoordt deze vraag als volgt.
Gedaagde is bevoegd de hardheidsclausule toe te passen, indien er sprake
is van kennelijke hardheid. Blijkens de toelichting op de Regeling 1997
kan het contactkantoor in zeer bijzondere gevallen, waarin objectief
vaststaat dat, gelet op alle omstandigheden, het budget gekoppeld aan de
budgetcategorieën VII en VIII evident onredelijk is, besluiten het
budget te verhogen. Hierbij dient - aldus de toelichting - gestreefd te
worden naar optimale rechtsgelijkheid voor alle verzekerden.
Naar het oordeel van de Raad is van een zodanige bijzondere situatie in
het onderhavige geval geen sprake. Daartoe overweegt de Raad het
volgende.
Door het RIPAT MZK is bij brief van 29 maart 2000 de inhoud van het
advies als volgt nader toegelicht.
"De indicatiecommissie gaat bij een woonniveau 3/4 ervan uit dat
iemand kan functioneren binnen een setting waar 24 uur begeleiding
aanwezig is.
Het woonniveau 3/4 geeft aan dat er enerzijds sprake is van de behoefte
aan begeleiding zoals beschreven staat bij woonniveau 3 in het RIPAT
handboek en anderzijds sprake is van een zekere mate van zelfstandigheid
- woonniveau 4 - en de vraag om deze zelfstandigheid te vergroten.
(Kopie van de omschrijving woonniveaus uit het RIPAT handboek is
ingesloten. Het RIPAT handboek is een gezamenlijk product van de
Noord-Hollandse RIPAT's om procedures en indicatietyperingen te
stroomlijnen.)
Omdat deze beide elementen uit de rapportage over mevrouw Baart naar
voren komen, is voor woonniveau 3/4 gekozen.
De term gemiddeld wordt gebruikt omdat er uit de rapportage geen punten
naar voren komen waaruit blijkt dat er extra zorg nodig zou zijn. Dat
wil zeggen dat er binnen een reguliere setting met 24 uurs zorg,
bijvoorbeeld een gezinsvervangend tehuis, er voor haar extra
begeleiding/verzorging ingezet zou moeten worden voor persoonlijke
verzorging, gedragsproblemen of andere zaken die niet in de gewone
begeleiding/verzorging passen."
Ter zitting is van de zijde van gedaagde meegedeeld dat appellante
weliswaar 24 uur per etmaal zorg behoeft, maar dat dit niet steeds
een-op-een begeleiding betreft. Veelal zal het gaan om begeleiding in de
vorm van toezicht, waarbij de aanwezigheid van groepsleiding voldoende
is.
Noch in de gedingstukken, waaronder de rapportage van 15 februari 1999
van MDGG, het rapport van P.A.M.M. Krijnen, orthopedagoog van de
Stichting Wonen Dagbesteding en Dienstverlening, de resultaten van het
vanwege genoemde stichting ingestelde psychologisch onderzoek en het
sociaal rapport van A. van Diepen, maatschappelijk werkster bij MDGG,
noch in het verhandelde ter terechtzitting heeft de Raad voldoende
aanknopingspunten gevonden voor de van de zijde van appellante
geponeerde stelling dat zij een zodanige bovengemiddelde zorgbehoefte
heeft dat het toegekende budget evident onredelijk is. Dit geldt
evenzeer voor de gestelde - niet nader aangeduide - problemen die
appellante zou ondervinden als gevolg van een PDD stoornis. Uit genoemde
rapporten blijkt niet van zodanige lichamelijke of gedragsstoornissen,
dat appellante is aangewezen op excessieve begeleiding, verpleging,
behandeling of verzorging. Weliswaar is vanwege een spraakstoornis
logopedische hulp noodzakelijk, maar dat is - in aanmerking genomen de
vanwege gedaagde ingebrachte adviezen - onvoldoende om te spreken van
kennelijke hardheid in de zin van artikel 15, derde lid, van de Regeling
1997.
Van de zijde van appellante zijn geen nadere - medische of
psychologische - gegevens in geding gebracht die haar stellingen met
betrekking tot de bovengemiddelde zorgbehoefte onderbouwen.
Wat betreft de in hoger beroep gehandhaafde beroepsgrond, dat het
toegekende budget ontoereikend is voor de zorg die appellante wenst in
te kopen, is de Raad - met verwijzing naar zijn eerder vermelde
uitspraak van 14 januari 2000 - van oordeel, dat dit op zichzelf genomen
onvoldoende is om het budget evident onredelijk te achten.
Ook overigens ziet de Raad in hetgeen in hoger beroep van de zijde van
appellante is aangevoerd geen aanknopingspunten om tot een andersluidend
oordeel te komen.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover
aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht - tenslotte - geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van A. van
Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 december
2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|