|
Uitspraak
00/6128
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de erven van [betrokkene], appellanten,
en
OWM Zilveren Kruis Spaarnelandverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Vanwege gedaagde is bij besluit van 18 september 1998 met ingang van 1
juli 1998 aan wijlen [betrokkene] in het kader van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een eigen bijdrage van f 2.289,49 per
maand opgelegd wegens haar verblijf in verzorgingstehuis Huis in de
Duinen te [vestigingsplaats].
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij het
bestreden besluit van 3 mei 1998 (lees: 1999) ongegrond verklaard.
De rechtbank [plaatsnaam] heeft het tegen het bestreden besluit
ingestelde beroep bij uitspraak van 18 september 2000 ongegrond
verklaard.
[Betrokkene] is op 28 september 1999 overleden. Haar enige erfgenamen
zijn M.E. van Vliet en E.H. Pikker, appellanten in dit geding.
Namens appellanten is E.H.W. Pikker, werkzaam bij Administratie- en
adviesburo Pikker & Pikker te Huizen, van deze uitspraak in hoger
beroep gekomen op bij het beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 25 oktober
2001 nadere informatie verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 22 mei 2002, waar
voor appellanten is verschenen E.H.W. Pikker. Gedaagde heeft zich niet
doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende - door
partijen onbetwiste - feiten en omstandigheden.
Wijlen [betrokkene] verbleef ten tijde in geding in het verzorgingshuis
Huis in de Duinen te [vestigingsplaats]. Zij was tot 1 maart 1997
eigenares van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de
woning). De woning was in 1997 verhuurd aan een derde, tot wie de
eigenares in geen andere rechtsbetrekking stond dan die welke verband
hield met de huurovereenkomst.
Zij ontving in het jaar 1997 aan uitkering en pensioen een bedrag ad f
19.233,--. Haar inkomsten uit vermogen bedroegen in dat jaar f
21.166,--, bestaande uit genoten rente ad f 20.260,-- en twee ter zake
van de woning ontvangen maandtermijnen huur ad f 906,--. De ten laste
van de eigenares komende onderhoudskosten met betrekking tot de woning
bedroegen in 1997 f 11.339,--.
Bij het primair besluit, dat is gehandhaafd bij het bestreden besluit,
is de door wijlen [betrokkene] verschuldigde eigen bijdrage per 1 juli
1998 herzien en nader vastgesteld op een bedrag van f 2.289,49 per
maand. De berekening van deze eigen bijdrage is gebaseerd op het in het
refertejaar 1997 genoten inkomen. Bij de vaststelling van het
bijdrageplichtig inkomen is gedaagde uitgegaan van een inkomen uit
vermogen van f 20.260,--.
De kern van het geschil in beroep en in hoger beroep betreft de vraag of
de kosten van onderhoud van de verhuurde woning ad f 11.339,--
uitsluitend in mindering mogen worden gebracht op de inkomsten uit de
woning ad f 906,--, resulterend in een nihil bedrag (standpunt gedaagde)
dan wel mede ten laste mogen worden gebracht van de renteopbrengst uit
vermogen f 20.260,--(standpunt appellanten).
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen
dat de wijze waarop gedaagde toepassing heeft gegeven aan artikel 7 van
het Bijdragebesluit zorg binnen de grenzen valt van de naar het oordeel
van de rechtbank aangewezen restrictieve interpretatie.
De Raad overweegt het volgende.
De berekening van het bijdrageplichtig inkomen in het kader van de AWBZ
is geregeld in het Bijdragebesluit zorg van 26 september 1996 (Stb.
1996, 486; hierna te noemen: Besluit). Voor het geschilpunt is het
bepaalde in de artikelen 6 en 7 relevant. Deze bepalingen luiden, voor
zover van belang, als volgt:
Artikel 6
1. Voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen geldt als
inkomen in het desbetreffende jaar:
(...)
d. de bruto opbrengsten uit onderneming en vermogen;
(...)
Artikel 7
1. Op de inkomsten, bedoeld in artikel 6, worden voor de vaststelling
van het bijdrageplichtig inkomen in mindering gebracht:
(...)
d. de op opbrengsten uit vermogen onderscheidenlijk onderneming
betrekking hebbende lasten, welke ingevolge de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 in het desbetreffende jaar in mindering mogen
worden gebracht bij het bepalen van de zuivere inkomsten uit vermogen,
onderscheidenlijk de winst uit onderneming, tot ten hoogste het bedrag
van de bruto opbrengsten uit vermogen onderscheidenlijk onderneming;
(...)
Deze op zich duidelijke bepalingen geven geen aanknopingspunt voor de
stelling van gedaagde dat binnen de inkomsten uit vermogen en de daarop
betrekking hebbende lasten onderscheid zou moeten worden gemaakt naar
gelang de vermogensbron, waarop de opbrengsten en lasten zien. De enige
beperking die artikel 7, eerste lid onder d, van het Besluit bevat is de
beperking van de aftrek tot ten hoogste het bedrag van de bruto
opbrengsten uit (het totale) vermogen. Voorts is van belang of de kosten
ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) in het
desbetreffende jaar in mindering mogen worden gebracht bij het bepalen
van de zuivere inkomsten uit vermogen. Wat aftrekbare kosten zijn is
geregeld in artikel 35 van de Wet IB 1964. Nu het gaat om een zakelijk
verhuurde woning, zijn de onderhoudskosten ingevolge genoemde bepaling
aftrekbare kosten, die in mindering komen op de inkomsten waarop zij
betrekking hebben. Indien de inkomsten minder zijn dan de daarop
betrekking hebbende kosten resulteert dit in een negatief
inkomensbestanddeel, dat samen met de overige positieve en negatieve
inkomensbestanddelen het belastbaar inkomen vormt. De aftrekposten
worden aldus gesaldeerd met andere inkomsten uit vermogen. Ook in het
systeem van de Wet IB 1964 ligt derhalve geen splitsing per vermogensbron,
zoals door gedaagde toegepast, besloten.
De verwijzing door gedaagde naar het advies van 30 januari 1997 van de
Commissie voor beroepszaken van de voormalige Ziekenfondsraad, zoals
gepubliceerd in RZA 1997/40, overtuigt de Raad niet, omdat dat advies
geen enkele - op de van toepassing zijnde regelgeving gebaseerde -
onderbouwing bevat voor het niet salderen van een negatieve aftrekpost
met andere inkomsten uit vermogen.
De conclusie van het voorgaande is dat gedaagde bij het bestreden
besluit van een onjuiste uitleg van de hier toepasselijke wettelijke
bepalingen is uitgegaan en aldus een onjuiste maatstaf heeft aangelegd.
De kosten van onderhoud van de verhuurde woning ad f 11.339,-- dienen
bij de berekening van de inkomsten uit vermogen mede ten laste te worden
gebracht van de renteopbrengst uit vermogen ad f 20.260,--. Het
bestreden besluit komt wegens strijd met de wet voor vernietiging in
aanmerking. De aangevallen uitspraak deelt in dit lot. Gedaagde dient
een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in
deze uitspraak van de Raad is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
appellanten in hoger beroep en van [betrokkene] in beroep. Deze kosten
worden begroot op € 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten, in eerste
aanleg tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag
groot € 644,-- ;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van € 24,98 in
beroep en € 77,14 in hoger beroep (totaal € 102,12) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. C.W.M. van Ballegooijen als leden, in
tegenwoordigheid van N.J. Stolten als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 3 juli 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) N.J. Stolten.
|
|