|
Uitspraak
01/2389
AWBZ
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante, wettelijk
vertegenwoordigster van haar dochter [naam dochter],
en
de Commissie voor bezwaarschriften van Stichting Centrale
Zorgverzekeraars groep Ziekenfonds, gevestigd te Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 7 december 1999 heeft de Stichting Centrale
Zorgverzekeraars groep Ziekenfonds (hierna: de Stichting) in de
hoedanigheid van Zorgkantoor Zuidoost Brabant aan appellante ten behoeve
van haar dochter [naam dochter] voor de maand december 1999 een
persoonsgebonden budget (pgb) ad f. 8.917,81 toegekend ingevolge de
Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring persoonsgebonden budget 1999
(hierna: de Regeling).
Bij het bestreden besluit van 13 april 2000 is het bezwaar tegen dat
besluit door gedaagde ongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij de aangevallen uitspraak van 6
maart 2001 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.
Namens appellante is mr. J.D. van Vlastuin, advocaat te Utrecht, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger
beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 september 2002,
waar voor appellante is verschenen mr. Van Vlastuin voornoemd, en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. N.L.H. Dams-van der
Heijden, werkzaam bij de Stichting.
II. MOTIVERING
De bevoegdheid van gedaagde
Uit de zaak, bekend onder nummer 00/4350 ZFW, welke is behandeld ter
zitting van de Raad van 21 juli 2001 (de uitspraak van de Raad van 2
augustus 2001, USZ 2001, 280), is het de Raad bekend dat gedaagde haar
bevoegdheid om op appellantes bezwaarschrift te beslissen meent te
ontlenen aan het Reglement bezwaarschriftenprocedure CZ (hierna:
Reglement).
Dit Reglement bevat onder meer de volgende bepalingen:
"De directie van de Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep
Ziekenfonds (verder te noemen: CZ Ziekenfonds) en de Raad van Bestuur
van de o.w.m. Centrale Zorgverzekeraars groep Ziektekosten u.a., in de
hoedanigheid van uitvoeringsorgaan AWBZ (verder te noemen: CZ
Ziektekosten) besluit:
Artikel 1
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. Commissie: de Commissie als bedoeld in artikel 2;
b. Indiener van een bezwaarschrift: degene, die zich door een
beschikking van CZ in zijn belang acht geschaad en die het
bezwaarschrift heeft ingediend c.q. namens wie het bezwaarschrift is
ingediend;
c. Beschikking: een op basis van de Ziekenfondswet of Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten genomen schriftelijke beslissing van CZ op een
aanvraag, zoals bedoeld in de wet;
d. Beslissing op bezwaarschriften: de beslissing van CZ op een door of
namens de indiener van een bezwaarschrift ingediend bezwaarschrift tegen
een beschikking;
e. De wet: de Algemene Wet Bestuursrecht.
Artikel 2
1. Er is een Commissie voor bezwaarschriften.
2. De Commissie heeft tot taak het horen van de indiener van een
bezwaarschrift en het nemen van beslissingen op bezwaarschrift.
Artikel 3
1. De behandelend medewerker van de Afdeling Juridische Zaken wijst na
ontvangst van een bezwaarschrift de leden van de commissie aan.
2. Afhankelijk van de aard en de complexiteit van de zaak bestaat de
commissie uit een dan wel meer personen.
3. De behandelend medewerker van de Afdeling Juridische Zaken is
voorzitter van de commissie.
4. De meerderheid van de leden en de voorzitter van de commissie mag
niet betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van de beschikking.
(...)
Artikel 18
De commissie beslist binnen de door de wet gestelde uiterste termijn.
Deze termijn wordt opgeschort, indien het bepaalde in artikel 7,8 of 1
van toepassing is, dan wel in overleg met de indiener van een
bezwaarschrift.
Artikel 19
1. De beslissing op bezwaarschrift wordt in afschrift gezonden aan de
afdeling, die de bestreden beschikking heeft genomen.
2. Indien door de beslissing op bezwaarschrift de beschikking vernietigd
wordt, dan zal de afdeling, die de vernietigde beschikking heeft
genomen, zorgdragen voor verdere afwikkeling conform (MB) de beslissing
op bezwaarschrift."
De Raad stelt allereerst vast dat het Reglement blijkens de aanhef en
artikel 1, aanhef en onder a, b en c, geen betrekking heeft op
beslissingen die de Stichting in haar hoedanigheid van contactkantoor
neemt op basis van de in het kader van de uitvoering van de Wet
financiering volksverzekeringen door de voormalige Ziekenfondsraad
vastgestelde Regeling, zodat gedaagde reeds om deze reden niet bevoegd
was op het bezwaarschrift van appellante te beslissen. Maar ook indien
het Reglement op zulke besluiten wel van toepassing zou zijn geweest,
komt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit onbevoegd
genomen is. In het Reglement wordt de bevoegdheid tot het nemen van een
besluit op bezwaar overgedragen aan een ander bestuursorgaan dan het
bestuursorgaan namens welke het primaire besluit is genomen. Zoals
eerder door de Raad is overwogen (CRvB 25 maart 1997, AB 1997, 182, te
lezen in verbinding met ABRvS 6 januari 1997, AB 1997, 86) voorziet de
bezwaarprocedure, als neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb), niet in een dergelijke delegatie van beslisbevoegdheid.
De bevoegdheid tot bedoelde delegatie behoeft een uitdrukkelijke tot
afwijking van de Awb strekkende grondslag in een wet in formele zin,
niet zijnde de Awb. In het onderhavige geval ontbreekt een wettelijke
grondslag daarvoor.
Nu het bestreden besluit onbevoegd is genomen door gedaagde, komt dit
besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. De aangevallen
uitspraak deelt dit lot, nu bij die uitspraak het bestreden besluit in
stand is gelaten.
Materiële beoordeling
Met betrekking tot het materiële geschilpunt dat partijen verdeeld
houdt voegt de Raad hieraan het volgende toe, waarbij hij uitgaat van de
volgende feiten en omstandigheden.
[Naam dochter], geboren op 28 maart 1990, is meervoudig gehandicapt; zij
is ernstig verstandelijk gehandicapt en lijdt onder meer aan ernstige
gedrags- en spraakstoornissen en motorische stoornissen.
Tot 1 januari 1999 is [naam dochter] door haar ouders thuis verzorgd en
begeleid. Daarnaast ontvangt zij sinds 16 maart 1993 op grond van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) zorg in natura ten
behoeve van haar dagbesteding.
Zij bezoekt 10 dagdelen per week het kinderdagverblijf [naam
kinderdagverblijf] te [vestigingsplaats]. Van 15 juli 1996 tot en met 1998 beschikte appellante ten behoeve van [naam
dochter] over een pgb bestemd voor begeleiding, verzorging, verpleging,
behandeling, advisering/ondersteuning en verblijf. Het budget bedroeg in
1998 onder toepassing van de hardheidsclausule f. 75.000,--. Van het over het jaar 1999 toegekende pgb van f. 75.000,--
heeft appellante geen gebruik gemaakt, omdat [naam dochter] met ingang
van 1 januari 1999 verbleef in [naam instelling], onderdeel van de
regionale instelling voor zorg- en dienstverlening aan mensen met een
verstandelijke handicap Stichting ORO, en zij aldus op grond van de AWBZ
zorg in natura ontving.
Bij brief van 19 juli 1999 heeft appellante de Stichting verzocht een
hoger budget dan f. 75.000,-- toe te kennen, omdat de zorg voor [naam dochter] zo zwaar
was geworden, dat deze niet meer uit dit budget betaald kon worden. Zij
zou het pgb willen besteden aan een kleinschalige woonvorm, waarbij de
zorgverlening een individuele benadering heeft en zij zelf meer invloed
kan uitoefenen op de verleende zorg. Bij schrijven van 4 november 1999
heeft appellante onder bijvoeging van een zorgofferte van Stichting ORO
aan de Stichting verzocht het eerder toegekende pgb te verhogen tot een
bedrag van f. 340.000,--.
Naar aanleiding van een verzoek van appellante om een herindicatie heeft
de indicatiecommissie regio zuidoost Noord-Brabant op 1 november 1999
een indicatieadvies uitgebracht aan de Stichting. Gezien de zwaarte van
de benodigde zorg is een basisindicatie G afgegeven, corresponderend met
de (standaard) budgetcategorie VIII van Bijlage 2 van de Regeling. De
zorgbehoefte van [naam dochter] is evenwel zodanig omvangrijk dat de
commissie een hoger budget dan dat van categorie VIII noodzakelijk heeft
geacht. Onder het kopje 'Situatieschets' heeft de indicatiecommissie
aangegeven dat het om zelfverwonding en grensoverschrijdend gedrag te
voorkomen noodzakelijk is om [naam dochter] vrijwel permanent één-op-één
begeleiding te geven en dat zij soms zelfs door twee personen begeleid
dient te worden. Daarnaast acht de indicatiecommissie het noodzakelijk
dat zij haar bezoek aan het kinderdagverblijf [naam kinderdagverblijf]
continueert. In het advies is voorts 'aangekruist' dat zij is aangewezen
op de zorgonderdelen behandeling, advisering/ondersteuning en verblijf.
De Stichting heeft bij primair besluit van 7 december 1999 voor de maand
december 1999 een persoonsgebonden budget van f 8.917,81 toegekend. Dit
budget is afgeleid van een jaarbudget van f. 105.000,--.
Bij het bestreden besluit op bezwaar van 13 april 2000 heeft gedaagde
besloten de bezwaren van appellante ongegrond te verklaren.
Het bestreden besluit is gebaseerd op het indicatieadvies van 1 november
1999 en het op 28 oktober 1999 door de Stichting vastgestelde 'protocol
hardheidsclausule PGB vg'.
In dit protocol is met betrekking tot de berekening van het pgb in
gevallen waarin sprake is van kennelijke hardheid onder meer het
volgende bepaald:
"Indien een verzoek tot toepassing van de hardheidsclausule zich
voordoet bij een cliënt die valt binnen (één van) bovenstaande
definities kan berekening van het aanvullende bedrag ten behoeve van de
hardheidsclausule plaatsvinden. De systematiek die hierbij gekozen wordt
is er op gericht dat er optimale rechtsgelijkheid bestaat voor alle
verzekerden. Dit betekent dat afhankelijk van binnen welke doelgroep de
cliënt valt, gezocht wordt naar een instelling binnen de regio waar
iemand met de betreffende zorgvraag bij 'zorg in natura' zou worden
opgenomen. Vervolgens vindt op basis van de gemiddelde verpleegdagprijs
in het kader van zorg in natura de berekening van het toe te kennen
budget plaats. De te hanteren verpleegdagprijs ter vaststelling van de
hoogte van het budget bedraagt: ƒ290,-- (op jaarbasis afgerond ƒ105.000,--).
Van het berekende budget wordt het bedrag van de bij de cliënt horende
budgetcategorie (VII of VIII), en indien van toepassing het aantal
dagdelen dagbesteding in natura, afgetrokken. Het resterende bedrag komt
in aanmerking voor de hardheidsclausule."
Het aan appellante voor de maand december 1999 toegekende budget is
overeenkomstig het protocol afgeleid van een jaarbudget van f.
105.000,--.
Appellante heeft in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat het
toegekende budget niet redelijk is, omdat de werkelijke kosten voor het
verblijf en de dagbesteding van [naam dochter] in de natura-instelling
f. 338.094,00 op jaarbasis bedragen. Gedaagde heeft niet aangegeven dat
de ingekochte zorg of de daaraan gekoppelde prijzen bovenmatig zijn.
Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat het volstrekt onjuist
is om alleen uit te gaan van (collectieve) gemiddelde vergoedingen die
voor zorg in natura worden verstrekt en daarbij op geen enkele wijze
rekening te houden met daadwerkelijke individuele kosten. Met behulp van
een pgb moet individueel zorg worden ingekocht, en deze moet worden
betaald op grond van individueel benodigde zorg en de concrete kosten
daarvan. Zij heeft benadrukt dat de door haar aangeleverde kostenopgave
van de Stichting ORO geen betrekking heeft op specifiek door haar
gewenste zorg, maar op de zorg die haar in het kader van de AWBZ in
natura door deze Stichting wordt geboden.
Gedaagde heeft in beroep, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad
van 14 januari 2000 (gepubliceerd in RSV 2000, 52), gepersisteerd bij
zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe
overwogen dat door de Raad in evengenoemde uitspraak is bevestigd dat de door gedaagde
gehanteerde rekensystematiek en de daaraan ten grondslag liggende
overwegingen redelijk zijn.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat [naam dochter] meer
zorg behoeft dan de gemiddelde intramuraal verblijvende gehandicapte. In
het door gedaagde toegepaste protocol zijn als doelgroepen voor
toepassing van de hardheidsclausule aangewezen verzekerden met zeer
ernstige gedragsstoornissen en verzekerden met meervoudige complexe
handicaps. Uit het indicatieadvies van eind 1999 blijkt dat [naam
dochter] tot beide doelgroepen behoort. Zij is daardoor binnen de
categorie verzekerden die aanspraak kunnen maken op toepassing van de
hardheidsclausule een bijzonder geval met een extreem grote
zorgbehoefte. Haar verblijf binnen [naam instelling], is dan ook alleen
mogelijk met onder andere de inzet van het provinciaal Consulententeam.
Appellante stelt zich op het standpunt dat het uitgangspunt van de
Regeling, dat de keuze voor zorg in natura of een pgb geen (financieel)
voor- of nadeel mag inhouden voor de zorgvrager, met zich meebrengt dat
zij een pgb dient te ontvangen dat in omvang even groot is als de kosten
die in natura daadwerkelijk gemaakt worden voor de verstrekking van de
geïndiceerde zorg. Daarbij acht zij niet relevant dat de Stichting ORO
als gevolg van de financieringsstructuur van de AWBZ het genoemde bedrag
niet daadwerkelijk als vergoeding ontvangt. Het haar toegekende bedrag,
een derde van de werkelijke kosten, is in de visie van appellante
evident onredelijk. Tot slot is aangevoerd dat de rechtbank zich ten
onrechte heeft gebaseerd op genoemde uitspraak van de Raad, nu in dat
geval de aanvraag niet, zoals in casu, was gebaseerd op de werkelijk
gemaakte kosten van zorg in natura, maar op kosten van betrokkenen
noodzakelijk voorkomende zorg tegen tarieven die waren vastgelegd in een
aantal zorgoffertes.
Gedaagde heeft in hoger beroep verwezen naar de eerder in de procedure
door haar uiteengezette ten tijde van het bestreden besluit geldende
berekeningsmethode, waarbij wordt uitgegaan van de kosten van naturazorg.
Deze kosten werden berekend op basis van de AWBZ/WTG-systematiek;
daarbij werd niet uitgegaan van de daadwerkelijke kosten van
zorgverlening aan een bepaalde bewoner. Indien bij de toepassing van de
hardheidsclausule wel zou moeten worden uitgegaan van de werkelijke
kosten, dan zou dit volgens de gemachtigde van gedaagde een breuk met de
in de Regeling gehanteerde systematiek van standaardbudgetten betekenen.
De mate van duidelijkheid van de omschrijving van de zorgbehoefte door
de indicatiecommissie is - aldus gedaagde - bepalend voor de vraag of de
hardheidsclausule moet worden toegepast, maar is niet bepalend voor de
berekening van de hoogte van het budget.
Ter terechtzitting is van de zijde van gedaagde meegedeeld dat het
berekeningssysteem na de datum van het bestreden besluit inmiddels twee
maal is gewijzigd. Het huidige systeem gaat uit van de individuele
zorgbehoefte in uren. Voor deze uren zorg worden kosten vergoed, analoog
aan de vergoedingen die gelden voor een pgb verpleging en verzorging.
Dit zou in de onderhavige zaak leiden tot een pgb van f. 162.000,--. Er
vindt thans in het kader van een aanvraag van appellante voor een pgb
voor het jaar 2001 een herindicatie plaats, waarin de nieuwe systematiek
zal worden toegepast. Dit heeft echter geen terugwerkende kracht.
De Raad overweegt het volgende.
Artikel 15, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat voor toekenning van
een persoonsgebonden budget uitsluitend in aanmerking komt de
verstandelijk gehandicapte die voldoet aan de indicatievereisten voor
één van de in bijlage 2 vermelde budgetcategorieën. Artikel 14,
eerste lid, van de Regeling bepaalt dat persoonsgebonden budgetten
uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van kosten van door de in
aanmerking komende verzekerden ingekochte zorgonderdelen: begeleiding,
verzorging, verpleging, behandeling, (geneeskundig) onderzoek,
advisering en ondersteuning en verblijf. Artikel 15, vierde lid, van de
Regeling bepaalt, voor zover hier van belang, dat het bestuursorgaan in
gevallen van kennelijke hardheid aan een verzekerde ingevolge de AWBZ
die wordt ingedeeld in de categorieën VII en VIII een hoger budget kan
toekennen dan het bij die categorieën behorende budget.
De Raad stelt vast dat de indicatiecommissie regio zuidoost
Noord-Brabant [naam dochter] geïndiceerd heeft voor de
indicatiecategorie G van Bijlage 2 van de Regeling. Daarbij behoort
budgetcategorie VIII: f 75.000,--. Categorie G betreft het verblijf en
de begeleiding van een kind gedurende meer dan 25 uur. Hierbij kan
gedacht worden aan verzekerden die in aanmerking komen voor langdurig
verblijf (plus begeleiding) ten laste van de AWBZ. De Raad stelt voorts
vast dat de indicatiecommissie heeft aangegeven dat het toegekende
budget, behorend bij de hoogste budgetcategorie, absoluut niet
toereikend is om die zorg en ondersteuning in te kopen die [naam
dochter] nodig heeft.
De indicatiecommissie heeft in haar advies aangegeven dat zij vrijwel
permanent één-op-éénbegeleiding nodig heeft en dat zij gezien de
fysieke belasting soms door twee personen begeleid dient te worden. In
het advies is verder aangekruist dat zij is aangewezen op de
zorgonderdelen behandeling, advisering/ondersteuning en verblijf.
Gedaagde heeft bij het bestreden besluit toepassing gegeven aan de
hardheidsclausule als bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de
Regeling.
De Raad staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of, nu
het bestreden besluit de toepassing van een discretionaire bevoegdheid
in het kader van een hardheidsclausule betreft, gezegd moet worden dat
gedaagde niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen dan wel
anderszins heeft gehandeld in strijd met enige regel van geschreven of
ongeschreven recht.
De Raad beantwoordt die vraag als volgt.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (verwezen wordt naar zijn uitspraak
van 29 maart 2002, gepubliceerd in RSV 2002, 148) wordt een verzekerde
met het budget, behorende bij de op hem van toepassing zijnde
budgetcategorie, geacht alle bij deze categorie behorende zorgonderdelen
te kunnen inkopen. Dit laat echter onverlet dat in incidentele gevallen
sprake kan zijn van kennelijke hardheid, indien zou worden volstaan met
toekenning van een aldus bepaald standaardbudget. Ook in die gevallen
wordt evenwel de (subjectieve) wens van de betrokken verzekerden ten
aanzien van de omvang en de inrichting van de zorg niet maatgevend
geacht voor de hoogte van het toe te kennen pgb.
In genoemde uitspraak heeft de Raad eveneens overwogen dat het, gelet op
de systematiek van de Regeling, de contactkantoren in beginsel vrijstaat
bij de toepassing van de hardheidsclausule uit te gaan van een eigen
berekeningswijze. De uitoefening van de aan het contactkantoor
toekomende discretionaire bevoegdheid kan ertoe leiden dat de
keuzevrijheid van de belanghebbende verzekerde met betrekking tot de
omvang en inrichting van de op grond van het pgb in te kopen gewenste
zorg wordt beperkt, mits dit niet tot gevolg heeft dat de naar
redelijkheid niet te vermijden kosten, verbonden aan de blijkens de
indicatie noodzakelijke zorg, grosso modo niet uit het pgb kunnen worden
bestreden. Het toekennen van een pgb mag er blijkens de toelichting van
de - voormalige - Ziekenfondsraad immers niet toe leiden dat de keuze
voor zorg in natura of een persoonsgebonden budget tot (financieel)
voor- of nadeel bij de zorgvrager leidt.
Hierin ligt besloten dat, indien de indicatiecommissie, zoals in casu,
tot de conclusie komt dat meer zorg en dergelijke noodzakelijk is dan
grosso modo kan worden bestreden uit het standaardbudget, ten aanzien
van elk van de in artikel 14, eerste lid, van de Regeling genoemde
zorgonderdelen, zoveel doenlijk, concreet wordt aangegeven in welke mate
zorg en begeleiding nodig is, opdat mede aan de hand daarvan in
redelijkheid kan worden aangegeven welke kosten geacht moeten worden
verbonden te zijn met realisering van de aanspraken van de betrokken
verzekerde ingevolge de AWBZ (zorg in natura). Uitgaande van deze
indicatie en deze kosten brengt de blijkens de toelichting bij de
Regeling door de regelgever voorgestane benadering van zorg in natura en
pgb mee dat het budget waarvoor de aanvrager van een pgb in aanmerking
komt min of meer in verhouding staat tot deze zorg in natura.
Tegen deze achtergrond stelt de Raad vast dat het bestreden besluit is
gebaseerd op een onvoldoende uitgewerkte indicatie met betrekking tot de
in artikel 14, eerste lid, van de Regeling bedoelde zorgonderdelen. In
het indicatieadvies zijn immers onvoldoende specifiek de aard en omvang
van alle benodigde zorgonderdelen aangegeven. Daardoor heeft gedaagde in
het onderhavige geval bij de toepassing van de hardheidsclausule niet zo
veel doenlijk naar objectieve maatstaf kunnen vaststellen of de voor
appellante geïndiceerd te achten zorg grosso modo tegen de door
gedaagde aangenomen kosten kan worden verkregen en heeft zij op
ontoereikende gronden de hoogte van het in casu bestreden pgb
vastgesteld. De hierboven gestelde vraag moet derhalve bevestigend
worden beantwoord.
Hieruit volgt dat het door gedaagde ingenomen standpunt, zoals de
rechtbank dit heeft onderschreven, ook inhoudelijk in rechte geen stand
kan houden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en
in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 654,80 voor verleende
rechtsbijstand en reiskosten in beroep en € 644,-- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep.
Gelet op het vorenstaande, alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en
25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het
door appellante zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte
griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
tot een bedrag van € 654,80 en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 644,--;
Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van € 104,37
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van A. de
Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 september
2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. de Gooijer.
|
|