|
Uitspraak
00/2788
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Onderlinge Waarborgmaatschappij RZG zorgverzekeraar U.A., gevestigd
te Groningen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluiten van 6 april 1999 en 20 april 1999 heeft appellant de eigen
bijdrage die gedaagde verschuldigd is voor thuiszorg in de periode van
28 december 1998 tot en met 21 februari 1999 vastgesteld op f 10,-- per
uur met een maximum van f 115,-- per week en bepaald dat van gedaagde
voor thuiszorg in deze periode een bedrag van in totaal f 610,-- wordt
geheven.
Appellant heeft het bezwaar tegen deze besluiten bij het bestreden
besluit van 22 februari 2000 ongegrond verklaard.
De president van de rechtbank Assen heeft het beroep tegen het bestreden
besluit bij de aangevallen uitspraak van 12 april 2000 gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd, de besluiten van 6 april 1999 en 20
april 1999 herroepen en appellant veroordeeld tot vergoeding van
proceskosten en griffierecht.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingezonden.
Desgevraagd heeft appellant bij brief van 4 september 2002 inlichtingen
verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 20 november 2002.
Appellant heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. R.C.
Kliphuis, werkzaam in dienst van appellant, J.G.M. Dousi, werkzaam bij
het Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Ziektekosten B.V. en A.M.J.
le Cocq, werkzaam bij het College voor Zorgverzekeraars. Gedaagde heeft
zich daar laten vertegenwoordigen door A.B.M. Wensing, wonende te
Hoofddorp.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende tussen partijen niet in geschil zijnde
feiten en omstandigheden.
Gedaagde, geboren [in] 1971, is gehandicapt. Zij ontving tot 1 januari
1998 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Met ingang van 1
januari 1998 is zij gaan samenwonen met (thans) haar echtgenoot, [naam
echtgenoot]. Gedaagde ontving huishoudelijke hulp via bemiddeling van
Thuiszorg Drenthe, waarvoor zij tot 28 december 1998 een eigen bijdrage
verschuldigd was van maximaal f 6,50 per week.
Appellant heeft de eigen bijdrage voor de door gedaagde genoten
thuiszorg bij primaire besluiten van 6 april 1999 en 20 april 1999 met
ingang van 28 december 1998 vastgesteld op f 10,-- per uur met een
maximum van f 115,-- per week. Bij het bestreden besluit van 22 februari
2000 zijn deze besluiten gehandhaafd. Appellant stelt zich op het
standpunt dat bij de vaststelling van de eigen bijdrage dient te worden
uitgegaan van de leefsituatie van de verzekerde in het jaar waarin de
zorg wordt ontvangen, en van het inkomen dat door de partners van de
leefeenheid genoten is in het peiljaar. Het peiljaar is het zorgjaar
minus twee jaar. Aangezien gedaagde in de periode waarin thuiszorg is
ontvangen een leefeenheid vormde, heeft appellant de eigen bijdrage
vastgesteld op grond van het gezamenlijk inkomen dat gedaagde en haar
partner blijkens opgave van de belastingdienst twee jaar eerder hebben
genoten. Dit gezamenlijk inkomen valt volgens appellant in de klasse van
f 52.135 tot f 62.360,-- per jaar.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat zij in het peiljaar - 1997 -
nog geen leefeenheid vormde en dat dient te worden uitgegaan van het
persoonlijk inkomen, dat zij in dat jaar, in casu uit hoofde van
bijstand ingevolge de Abw, als alleenstaande heeft genoten. Gedaagde is
van mening dat zij in de in geding zijnde periode, gezien haar uitkering
van f 23.636,-- per jaar, een eigen bijdrage van maximaal f 5,-- per
week verschuldigd was.
De president van de rechtbank heeft, toepassing gevende aan artikel
8:86, eerste lid, van de Abw, het beroep tegen het bestreden besluit
gegrond verklaard. Daartoe is, voor zover van belang, het volgende
overwogen:
"Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Bijdragebesluit zorg
komt naar voren dat het gezamenlijke, belastbare inkomen van partners
(in het peiljaar), behorende tot het huishouden waar de zorg wordt
genoten, als uitgangspunt dient te worden genomen voor de vaststelling
van de eigen bijdrage. Uit het besluit zelf noch uit de parlementaire
behandeling daarvan kan echter worden afgeleid dat dit gezamenlijke
inkomen ook moet worden gehanteerd indien betrokkenen in het peiljaar
nog geen gezamenlijke huishouding voerden.
In het Bijdragebesluit zorg is - in artikel 16e, vierde lid - een
regeling getroffen voor het maken van een uitzondering op de hoofdregel
omtrent vaststelling van de eigen bijdrage, indien het inkomen in het
jaar waarin de zorg wordt genoten lager uitvalt. Een andere uitzondering
op de hoofdregel voor de berekening van de eigen bijdrage is in het
besluit niet gegeven.
Naar het oordeel van de president verdraagt de onderhavige onder de
verantwoordelijkheid van verweerder gehanteerde berekeningsmethodiek
zich niet me het rechtszekerheidsbeginsel nu voor deze uitleg in het
besluit noch in de daarbij behorende toelichting en zelfs niet in de
parlementaire behandeling een aanknopingspunt is te vinden. Een
dergelijke uitzondering op de hoofdregel die nergens is vastgelegd,
brengt voor de betrokkenen, die aangewezen zijn op thuiszorg, een te
vergaande en niet te verantwoorden inbreuk op hun rechtspositie met
zich, terwijl voorts niet van hen kan worden verwacht dat zij met een
dergelijke uitzondering rekening hadden moeten houden.
Voor verzoekster geldt het vorenstaande des te meer. Vaststaat dat zij
in het peiljaar 1997 niet met haar partner samenwoonde en dat er toen
dus slechts ιιn relevant inkomen was, te weten verzoeksters
bijstandsuitkering. Voorts staat vast dat er ten tijde van de
samenwoning per 1 januari 1998 (voor zover hier van belang) nimmer
sprake is geweest van een gezamenlijk inkomen van haar en haar partner,
aangezien zij haar bijstandsuitkering op het moment dat zij en haar
partner zijn gaan samenwonen heeft verloren. Het zou dan ook ongerijmd
zijn en in strijd met de rechtszekerheid wanneer in deze situatie het
toenmalige inkomen van haar huidige partner wel wordt betrokken bij de
vaststelling van de bijdrage."
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de van toepassing
zijnde wettelijke voorschriften voortvloeit dat voor het vaststellen van
de maximum weekbijdrage allereerst het bijdrageplichtig inkomen ten
tijde van de zorgverlening moet worden bepaald. In dat kader moet worden
vastgesteld of er sprake is van een leefeenheid. Hierna moet worden
bekeken hoe hoog het inkomen van de in het zorgjaar bestaande
leefeenheid in het peiljaar was. Hierbij is in de visie van appellant
niet van belang of de partners in het peiljaar een leefeenheid hebben
gevormd. Het peiljaar is uitsluitend van belang voor het opvragen van
inkomensgegevens bij de belastingdienst. Appellant is van oordeel dat
uit de nota van toelichting bij het Bijdragebesluit zorg blijkt dat met
betrekking tot het materiλle recht geen wijziging is beoogd van de
situatie onder de voorheen bestaan hebbende subsidieregeling, waarbij de
draagkracht van de leefeenheid tijdens de periode waarin de zorg
ontvangen is bepalend werd geacht.
Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij haar in eerdere aanleg
naar voren gebrachte standpunt.
De Raad zal zich beperken tot het punt van geschil. Derhalve moet de
vraag worden beantwoord of appellant zich terecht op het standpunt heeft
gesteld dat bij het vaststellen van de eigen bijdrage voor thuiszorg
uitgangspunt behoort te zijn het inkomen in het peiljaar van de in het
zorgjaar aanwezige leefeenheid, ook dan wanneer de partners in het
peiljaar nog geen leefeenheid vormden.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Het volgende wordt
overwogen.
Artikel 16d, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg (Stb. 1996, 486),
zoals het luidde ten tijde in geding (hierna: Bijdragebesluit), bepaalt,
voor zover hier van belang, dat de verzekerde voor thuiszorg een
bijdrage verschuldigd is van f 10,-- per uur.
Artikel 16d, vierde lid, onder e van het Bijdragebesluit bepaalt dat
indien van een leefeenheid een meerderjarige deel uitmaakt, die nog niet
de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, de bijdrage voor de leefeenheid
bij een bijdrageplichtig inkomen van f 51.000,- tot f 61.000,-- maximaal
f 115,-- per week bedraagt.
Artikel 16 aanhef en onder b, van het Bijdragebesluit bepaalt dat onder
bijdrageplichtig inkomen wordt verstaan: "(
) het inkomen van de
gehuwde verzekerden die deel uitmaken van een leefeenheid tezamen".
Artikel 16, aanhef en onder c, van het Bijdragebesluit zorg definieert
peiljaar als "het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarin de
verzekerde zijn aanspraak op zorg tot gelding brengt."
Artikel 16e, eerste lid, van het Bijdragebesluit bepaalt dat voor de
vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 16d,
tweede tot en met vijfde lid, dient te worden uitgegaan van het inkomen
in het peiljaar. Het vierde lid bepaalt dat op aanvraag van de
verzekerde een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen
plaatsvindt, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het inkomen in
het lopende jaar ten minste f 4.000,-- lager zal zijn dan het inkomen in
het peiljaar.
De Raad is van oordeel dat met dit samenstel van bepalingen niet
onverenigbaar is om bij de vaststelling van de eigen bijdrage, die een
verzekerde verschuldigd is voor thuiszorg, uit te gaan van de
leefsituatie in het jaar waarin de zorg wordt genoten (het zorgjaar), en
deze bijdrage te baseren op het gezamenlijk inkomen van de partners, die
in het zorgjaar een leefeenheid vormen, in het peiljaar, ook dan wanneer
in het peiljaar nog geen leefeenheid werd gevormd. Hij heeft daarbij in
aanmerking genomen dat de tekst van deze bepalingen daaraan niet in de
weg staat en dat uit de nota van toelichting bij het Bijdragebesluit
blijkt dat de bijdrageregeling, waarin is voorzien, materieel zoveel
mogelijk overeenkomt met de eigen bijdrageregeling, zoals deze voorheen
gold ingevolge de subsidieregeling voor de gezinsverzorging. Ten tijde
van die regeling werd uitgegaan van de draagkracht van de leefeenheid
ten tijde van het ontvangen van de zorg. Dat in het kader van het
Bijdragebesluit gekeken wordt naar het inkomen in het peiljaar is
blijkens de nota van toelichting ingegeven door het belang van een
praktische uitvoerbaarheid, te weten het kunnen afgaan op gegevens van
de belastingdienst omtrent de hoogte van het inkomen, welke gegevens
doorgaans in het zorgjaar nog niet bekend (kunnen) zijn. Ten slotte
heeft de Raad in aanmerking genomen dat in artikel 16e, vierde lid, is
voorzien in een regeling voor gevallen waarin het inkomen in het
zorgjaar naar redelijke verwachting substantieel lager zal zijn dan in
het peiljaar, met dien verstande dat alsdan op aanvraag van de
verzekerde een voorlopige vaststelling van de eigen bijdrage plaatsvindt
aan de hand van de actuele inkomensgegevens.
Aangezien het inkomen van appellante in het zorgjaar volgens haar -
onbetwist gebleven - opgave d.d. 6 februari 2000 nihil was en dat van
haar echtgenoot in dat jaar f 45.994,--, gaat de Raad ervan uit dat
appellant alsnog zal zorgdragen voor toepassing van het bepaalde in
artikel 16e, vierde lid, van het Bijdragebesluit.
Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit in rechte stand
houdt en dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Dit
besluit dient te worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank
had behoren te doen, het inleidend beroep ongegrond verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert, als leden, in tegenwoordigheid van
mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18
december 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|