|
Uitspraak
01/6294
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
O.W.M. Agis Zorgverzekeringen u.a., gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 december 1999 heeft gedaagde de eigen bijdrage in de
kosten van zorg, als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), verleend aan [naam echtgenote], met
ingang van 1 juli 1999 vastgesteld op f 540,-- per maand.
Gedaagde heeft het bezwaar tegen dat besluit bij het bestreden besluit
van 31 augustus 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij de aangevallen uitspraak van 2 november 2001 ongegrond
verklaard.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Appellant heeft desgevraagd bij brief van 21 december 2002 een reactie
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 januari 2003. Appellant is
daar in persoon verschenen. Gedaagde heeft zich daar laten
vertegenwoordigen door mr. C.C.J. Splint, werkzaam in dienst van
gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende tussen partijen niet in geschil zijnde
feiten en omstandigheden.
De echtgenote van appellant, [naam echtgenote], verbleef ten tijde van
belang in een AWBZ-instelling. De daarvoor ingevolge artikel 6, derde
lid, van de AWBZ verschuldigde eigen bijdrage is bij het bestreden
besluit vastgesteld op f 540,-- per maand. Gedaagde is daarbij uitgegaan
van een bijdrageplichtig inkomen van f 52.145,34 per jaar.
Appellant stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van het
bijdrageplichtige inkomen ten onrechte geen rekening is gehouden met een
betaalde onderhoudsbijdrage van f 21.134,-- ten behoeve van zijn
studerende dochter. Hij is van mening dat deze bijdrage in het
levensonderhoud van zijn dochter geheel van zijn inkomen dient te worden
afgetrokken. Daartoe is een beroep gedaan op de tekst van artikel 8 van
het Bijdragebesluit zorg, op onder verantwoordelijkheid van gedaagde
beschikbaar gesteld informatiemateriaal en op een schriftelijke
verklaring d.d. 7 november 2000 van M. van der Lee van het College voor
zorgverzekeringen. Tevens is een beroep op het vertrouwensbeginsel
gedaan. In dat verband is erop gewezen dat bij de vaststelling van de
eigen bijdrage over 1997 en 1998 wel met het gehele bedrag van de
onderhoudsbijdrage rekening is gehouden.
Gedaagde heeft aangevoerd dat bij de vaststelling van het
bijdrageplichtige inkomen rekening is gehouden met een
onderhoudsbijdrage voor de dochter van f 5.389,08. Dit bedrag is gelijk
aan de "ouderbijdrage" vastgesteld door de
Informatiebeheergroep. Gedaagde acht de door appellant opgevoerde
onderhoudsbijdrage abnormaal hoog en onredelijk. Gedaagde beroept zich
op een circulaire van de voormalige Ziekenfondsraad aan de
uitvoeringsorganen AWBZ van 7 mei 1997, waarin dit naar zijn mening is
voorgeschreven. Een bijzonder geval om daarvan af te wijken acht
gedaagde niet aanwezig. Met betrekking tot het beroep op het
vertrouwensbeginsel heeft gedaagde naar voren gebracht dat het - gezien
toen van toepassing zijnd overgangsrecht - in 1997 en 1998 niet relevant
was om de hoogte van de door appellant opgevoerde onderhoudsbijdrage te
betwisten. Aan de omstandigheid dat met betrekking tot de juistheid van
die bijdragen geen reactie is afgegeven, kan volgens gedaagde niet de
gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat die bijdragen toen zijn
geaccepteerd.
De Raad dient gelet op het vorenstaande de vraag te beantwoorden of
gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de
vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen slechts rekening kan
worden gehouden met een bedrag ter grootte van de
"ouderbijdrage" als bedoeld in de Wet op de
studiefinanciering.
Hij beantwoordt die vraag als volgt.
Blijkens artikel 6, derde lid, van de AWBZ kan bij algemene maatregel
van bestuur als voorwaarde voor het verkrijgen van een verstrekking
worden gesteld, dat de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan.
Artikel 2, eerste lid, van de desbetreffende algemene maatregel van
bestuur, het Bijdragebesluit zorg (het Besluit), bepaalt dat de
verzekerde van 18 jaar of ouder bijdraagt in de kosten van zorg, welke
door een instelling of verzorgingshuis wordt verleend.
Artikel 5, eerste lid, van het Besluit luidde ten tijde in geding, voor
zover van belang, als volgt:
"Voor de vaststelling van de bijdrage wordt uitgegaan van het
bijdrageplichtig inkomen dat in het berekeningsjaar (...) is genoten, of
redelijkerwijs geacht kan worden te zijn genoten."
De artikelen 6 tot en met 8 van het Besluit bepaalden op welke wijze het
bijdrageplichtige inkomen dient te worden vastgesteld. Blijkens dit
samenstel van artikelen dient te worden uitgegaan van het inkomen van de
verzekerde in het refertejaar verminderd met limitatief opgesomde
aftrekposten.
Artikel 8 van het Besluit luidde ten tijde van belang met betrekking tot
de in geschil zijn de aftrekpost als volgt:
"Uitkeringen, gedaan om te voorzien in de kosten van onderhoud,
worden, na toepassing van de artikelen 5, 6 en 7, op de inkomsten in
mindering gebracht, voor zover deze naar redelijke maatstaven strekken
tot dat doel en worden gedaan ten behoeve van eigen, aangehuwde en
pleegkinderen, mits voor die kinderen op grond van de artikelen 7 en 26
van de Algemene Kinderbijslagwet recht op een uitkering bestaat of aan
die kinderen, voor zover ze de leeftijd van 27 jaar nog niet hebben
bereikt, studiefinanciering is toegekend krachtens de Wet op de
studiefinanciering."
De Raad is van oordeel dat uit de tekst van artikel 8 van het Besluit
volgt dat aan de in dat artikel omschreven kinderen betaalde financiλle
bijdragen op het inkomen in mindering dienen te worden gebracht, voor
zover die bijdragen er naar redelijke maatstaf toe strekken om te
voorzien in het onderhoud van die kinderen. De Raad heeft noch in de
nota van toelichting noch in het systeem van het Besluit
aanknopingspunten gevonden voor een andere uitleg.
Hieruit volgt dat gedaagde - door ervan uit te gaan dat slechts de in de
Wet op de studiefinanciering bedoelde ouderbijdrage op het inkomen in
mindering kan worden gebracht - een onjuiste maatstaf heeft aangelegd.
Het standpunt van gedaagde dat correct toepassing is gegeven aan de op 7
mei 1997 gedateerde circulaire AWBZ/10/97 van de voormalige
Ziekenfondsraad kan dit niet rechtvaardigen aangezien deze circulaire in
zoverre in strijd moet worden geacht met artikel 8 van het Besluit.
Daarbij komt nog dat de door gedaagde toegepaste maatstaf evenmin
overeenstemt met het onder verantwoordelijkheid van gedaagde verspreide
voorlichtingsmateriaal dat uitgaat van de feitelijk ten behoeve van het
levensonderhoud gedane betalingen.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering
berust, zodat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene
wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Aangezien het beroep tegen
het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond is
verklaard, kan ook deze uitspraak niet in stand blijven.
Gedaagde zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op
het bezwaar van appellant dienen te nemen. Hij zal daarbij aandacht
moeten besteden aan de tot nu toe niet onderzochte vraag of de door
appellant opgevoerde bijdragen feitelijk zijn betaald en naar redelijke
maatstaf konden strekken tot het onderhoud van zijn studerende dochter.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen tot vergoeding van de in beroep en in hoger beroep
gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op 9,20 aan
reiskosten. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is
niet gebleken.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Draagt gedaagde op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van
appellant met in achtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van door appellant gemaakte
proceskosten tot een bedrag groot 9,20;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van het door appellant in beroep en
in hoger beroep gestorte griffierecht ten bedrage van 104,37.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr.
E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op
4 maart 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|