|
Uitspraak
01/2653
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
OHRA Ziektekostenverzekeringen N.V., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, op bij
beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door
de rechtbank Haarlem op 19 maart 2001 tussen partijen gewezen uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 oktober 2002, waar appellant
en zijn gemachtigde - met bericht - niet zijn verschenen, terwijl
gedaagde is verschenen bij haar gemachtigde mr. drs. N.J.E.G. Cremers.
II. MOTIVERING
Aan de stukken en de aangevallen uitspraak ontleent de Raad het
volgende.
Appellant is in verband met een kijkoperatie op 24 november 1995
opgenomen in het VU-ziekenhuis te Amsterdam. Appellant is teneinde te
herstellen op 18 januari 1996 opgenomen in [naam tehuis] te Amstelveen,
een instelling als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ). Op 20 december 1996 is appellant uit [naam tehuis] ontslagen. In
verband met een verslechterende gezondheidstoestand is appellant op 15
januari 1997 opgenomen voor een operatie in het Slotervaartziekenhuis te
Amsterdam. Om te revalideren is appellant aansluitend op 26 maart 1997
weer opgenomen in [naam tehuis]. Deze opname is op 7 oktober 1997 beëindigd.
In 1996 was eiser, als gehuwde, ter zake van zijn verblijf in [naam
tehuis], na een wachttijd van zes maanden, een eigen bijdrage van f
210,-- per maand verschuldigd.
Op 1 januari 1997 zijn de bijdragen die verschuldigd zijn voor het
verblijf in een AWBZ-instelling geregeld in het Bijdragebesluit zorg. Op
grond van artikel 14 van dat besluit heeft gedaagde bij primair besluit
van 11 september 1997 de eigen bijdrage van appellant met ingang van 26
maart 1997, de dag waarop appellant wederom werd opgenomen in [naam
tehuis], vastgesteld op f 1085,-- per maand.
Het tegen het primair besluit ingediende bezwaarschrift heeft gedaagde
bij het thans bestreden besluit van 19 mei 1998 ongegrond verklaard. Het
daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij de thans aangevallen
uitspraak ongegrond verklaard.
De Raad overweegt als volgt.
Hetgeen gemachtigde van appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is
voor het overgrote deel een herhaling van de in eerste aanleg naar voren
gebrachte stellingen, welke stellingen naar het oordeel van de Raad door
de rechtbank op goede gronden zijn verworpen. Desalniettemin overweegt
de Raad naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd nog
het volgende. Namens appellant is benadrukt dat het gaat om een
samenhangend medisch feitencomplex en dat er ten tijde van het eerste
ontslag uit [naam tehuis] een medische beoordelingsfout is gemaakt. De
Raad is van oordeel dat de vraag of er sprake is van een samenhangend
medisch complex of van een medische fout voor de beoordeling van de
eigen bijdrage in het kader van het te dezen van toepassing zijnde
overgangsrecht, in aanmerking genomen de bewoordingen daarvan, niet
relevant is. De Raad wijst er overigens op dat uit de rapportage van de
arts I.H. Liem niet valt af te leiden dat er inderdaad sprake is geweest
van een medische beoordelingsfout.
De Raad trekt niet in twijfel dat er voor appellant belangrijke financiële
consequenties zijn verbonden aan het betalen van de hogere eigen
bedrage. De Raad is evenwel van oordeel dat nu er een overgangsregeling
in het leven is geroepen, waarbij rekening is gehouden met die financiële
gevolgen, en appellant niet onder de werking van die overgangsregeling
is gebracht, dit op een uitdrukkelijke keuze van de regelgever berust,
die daarbij een afweging van de betrokken belangen heeft gemaakt. Voor
een nadere toetsing van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) in die zin dat de toepassing van artikel 14 van het
Bijdragebesluit zorg in het onderhavige geval achterwege zou moeten
blijven, bestaat gelet op de terughoudendendheid die de rechter in acht
behoort te nemen bij de toetsing van algemeen verbindende voorschriften,
zoals in casu de Bijdrageregeling zorg, in aanmerking genomen de door de
regelgever in casu gemaakte afweging, naar het oordeel van de Raad geen
aanleiding.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75
van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant.
Daarom moet als volgt worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. Ch. de Vrey
en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 december 2002.
(get.) R.M. van Male.
(get.) A. van Netten.
|
|