|
Uitspraak
99/5255
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Stichting Zilveren Kruis Zorgverzekeraar Rijnmond, gevestigd te
Rotterdam, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 20 augustus 1997 heeft appellant de eigen bijdrage van
gedaagde in de kosten van zorg, als bedoeld in artikel 6, derde lid, van
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), aan haar verleend door
het verzorgingshuis [naam verzorgingshuis] te [vestigingsplaats], met
ingang van 1 januari 1997 vastgesteld op f 1.728,34 per maand. Daarbij
is uitgegaan van het refertejaar 1996.
Bij het bestreden besluit van 29 januari 1998 heeft appellant het
bezwaar van gedaagde tegen dit besluit gegrond verklaard en zijn
administratie opdracht gegeven een nieuw besluit af te geven uitgaande
van het jaar 1995 als refertejaar. Bij dat besluit zijn de bezwaren van
gedaagde tegen de berekeningsmethode ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij de aangevallen
uitspraak van 6 september 1999 het beroep tegen het bestreden besluit
gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover het betrekking
heeft op de berekeningsmethodiek en bepaald dat appellant een nieuw
besluit op bezwaar neemt met inachtneming van haar uitspraak, en
beslissingen gegeven inzake de proceskosten en het griffierecht. Naar
die uitspraak wordt hierbij verwezen.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr A. Stoop, wonende te Vught, een verweerschrift
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 januari 2001, waar
voor appellant is verschenen R.W. Bestebreurtje, als juridisch
medewerker werkzaam bij appellant, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr Stoop voornoemd.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende - tussen
partijen niet in geschil zijnde - feiten en omstandigheden.
Gedaagde heeft samen met haar echtgenoot [echtgenoot] in het
verzorgingshuis [naam verzorgingshuis] te [vestigingsplaats] gewoond.
Zij waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Gedaagde ontving
in het jaar 1995 een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW)
en daarnaast f 476,-- aan rente. Haar echtgenoot ontving in dat jaar,
naast zijn uitkering ingevolge de AOW, een particulier ouderdomspensioen
ten bedrage van circa f 50.000,-- bruto. Gedaagde was niet aangewezen
als begunstigde. Nadat haar echtgenoot op 5 september 1996 was
overleden, is gedaagde alleen in [naam verzorgingshuis] blijven wonen.
Gedaagde ontving na het overlijden van haar echtgenoot, naast haar
uitkering ingevolge de AOW en enkele honderden guldens rente, een
particulier weduwenpensioen ten bedrage van circa f 35.000,-- per jaar.
Het bestreden besluit heeft betrekking op de eigen bijdrage van gedaagde
over de periode van 1 januari 1997 tot 1 juli 1997.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat voor de vaststelling
van de eigen bijdrage van gedaagde 50% van het in 1995 genoten
gezinsinkomen, dat wil zeggen het inkomen dat gedaagde en haar
echtgenoot in dat jaar tezamen hebben genoten, aan gedaagde moet worden
toegerekend als bijdrageplichtig inkomen. Appellant beroept zich voor
dat standpunt op circulaire AWBZ/1/96 d.d. 3 januari 1996 van de
Ziekenfondsraad, thans het College voor Zorgverzekeringen, welke
circulaire betrekking heeft op artikel 11, eerste lid, van de
Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ, waarvan de inhoud blijkens
telefonische mededeling vanwege voornoemd College aan appellant ook van
toepassing is op artikel 5, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg
(koninklijk besluit van 26 september 1996, Stb. 486; verder genoemd:
Besluit).
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat uitsluitend het eigen inkomen
van gedaagde in dat jaar bij de vaststelling van de eigen bijdrage mag
worden betrokken.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond
verklaard en dit besluit vernietigd voorzover daarbij is bepaald dat
voor de vaststelling van de eigen bijdrage van gedaagde over de eerste
zes maanden van 1997 dient te worden uitgegaan van 50% van het
gezinsinkomen in 1995. Zij heeft daartoe - appellant als verweerder
aanduidende en gedaagde als eiseres, respectievelijk verzekerde - het
volgende overwogen:
"De rechtbank stelt voorop dat artikel 11, eerste lid, van de
Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ, waarnaar verweerder heeft
verwezen, met ingang van 1 januari 1997 is vervallen. (...) Op het
onderhavige geschil is derhalve het Besluit van toepassing. Ingevolge
artikel 2, derde lid, van het Besluit is eiseres vanaf 5 september 1996
een bijdrage voor de ongehuwde verzekerde verschuldigd. In een uitspraak
van 16 april 1999 (RSV 1999, 192) heeft de Centrale Raad van Beroep -
onder meer - het volgende overwogen: "Met name gelet op de
artikelen 4 en 6 tot en met 9 juncto artikel 1 en 2 van het Besluit,
bezien in samenhang met de toelichting daarop, is bij het Besluit een
strak omlijnde en uitputtende regeling gegeven, niet alleen met
betrekking tot wat tot het bijdrageplichtig inkomen in de zin van
artikel 1, eerste lid, onder g, wordt gerekend (…) maar ook met
betrekking tot wat daarvan is uitgezonderd (…) dan wel wordt
toegestaan als aftrekpost. Blijkens dit samenstel van voorschriften
heeft de wetgever daarbij voorzien in een limitatieve omschrijving van
de tot het bijdrageplichtig inkomen behorende respectievelijk daarvan
uitgesloten componenten."
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de systematiek van het
Besluit en de toelichting daarop dat de eigen bijdrage in beginsel
afhankelijk is van de inkomenssituatie van de betrokken verzekerde zelf.
Noch de tekst noch de toelichting bij artikel 5, eerste lid, van het
Besluit bieden duidelijkheid over de strekking van het onderdeel
"of redelijkerwijs geacht kan worden te zijn genoten". Evenmin
is uit die bepaling of de toelichting daarbij een voldoende omlijnde
maatstaf af te leiden om te bepalen in welke gevallen van de
ontegenzeglijk als hoofdregel geldende naar de verzekerde toe geďndividualiseerde
vaststelling zou moeten of kunnen worden afgeweken. Voor het standpunt
van verweerder dat het redelijk is in geval van overlijden van
verzekerdes partner diens inkomen op te tellen bij dat van verzekerde en
van dit gezamenlijke inkomen 50% aan verzekerde toe te rekenen vindt de
rechtbank in de onderhavige regeling onvoldoende steun. De rechtbank
vermag in artikel 5, eerste lid, van het Besluit niet een toereikende
basis te zien om in een geval als het onderhavige 50% van het in 1995
genoten "gezinsinkomen" aan eiseres toe te rekenen.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat in casu onder het
bijdrageplichtig inkomen van eiseres dient te worden verstaan het
inkomen dat de ongehuwde verzekerde, te weten eiseres zelf, in 1995
heeft genoten."
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd en nader geadstrueerd dat
gedaagde in het refertejaar 1995 geacht wordt 50% van het aan haar
echtgenoot uitgekeerde werkgeverspensioen te hebben genoten, 50% van de
gehuwden-AOW en 50% van de renteopbrengst uit vermogen. Appellant acht
het onder de gegeven omstandigheden niet doorslaggevend dat het
werkgeverspensioen op naam van de echtgenoot is uitgekeerd. Hij stelt
zich op het standpunt dat gedaagde uit dit pensioen en de renteopbrengst
dezelfde welstand heeft genoten als haar echtgenoot met wie zij in
algehele gemeenschap van goederen was gehuwd. Appellant heeft er verder
op gewezen dat zijn standpunt nog immer onverkort wordt gedeeld door de
Ziekenfondsraad, thans het College voor Zorgverzekeringen.
Namens gedaagde is in hoger beroep aangevoerd dat het Bijdragebesluit
zorg uitgaat van een individuele benadering en dat blijkens de artikelen
6 tot en met 9 van dat Besluit geen inkomensbestanddelen van de ene
partner worden toegerekend aan de andere partner. In dit verband is erop
gewezen dat niet blijkt dat de regering met artikel 5, eerste lid, van
het Besluit heeft willen afwijken van de individuele benadering van de
artikelen 6 tot en met 9. Blijkens de toelichting op dat artikellid
betreft het toerekenen van inkomen volgens gedaagde uitsluitend door de
verzekerde zelf genoten inkomen dat feitelijk is ontvangen in een ander
jaar en geen toerekening van inkomen van de partner. Tenslotte heeft
gedaagde erop gewezen dat de benadering van appellant ertoe leidt dat,
indien de partner van gedaagde langstlevende was geweest, ook voor hem
had moeten gelden dat slechts 50% van het gezinsinkomen bijdrageplichtig
inkomen is, in weerwil van het feit dat zijn individuele draagkracht in
dat geval groter was geweest.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit in rechte stand houdt. De Raad beantwoordt deze vraag, evenals
de rechtbank, doch op andere gronden, ontkennend.
De Raad stelt vast dat het bezwaar van gedaagde tegen het primaire
besluit van 20 augustus 1997 bij het bestreden besluit van 29 januari
1998 gegrond is verklaard en dat appellant bij dat besluit aan zijn
administratie opdracht heeft gegeven een nieuw besluit te nemen
uitgaande van een ander refertejaar, te weten 1995. Blijkens het
verhandelde ter zitting van de Raad is zulk een nader besluit niet
genomen.
De Raad is van oordeel dat artikel 7:11 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) geen ruimte biedt voor een werkwijze waarbij ten
aanzien van de gegrondheid van het bezwaar en de bepaling van de inhoud
van de rechtspositie van de indiener van het bezwaar afzonderlijke
besluiten worden afgegeven. Reeds hierom kan het bestreden besluit geen
stand houden. Appellant zal uitgaande van het refertejaar 1995 alsnog
een besluit op bezwaar dienen te nemen omtrent de eigen bijdrage van
gedaagde.
Met betrekking tot het inhoudelijke geschil dat partijen verdeeld houdt
overweegt de Raad het volgende.
Artikel 11, eerste lid, van de Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ
luidde voor zover hier van belang: "Voor de vaststelling van de
bijdrage wordt uitgegaan van het bijdrageplichtig inkomen dat door de
verzekerde onderscheidenlijk de verzekerden in het berekeningsjaar (...)
is genoten, of redelijkerwijs geacht kan worden te zijn genoten."
Dit artikel is met ingang van 1 januari 1997 vervallen.
Met betrekking tot de vaststelling van de over het eerste half jaar van
1997 verschuldigde eigen bijdrage is naar 's Raads oordeel dan ook van
toepassing het op 1 januari 1997 in werking getreden Bijdragebesluit
zorg.
Artikel 2, eerste lid, van dit Besluit bepaalt dat de verzekerde van 18
jaren of ouder bijdraagt in de kosten van de zorg, verleend door een
instelling of een verzorgingshuis. Artikel 2, derde lid, van dit Besluit
bepaalt, voor zover hier van belang, dat een wijziging in de burgerlijke
staat van de verzekerde in aanmerking wordt genomen met ingang van de
datum waarop die wijziging plaatsvindt.
Artikel 6, eerste lid, van het Besluit bepaalt, voorzover hier van
belang: "Voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen
geldt als inkomen in het desbetreffende jaar;
a. (...)
b. de bruto inkomsten uit uitkeringen ingevolge de
socialezekerheidswetgeving en pensioenuitkeringen;
c. (...)
d. de bruto opbrengsten uit onderneming en vermogen;
e. de overige bruto inkomsten; (...)
Artikel 5, eerste lid, van het Besluit bepaalt, voorzover hier van
belang, dat voor de vaststelling van de bijdrage wordt uitgegaan van het
bijdrageplichtig inkomen dat in het berekeningsjaar is genoten, of
redelijkerwijs geacht kan worden te zijn genoten.
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit definieert
bijdrageplichtig inkomen als: "het inkomen van de ongehuwde
verzekerde of het inkomen van de ongehuwde verzekerde en zijn echtgenoot
tezamen".
De Raad is van oordeel dat het in het voorliggende geval met dit
samenstel van bepalingen niet onverenigbaar is om, zoals appellant heeft
gedaan, bij de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen van
gedaagde uit te gaan van 50% van het gezamenlijk inkomen van gedaagde en
haar echtgenoot in 1995. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat
noch in de tekst van het Bijdragebesluit zorg, noch in de nota van
toelichting bij dat Besluit, aanwijzingen zijn te vinden voor het
standpunt dat de regelgever bij de vaststelling van dit Besluit heeft
willen breken met de uitvoeringspraktijk van artikel 11 van de
Bijdrageregeling intramurale zorg, zoals neergelegd in circulaire
AWBZ/1/96 van de voormalige Ziekenfondsraad. Naar 's Raads oordeel
ontbreken dwingende aanknopingspunten voor het oordeel dat de regelgever
met betrekking tot een situatie als de onderhavige de verregaande mate
van individualisering van de grondslag van de eigen bijdrage voor ogen
heeft gestaan, die de gemachtigde van gedaagde heeft bepleit.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, waarbij het
bestreden besluit op geheel andere gronden is vernietigd, niet in stand
kan blijven voorzover aangevochten.
De Raad acht termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de
Awb. Appellant wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die
gedaagde in hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op f
43,-- aan reis- en verblijfkosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is
beslist over de proceskosten en het griffierecht;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
Verstaat dat appellant een besluit op bezwaar neemt met inachtneming van
deze uitspraak;
Veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde in
hoger beroep, begroot op f 43,--.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van
A.H. Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2001.
(get.) R.M. van Male.
(get.) A.H. Huls.
|
|