|
Uitspraak
00/5542
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Onderlinge Waarborgmaatschappij NUTS Zorgverzekering U.A., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft gedaagde verzocht hem een persoonsgebonden budget
verpleging en verzorging (PGB) toe te kennen.
Bij primair besluit van 11 mei 1999 heeft gedaagde dit verzoek
afgewezen.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij het
bestreden besluit van 13 september 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft het tegen het bestreden besluit
ingestelde beroep bij uitspraak van 8 september 2000 ongegrond
verklaard.
Namens appellant is mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, van
deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben op verzoek van de Raad nadere stukken ingezonden.
Bij brief van 9 december 2002 heeft O. Jongsma, algemeen directeur van
de Stichting Fokus Exploitatie (hierna: Fokus), op verzoek van de Raad
informatie verstrekt over de juridische relatie tussen appellant en
Fokus.
Gedaagde heeft bij brief van 10 februari 2003 een reactie gegeven op de
door O. Jongsma verstrekte informatie.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 26 maart 2003, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Toxopeus
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.
van der Marel, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De destijds door de Ziekenfondsraad (thans: College voor
zorgverzekeringen) vastgestelde Regeling Ziekenfondsraad subsidiering
persoonsgebonden budget 1999 (hierna: de Regeling) voorziet (onder meer)
in de financiering en toewijzing van PGB´s voor het jaar 1999. Gedaagde
is een van de zorgkantoren waaraan subsidie voor de toekenning van PGB´s
wordt toegekend. De zorgkantoren beoordelen aanvragen om toekenning van
een PGB aan de hand van de Regeling.
Appellant heeft een cervicale dwarslaesie en is rolstoelgebonden. Hij is
voor zijn dagelijkse verzorging grotendeels aangewezen op hulp van
derden. Sinds 1993 is hij woonachtig in een van de Christelijke
Woningbouwvereniging Zoetermeer gehuurde woning aan de [adres] te
[woonplaats]. Deze woning maakt deel uit van een cluster van 12 woningen
(hierna: clusterwoningen), die speciaal gebouwd zijn voor de huisvesting
van minder validen die assistentie behoeven bij de algemene dagelijkse
levensverrichtingen (ADL). Genoemde woningbouwvereniging is met Fokus
overeengekomen dat laatstgenoemde de ADL-assistentie aan de bewoners van
de clusterwoningen zal leveren.
Gaandeweg zijn er tussen appellant en de zorgverleners van Fokus op het
vlak van de onderlinge bejegening problemen ontstaan, die er
uiteindelijk in hebben geresulteerd dat Fokus bij brief van 27 april
1998 de tussen appellant en deze stichting bestaande mondelinge
overeenkomst tot dienstverlening om gewichtige redenen ex artikel 7:460
BW heeft opgezegd en de dienstverlening met ingang van 1 juli 1998 heeft
beëindigd. Appellant heeft eerst op 10 november 2000 in kort geding
hervatting van de dienstverlening door Fokus gevorderd. Deze vordering
is door de president van de rechtbank Groningen bij vonnis van 4 januari
2001 afgewezen. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. Evenmin
heeft appellant ter zake van de rechtmatigheid van de opzegging van de
overeenkomst een bodemprocedure aanhangig gemaakt.
Appellant is na het staken van de ADL-assistentie door Fokus blijven
wonen in de clusterwoning. De noodzakelijke zorg is hem sindsdien
geboden door zijn moeder. Omdat appellant dit voor de lange termijn geen
oplossing vond, heeft hij bij gedaagde een PGB aangevraagd.
Gedaagde heeft deze aanvraag bij het primaire besluit afgewezen, welke
afwijzing bij het bestreden besluit is gehandhaafd. De weigering een PGB
toe te kennen heeft gedaagde gebaseerd op de grond dat, nu appellant
woont in een zogeheten ADL-woning, het bepaalde in artikel 5, vierde
lid, van de Regeling aan toekenning van een PGB in de weg staat.
In dit geding is de vraag aan de orde of de weigering een PGB aan
appellant toe te kennen op de hiervoor genoemde grond in rechte stand
kan houden.
Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Daartoe heeft hij het volgende
overwogen.
Ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Regeling komt de verzekerde
slechts voor een PGB in aanmerking voor zover het zorgonderdelen betreft
die niet op andere wijze worden vergoed.
Naar het oordeel van de Raad heeft deze bepaling, mede gelet op het
daarin gebruikte begrip 'vergoeden', het karakter van een
anticumulatiebepaling. Toepassing van deze bepaling dient te voorkomen
dat zorgonderdelen dubbel worden vergoed. De Raad heeft geen
aanknopingspunt gevonden voor een uitleg inhoudende dat het enkele
bestaan van een eventuele aanspraak op zorg uit anderen hoofde de
toekenning van een PGB zou kunnen uitsluiten.
Vast staat dat appellant op 31 juli 1998 een PGB heeft aangevraagd voor
de bekostiging van de zorgonderdelen die tot 1 juli 1998 door Fokus aan
appellant werden geboden. Nu de overeenkomst tot dienstverlening tussen
appellant en Fokus door laatstgenoemde per 1 juli 1998 was opgezegd en
Fokus deze opzegging op genoemde datum had geëffectueerd, staat vast
dat appellant ten tijde in geding feitelijk geen zorg meer ontving van
Fokus. De Raad is uit de gedingstukken niet gebleken dat voor de
aangevraagde, door Fokus niet langer aan appellant verleende zorg op
enigerlei wijze - direct of indirect - een vergoeding heeft
plaatsgevonden. Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde hierover -
desgevraagd - evenmin duidelijkheid kunnen bieden. De stelling van
gedaagde dat de in clusterwoningen verleende ADL-zorg valt onder de
Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring aanpassingen bestaande
ADL-clusters 1999 en de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring
ADL-assistentie 1999, is zonder nadere toelichting - die niet is gegeven
- onvoldoende voor het oordeel dat zorgonderdelen, waarvoor appellant
een PGB heeft aangevraagd, uit anderen hoofde tot vergoeding zijn
gekomen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat ingevolge deze
Regeling een relatie dient te worden gelegd tussen feitelijk gemaakte
zorguren en de aanspraak op subsidie. Een en ander betekent dat niet is
komen vast te staan dat de zorg, waarvoor appellant een PGB heeft
aangevraagd, op andere wijze is vergoed, zodat niet voldaan is aan het
gestelde in artikel 5, vierde lid, van de Regeling. Gedaagde heeft
voorts betoogd dat blijkens het aanhangsel bij de huurovereenkomst ten
behoeve van de verhuur van de door appellant bewoonde woning de
ADL-assistentie van Fokus onlosmakelijk verbonden is met de huur van de
betreffende woonruimte. Dit kan de Raad echter niet tot een ander
oordeel brengen. De Raad onderkent dat er sprake is van een zekere
samenhang, maar ziet niet in dat daaruit een dubbele vergoeding van de
aangevraagde zorgonderdelen als hiervoor bedoeld moet worden afgeleid.
Beëindiging van de ADL-dienstverlening zou, gelet op de in de
overeenkomst tussen appellant en Fokus uitgedrukte samenhang, veeleer
van invloed kunnen zijn op de vraag of de huurovereenkomst om die reden
rechtsgeldig kan worden beëindigd.
Nu het bestreden besluit uitsluitend gemotiveerd is met een beroep op
artikel 5, vierde lid, van de Regeling, concludeert de Raad dat de aan
dit besluit ten grondslag gelegde motivering niet deugdelijk is. Het
bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Dit lot treft
ook de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten.
Gedaagde dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Ter voorlichting van
partijen merkt de Raad op dat in het voorgaande, gelet op de zich onder
de gedingstukken bevindende gegevens, niet besloten ligt dat thans al
zou vaststaan dat appellant recht heeft op toekenning van een PGB voor
de gevraagde zorgonderdelen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende
rechtsbijstand in beroep en € 805,-- voor verleende rechtsbijstand in
hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende,
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 1.449,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van € 104,37
(beroep en hoger beroep) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.
van Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|