|
Uitspraak
02/75
AAW [lees: 02/75 AWBZ, red.]
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geval de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., gevestigd te Zeist.
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan Cadans
Uitvoeringsinstelling B.V.
Bij het bestreden besluit op bezwaar van 15 maart 2000 heeft appellant
het bezwaar van gedaagde tegen zijn besluit van 15 juni 1999 ongegrond
verklaard. Appellant heeft in dat besluit, toepassing gevende aan de
Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring voortzetting vergoedingen voor
huishoudelijke hulp 1999, voor zover hier van belang, bepaald dat de aan
gedaagde voor 15 uren per week toegekende vergoeding voor huishoudelijke
hulp met ingang van 1 juni 1999 wordt teruggebracht naar 12 uur, met
ingang van 1 december 1999 naar 9 uren en met ingang van 1 juni 2000
naar 5,5 uren.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 26 november 2001 het beroep
tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
bepaald dat een nieuw besluit wordt genomen nadat advies is ingewonnen
bij het College voor zorgverzekeringen.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 juli 2003, waar
voor appellant zijn verschenen mr. B.M. Kleijs, werkzaam in dienst van
appellant, en C. Andriessen, werkzaam bij het RIO Nijmegen en Omstreken.
Gedaagde is daar in persoon verschenen met bijstand van haar echtgenoot
[naam echtgenoot].
II. MOTIVERING
Het in rubriek I beschreven bestreden besluit van 15 maart 2000 is
genomen na herindicatie van de zorgbehoefte van gedaagde door het
Regionaal Indicatie Orgaan Nijmegen en Omstreken (hierna: RIO) en stemt
daarmee overeen. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hem
niet de vrijheid toekomt om van deze indicatie af te wijken.
Gedaagde kan zich daarmee niet verenigen. Aangevoerd is - kort
samengevat - dat de indicatie onzorgvuldig is uitgevoerd, dat de
indicatiemethode niet valide is, dat goede indicatiemaatstaven ontbreken
waardoor willekeur ontstaat, dat geen aandacht is besteed aan haar
toegenomen medische beperkingen en dat ten onrechte rekening is gehouden
met de aanwezigheid van huisgenoten (een echtgenoot en twee studerende
kinderen) op wie een beroep gedaan zou kunnen worden. Uitgangspunt van
mantelzorg is volgens gedaagde dat deze vrijwillig is en niet mag worden
opgelegd. Bovendien kon er ten tijde van belang volgens haar geen beroep
op die mantelzorg worden gedaan wegens ziekte van haar echtgenoot en
één van de kinderen.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit
vernietigd. Appellant heeft naar haar oordeel ten onrechte geen advies
is ingewonnen bij de Commissie verstrekkingengeschillen van het College
voor zorgverzekeringen. Zij heeft daartoe - appellant als verweerder
aanduidende en gedaagde als eiseres - het volgende overwogen:
"Ten tijde in geding was ingevolge artikel 39, derde lid, aanhef en
onder h van de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv) de Regeling
Ziekenfondsraad subsidiëring voortzetting vergoedingen voor
huishoudelijke hulp 1999 (hierna: de regeling) vastgesteld.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de regeling stelt de
Ziekenfondsraad uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten middelen
ter beschikking voor de voortzetting van vergoeding van kosten van
huishoudelijke hulp in het subsidiejaar aan verzekerden ingevolge de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
In het tweede lid is bepaald dat uit de in het eerste lid bedoelde
middelen subsidie wordt verleend aan de in de bijlage bij deze regeling
genoemde rechtspersonen, in verband met door hen verleende voortgezette
vergoeding van kosten van huishoudelijke hulp aan AWBZ-verzekerden.
Verweerder is in bedoelde bijlage als zodanig genoemd.
In artikel 2, aanhef en onder b van de regeling is voorts nog bepaald
dat de subsidieontvanger minimaal éénmaal per twaalf maanden de aan de
verzekerde komende vergoeding vaststelt, onder meer op basis van een
indicatiebesluit als bedoeld in de artikelen 9a en 9b van de AWBZ,
waaruit volgt dat de verzekerde is aangewezen op voortzetting van de
huishoudelijke hulp.
Uit voormelde bepalingen, in samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat
verweerder ten aanzien van voormalige AAW-cliënten, zoals eiseres,
belast is met de uitvoering van de AWBZ, voor zover deze wet voorziet in
aanspraken op zorg bestaande uit (ondermeer) huishoudelijke hulp, zoals
bedoeld in artikel 6 van deze wet. Hieruit volgt mitsdien dat verweerder
bevoegd was tot het nemen van het primaire en bestreden besluit.
Ingevolge artikel 58, eerste lid, AWBZ wordt een beslissing op een
bezwaar inzake een aanspraak op zorg of een daarmee overeenkomende
uitkering ingevolge deze wet niet genomen dan nadat daaromtrent door het
College voor zorgverzekeringen op verzoek van het bestuursorgaan advies
is uitgebracht.
De rechtbank heeft moeten constateren dat verweerder alvorens te
beslissen op het bezwaarschrift bedoeld advies van het College voor
zorgverzekeringen niet heeft ingewonnen. Uit inmiddels tot stand gekomen
jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zoals bijvoorbeeld
gepubliceerd in USZ 2001/52) dient ook in zaken als de onderhavige,
gelet op de duidelijke tekst van genoemd artikel, vooraf bedoeld advies
te worden gevraagd waarbij dan tevens de indicatiestelling van het
indicatieorgaan dient te worden betrokken."
Appellant heeft zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat
alvorens te beslissen op het bezwaar advies gevraagd had moeten worden
aan de Commissie verstrekkingengeschillen van het College voor
zorgverzekeringen (hierna: CVZ). Aangevoerd is dat CVZ niet bereid is
medewerking te verlenen aangezien de in geding zijnde huishoudelijke
hulp geen aanspraak op zorg zou betreffen als bedoeld in artikel 58,
eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ).
Appellant stelt zich achter het desbetreffende standpunt van CVZ.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 58, eerste lid, van de AWBZ bepaalde ten tijde van belang dat
een beslissing op bezwaar inzake een aanspraak op zorg of een daarmee
overeenkomende uitkering ingevolge die wet niet wordt genomen dan nadat
daaromtrent door het College voor zorgverzekeringen op verzoek van het
bestuursorgaan advies is uitgebracht.
De Raad is van oordeel dat dit betekent dat de vraag dient te worden
beantwoord of de in geding zijnde omvang van de aanspraak op vergoeding
terzake huishoudelijke hulp kan worden aangemerkt als een aanspraak op
zorg of een daarmee overeenkomende uitkering ingevolge de AWBZ. De Raad
beantwoordt die vraag ontkennend. Voor de in geding zijnde
huishoudelijke hulp wordt een financiële tegemoetkoming toegekend op
grondslag van de door de voormalige Ziekenfondsraad vastgestelde
Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring voortzetting vergoedingen voor
huishoudelijke hulp 1999 (hierna: de Regeling). Deze regeling betreft
voorwaarden waaronder de voormalige Ziekenfondsraad subsidie verleende
aan in de bijlage bij deze regeling genoemde organen. Appellant staat in
deze bijlage als subsidieontvanger genoemd. Subsidieontvangers zijn
gehouden bedoelde voorwaarden in acht te nemen bij het ten laste van de
ontvangen subsidie toekennen van financiële tegemoetkomingen in de
kosten van huishoudelijke hulp aan AWBZ-verzekerden. De bevoegdheid van
de Ziekenfondsraad om de desbetreffende subsidie te verlenen berust op
artikel 39, derde lid, aanhef en onder h van de Wet financiering
volksverzekeringen. Met name aangezien de Ziekenfondsraad met betrekking
tot de daarin bedoelde onderwerpen over geen andere regelgevende
bevoegdheid beschikt dan de bevoegdheid om regels vast te stellen
aangaande de wijze waarop aan zijn subsidiebevoegdheid uitvoering zal
worden gegeven, is de Regeling naar het oordeel van de Raad aan te
merken als een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat besluiten, genomen
ter uitvoering van de Regeling, hun grondslag vinden in deze regeling en
niet in de AWBZ, zodat zij niet zijn genomen ingevolge deze wet, zoals
bepaald in artikel 58, eerste lid, van de AWBZ. Hieruit volgt dat
appellant ter zake van het bezwaar van gedaagde niet gehouden was advies
te vragen aan CVZ.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te
worden vernietigd.
De Raad zal vervolgens, doende wat de rechtbank had behoren te doen,
beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Hij beantwoordt die vraag ontkennend.
Appellant heeft zich naar 's Raads oordeel ten onrechte op het standpunt
gesteld dat hem ten tijde van belang niet de vrijheid toekwam af te
wijken van een advies van het RIO. Dit volgt reeds uit de tekst van
artikel 2, aanhef en onder b, van de Regeling inhoudende dat de
aanspraak op vergoeding voor huishoudelijke hulp eenmaal per twaalf
maanden wordt vastgesteld "onder andere" op grond van een
indicatie als bedoeld in de artikelen 9a en 9b van de AWBZ. Voorts wijst
de Raad op zijn uitspraak van 19 december 2000, gepubliceerd in USZ
2001/52, uit welke uitspraak volgt dat het in de artikelen 9a en 9b van
de AWBZ bedoelde orgaan ten tijde van belang was aan te merken als een
adviseur als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, van de Awb en dat uit
artikel 3:9 van de Awb voortvloeit dat het bestuursorgaan zich dient te
vergewissen dat het onderzoek van de adviseur op zorgvuldige wijze heeft
plaatsgevonden. Verder wijst de Raad op artikel 3:49 van de Awb
inhoudende dat een bestuursorgaan ter motivering van zijn besluit kan
verwijzen naar een advies, indien dit advies zelf de motivering bevat en
van het advies kennis is of wordt gegeven aan de belanghebbende, welk
voorschrift onverlet laat dat de desbetreffende motivering deugdelijk
dient te zijn, zoals voorgeschreven in artikel 3:46 van de Awb.
Aangezien appellant zich blijkens het bestreden besluit niet verdiept
heeft in de zorgvuldigheid waarmee de indicatie van gedaagde tot stand
is gekomen, alsmede de deugdelijkheid van de motivering ervan, terwijl
daar in het onderhavige geval gezien de door gedaagde in bezwaar
aangevoerde gronden alleszins aanleiding toe bestond, kan dit besluit
wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb
niet in stand blijven.
Appellant zal een nieuw besluit op het bezwaar dienen te nemen met
inachtneming van deze uitspraak.
Wat het partijen verdeeld houdende geschil aangaande de juistheid van de
indicatie betreft, overweegt de Raad, in dit geding ten overvloede, dat
een regionaal indicatieorgaan, gezien de daarin aanwezige deskundigheid,
in beginsel vrijheid van oordelen toekomt met betrekking tot de bij zijn
beoordeling aan te leggen indicatiemaatstaven, behoudens voor zover
bepalingen van geschreven en ongeschreven recht daaraan in de weg zouden
staan.
De Raad is vooralsnog niet gebleken dat zulk een orgaan daarbij niet zou
mogen uitgaan van de gedachte dat iedere leefeenheid in beginsel zelf
verantwoordelijk is voor het verzorgen van de eigen huishouding.
Dit laat onverlet dat, indien door een belanghebbende ter zake hiervan
in voorkomend geval gemotiveerd en concreet geadstrueerd verweer wordt
gevoerd, bij de indicatiestelling op controleerbare wijze aandacht dient
te worden besteed aan feiten die aan (een volledige) doorvoering van
even bedoelde gedachte in de weg kunnen staan.
De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde. Deze kosten
worden begroot op € 22,40 voor reiskosten in hoger beroep.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin is
beslist over de vergoeding van griffierecht;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde
neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde in
hoger beroep tot een bedrag groot € 22,40.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter en mr. R.M. van
Male en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars, als leden, in tegenwoordigheid
van S. van der Zee als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13
augustus 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) S. van der Zee.
|
|