|
Uitspraak
01/5585
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in de dit geval
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., gevestigd te
Zeist. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan Cadans
Uitvoeringsinstelling B.V.
Bij het bestreden besluit op bezwaar van 28 februari 2000 heeft
appellant het bezwaar van gedaagde tegen zijn besluit van 3 maart 1999
ongegrond verklaard. Appellant heeft in dat besluit, toepassing gevende
aan de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring voortzetting vergoedingen
voor huishoudelijke hulp 1999 en voor zover hier van belang, bepaald dat
de aan gedaagde toegekende vergoeding voor huishoudelijke hulp met
ingang van 24 februari 1999 wordt teruggebracht naar 6 uur per week.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 10 oktober 2001 het beroep
tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
bepaald dat een nieuw besluit wordt genomen nadat advies is ingewonnen
bij het College voor zorgverzekeringen.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 juni 2003, waar
voor appellant is verschenen mr. P. Nicolaï, werkzaam in dienst van
appellant. Gedaagde is daar in persoon verschenen.
Nadat de behandeling ter zitting van 11 juni 2003 was geschorst is de
behandeling hervat ter nadere zitting van 13 augustus 2003. Partijen
zijn daar met bericht niet verschenen.
Appellant heeft bij brief van 28 juli 2003 een nader advies van het
Regionaal Indicatie Orgaan Eemland d.d. 14 juli 2003 ingezonden
II. MOTIVERING
Het in rubriek I beschreven bestreden besluit van 15 maart 2000 is
genomen na herindicatie van de zorgbehoefte van gedaagde door het
Regionaal Indicatie Orgaan Eemland (hierna: RIO) en stemt daarmee
overeen.
Gedaagde kan zich daarmee niet verenigen. Aangevoerd is - kort
samengevat - dat zij voorheen in Almere in een eengezinswoning woonde en
daar 9 uur huishoudelijke hulp per week vergoed kreeg. Zij is in
september 1998 gaan samenwonen in [woonplaats]. De boerderij van haar
partner is veel bewerkelijker dan haar oude woning en haar echtgenoot
kan door drukke werkzaamheden en rugklachten onvoldoende taken
overnemen. Voorts is het drukker dan in Almere omdat de kinderen van
haar partner eenmaal in de 14 dagen het weekend alsmede de helft van de
vakanties doorbrengen op de boerderij.
Appellant persisteert bij zijn standpunt dat er geen reden is om af te
wijken van het advies van het RIO.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit
vernietigd. Appellant heeft naar haar oordeel ten onrechte geen advies
is ingewonnen bij de Commissie verstrekkingengeschillen van het College
voor zorgverzekeringen. Zij heeft daartoe - appellant als verweerder
aanduidende en gedaagde als eiseres - het volgende overwogen:
"Ingevolge artikel 39, derde lid, aanhef en onder h, van de Wet
financiering volksverzekeringen (Wfv) worden uit het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten de uitgaven voor andere door de Ziekenfondsraad
aan te geven doeleinden, verband houdende met de algemene verzekering
bijzondere ziektekosten of met de volksgezondheid in het algemeen,
betaald. Op grond van dit artikelonderdeel is de Regeling
Ziekenfondsraad subsidiëring voortzetting vergoedingen voor
huishoudelijke hulp 1998 (hierna: de regeling) vastgelegd.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de regeling stelt de
Ziekenfondsraad uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten middelen
ter beschikking voor de voortzetting van vergoeding van de kosten van
huishoudelijke hulp in het subsidiejaar aan verzekerden ingevolge de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). In het tweede lid is
bepaald dat uit de in het eerste lid bedoelde middelen subsidie wordt
verleend aan de in de bijlage bij deze regeling genoemde rechtspersonen,
in verband met de door hen verleende voortgezette vergoeding van kosten
van huishoudelijke hulp aan AWBZ-verzekerden. Verweerder is in de
bedoelde bijlage als zodanig genoemd.
In artikel 2, derde lid, van de regeling is voorts nog bepaald dat de
subsidieontvanger minimaal één maal per zes maanden de aan de
verzekerde toekomende vergoeding vaststelt, onder meer op basis van een
indicatiebesluit als bedoeld in de artikelen 9a en 9b van de AWBZ,
waaruit volgt dat de verzekerde is aangewezen op voortzetting van de
huishoudelijke hulp.
Uit voormelde bepalingen, in samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat
verweerder ten aanzien van voormalige AAW-cliënten, zoals eiseres
belast is met de uitvoering van de AWBZ, voor zover deze wet voorziet in
aanspraken op zorg bestaande uit (onder meer) huishoudelijke hulp, zoals
bedoeld in artikel 6 van deze wet. Hieruit volgt mitsdien dat verweerder
bevoegd was tot het nemen van het primaire en het bestreden besluit.
Ingevolge artikel 58, eerste lid, AWBZ wordt een beslissing genomen op
een bezwaar inzake een aanspraak op zorg of een daarmee overeenkomende
uitkering ingevolge deze wet niet genomen dan nadat daaromtrent door het
College voor zorgverzekeringen (Cvz) op verzoek van het bestuursorgaan
advies is uitgebracht.
De rechtbank heeft moeten constateren dat verweerder alvorens te
beslissen op het bezwaarschrift bedoeld advies van het CVZ niet heeft
ingewonnen. Uit inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep (zoals bijvoorbeeld gepubliceerd in USZ
2001/52) dient ook in de zaken als de onderhavige, gelet op de
duidelijke tekst van genoemd artikel, vooraf bedoeld advies te worden
gevraagd waarbij dan tevens het besluit van het indicatieorgaan dient te
worden betrokken."
Appellant heeft zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat
alvorens te beslissen op het bezwaar advies gevraagd had moeten worden
aan de Commissie verstrekkingengeschillen van het College voor
zorgverzekeringen (hierna: CVZ). Aangevoerd is dat CVZ niet bereid is
medewerking te verlenen aangezien de in geding zijnde huishoudelijke
hulp geen aanspraak op zorg zou betreffen als bedoeld in artikel 58,
eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ).
Appellant stelt zich achter het desbetreffende standpunt van CVZ.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 58, eerste lid, van de AWBZ bepaalde ten tijde van belang dat
een beslissing op bezwaar inzake een aanspraak op zorg of een daarmee
overeenkomende uitkering ingevolge die wet niet wordt genomen dan nadat
daaromtrent door het College voor zorgverzekeringen op verzoek van het
bestuursorgaan advies is uitgebracht.
De Raad is van oordeel dat dit betekent dat de vraag dient te worden
beantwoord of de in geding zijnde aanspraak op huishoudelijke hulp kan
worden aangemerkt als een aanspraak op zorg ingevolge de AWBZ. De Raad
beantwoordt die vraag ontkennend. De in geding zijnde huishoudelijke
hulp wordt vergoed op grondslag van de door de voormalige
Ziekenfondsraad vastgestelde Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring
voortzetting vergoedingen voor huishoudelijke hulp 1999 (hierna: de
Regeling). Deze regeling betreft voorwaarden waaronder de voormalige
Ziekenfondsraad subsidie verleende aan in de bijlage bij deze regeling
genoemde organen. Appellant staat in deze bijlage als subsidieontvanger
genoemd. Subsidieontvangers zijn gehouden bedoelde voorwaarden in acht
te nemen bij het ten laste van de ontvangen subsidie vergoeden van de
kosten van huishoudelijke hulp aan AWBZ-verzekerden. De bevoegdheid van
de Ziekenfondsraad om de desbetreffende subsidie te verlenen berust naar
het oordeel van de Raad op artikel 39, derde lid, aanhef en onder h van
de Wet financiering volksverzekeringen. Aangezien de Ziekenfondsraad met
betrekking tot de daarin bedoelde onderwerpen over geen andere
regelgevende bevoegdheid beschikt dan de bevoegdheid om regels vast te
stellen aangaande de wijze waarop aan zijn subsidiebevoegdheid
uitvoering zal worden gegeven, is de Regeling naar het oordeel van de
Raad aan te merken als een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3,
vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Mede gelet hierop
vinden besluiten, genomen ter uitvoering van de Regeling, hun grondslag
in deze regeling en niet in de AWBZ, zodat zij niet zijn genomen
ingevolge deze wet, zoals bepaald in artikel 58, eerste lid, van de
AWBZ. Hieruit volgt dat appellant ter zake van het bezwaar van gedaagde
niet gehouden was advies te vragen aan CVZ.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te
worden vernietigd.
De Raad zal vervolgens, doende wat de rechtbank had behoren te doen,
beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Hij beantwoordt die vraag bevestigend.
Wat de juistheid van de indicatie betreft, overweegt de Raad, dat aan
regionale indicatieorganen, gezien de daarin aanwezige deskundigheid,
in beginsel vrijheid van oordelen toekomt met betrekking tot de bij hun
beoordeling aan te leggen indicatiemaatstaven, behoudens voor zover
bepalingen van geschreven en ongeschreven recht daaraan in de weg zouden
staan. Het RIO Eemland heeft bij brief van 14 juli 2003 inzicht gegeven
in de aangelegde indicatiecriteria en gemotiveerd waarom toepassing van
deze criteria in het onderhavige geval moet leiden tot de toekenning van
6 uren huishoudelijke hulp per week. De Raad heeft geen
aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van deze
beoordeling. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat concreet is
verwoord welke gevolgen zijn verbonden aan de specifieke situatie van
gedaagde en haar partner. Gelet hierop heeft appellant dan ook terecht
de bevindingen van het RIO aan het bestreden besluit ten grondslag
gelegd.
Hieruit volgt dat het inleidend beroep ongegrond dient te worden
verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 10 september 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|