|
Uitspraak
02/1940
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. A.Z. van Braam, werkzaam bij het Buro voor
Rechtshulp te Leeuwarden, op de bij het beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Leeuwarden van 15 februari 2002, reg.nr. 01/794 AWBZ, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Op verzoek van de Raad
heeft gedaagde bij brief van 18 juni 2003 een aantal stukken
toegezonden. Bij brief van 20 juni 2003 heeft de Raad op zijn verzoek
informatie van het College voor zorgverzekeringen ontvangen.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 november 2003, waar appellant
niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. M.E. Sybrandy en M.E. Venema, jurist Zorg respectievelijk juridisch
medewerker cluster Verzekeringen bij De Friesland Groep.
II. MOTIVERING
Voor de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen
uitspraak.
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en
omstandigheden.
Appellant heeft op 21 januari 1999 een persoonsgebonden budget voor
verpleging en verzorging (PGB) aangevraagd. Zijn echtgenote verzorgt hem
al jaren en appellant wil haar voor deze zorgverlening betalen uit het
aangevraagde PGB.
Het Regionaal IndicatieOrgaan Noord-Friesland (RION) heeft bij
indicatiebesluit van 11 november 1999 geadviseerd het PGB af te wijzen,
omdat de echtgenote van appellant alle zorg kan bieden en er geen sprake
is van uitval van zijn echtgenote.
Bij het primaire besluit van 15 november 1999 heeft gedaagde in haar
hoedanigheid van Zorgkantoor Friesland overeenkomstig het advies van het
RION het verzoek van appellant afgewezen.
Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij besluit van
25 juli 2001 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan ligt
het volgende standpunt ten grondslag. Het RION hanteert voor de
beoordeling van de zorgvraag de richtlijnen, neergelegd in de
"Protocollen en afspraken Thuiszorg Huishoudelijke Hulp en
Verzorging, gebaseerd op de Algemeen Aanvaarde Standaard
gezinsverzorging (AASV)". Volgens de AASV behoort het verrichten
van huishoudelijk-verzorgende werkzaamheden tot de primaire
verantwoordelijkheid van de huisgenoten. Van overname van deze taken
door externe hulpverlening is pas sprake wanneer de draagkracht zodanig
is dat overbelasting dreigt. Dit geldt ook voor de lichamelijke
verzorging, tenzij daartegen bezwaar bestaat bij de huisgenoot of de
zorgbehoevende. Gedaagde acht dit geen onredelijke maatstaf. In het
geval van appellant is geen sprake van overbelasting of uitval van zijn
echtgenote of tekorten in de benodigde zorg; de echtgenote heeft bij
herhaling aangegeven zelf de zorg voor haar man te willen en kunnen
blijven bieden. Evenmin doet zich de door gedaagde op bovenstaande norm
aanvaarde uitzonderingssituatie voor, dat voor de verzorging van de
zorgbehoevende een betaalde baan is opgezegd.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij
de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Naar haar oordeel is het
RION vrij bij zijn inhoudelijke standpuntbepaling bepaalde
uitgangspunten in acht te nemen en zijn de in de AASV neergelegde
uitgangspunten niet onredelijk of anderszins onaanvaardbaar. De
rapportage van het RION achtte de rechtbank tamelijk summier waar het
gaat om de aard en vorm van de benodigde verzorging, maar daaraan heeft
zij geen gevolgen verbonden omdat in de procedure duidelijk naar voren
was gekomen dat de echtgenote van appellant in het geheel geen hulp
"van buiten" wil en zij een- en andermaal had benadrukt dat
zij de hulp aan haar man al jaren verleent, dat zij dit aankan zonder de
dreiging van overbelasting, en dat zij die hulp ook volledig zelf wil
blijven verlenen.
In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd dat door het
RION en gedaagde ten onrechte onderscheid wordt gemaakt tussen interne
(afdwingbare) mantelzorg enerzijds en externe (niet afdwingbare)
mantelzorg anderzijds. Daarnaast is betoogd dat het door de echtgenote
van appellant niet kunnen aanvaarden van een baan als gevolg van haar,
mede op doelmatigheids- en kwaliteitsmotieven berustende, keuze voor
24-uurs zorg een omstandigheid is die aanleiding had moeten geven om van
de AASV-normen af te wijken. Het door gedaagde aangebrachte onderscheid
tussen zijn situatie ten opzichte van de situatie dat een echtgenoot een
betaalde baan heeft opgegeven om zorg te bieden, acht appellant
willekeurig.
Gedaagde heeft in hoger beroep zijn eerder ingenomen standpunt
gehandhaafd en heeft daaraan toegevoegd, dat als een werkende partner
besluit het tekort in benodigde zorg zelf in te vullen door zijn of haar
betaalde baan op te geven, in uitzonderingssituaties een PGB kan worden
verleend.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Een regionaal indicatieorgaan komt, gezien de daarbinnen aanwezige
deskundigheid, in beginsel een ruime mate van vrijheid toe met
betrekking tot de binnen het kader van de toepasselijke regelgeving bij
zijn beoordeling aan te leggen indicatiemaatstaven, uiteraard behoudens
voorzover geschreven of ongeschreven rechtsregels of algemene
rechtsbeginselen daaraan in de weg zouden staan. Het RION heeft met
betrekking tot de betekenis van de aanwezigheid van (interne) mantelzorg
voor de indicatie van benodigde zorg aangesloten bij de desbetreffende
normen uit de AASV. Deze kwamen er ten tijde in geding, voorzover hier
van belang, op neer dat een partner die geen betaald werk verricht in
beginsel zorg draagt voor het verrichten van huishoudelijke taken en
voor de lichamelijke verzorging van de andere - hulpbehoevende -
partner, tenzij er sprake is van (dreigende) overbelasting van de
zorgverlenende partner of deze en/of de zorgbehoevende partner moeite
heeft met taken op het vlak van de persoonlijke verzorging.
Vaststaat dat de echtgenote van appellant bereid en in staat is om de
vereiste zorg aan appellant te bieden, dat geen sprake is van een
(dreigende) overbelasting van de echtgenote, en dat met het aanvragen
van een PGB door appellant niet is beoogd externe hulp in te kopen.
Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat toepassing van de
hiervoor genoemde aan de AASV ontleende toetsingsmaatstaf in het
voorliggende geval in strijd is met het geschreven of het ongeschreven
recht. In dit verband merkt de Raad op dat ingevolge artikel 6, aanhef
en onder f, van het Zorgindicatiebesluit de aard en de omvang van de aan
de zorgvrager geboden professionele en niet-professionele hulp en zorg
en de mogelijkheden van continuering en uitbreiding daarvan, voorzover
dit voor het nemen van een indicatiebesluit van belang is, dienen te
worden onderzocht. Uit de toelichting op die bepaling blijkt dat hieraan
de gedachte ten grondslag ligt dat geïndiceerde zorg strekt ter
aanvulling op reeds aanwezige mantelzorg.
Dat gedaagde, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval,
in uitzonderingssituaties bereid is in voorkomend geval een PGB toe te
kennen indien een werkende partner een betaalde baan opgeeft met het
doel de andere partner zorg te bieden, doet aan het voorgaande niet af.
Gedaagde handelt daarmee ook niet in strijd met het in artikel 3:4,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht besloten liggende verbod
van willekeur, omdat beide situaties wezenlijk van elkaar verschillen.
In de uitzonderingssituatie is immers ten tijde van de indicatiestelling
geen sprake van (duurzaam) beschikbare interne mantelzorg.
Appellants grief inzake het maken van onderscheid tussen interne
(afdwingbare) mantelzorg enerzijds en externe (niet afdwingbare)
mantelzorg anderzijds kan hem niet baten, reeds omdat dit onderscheid
eerst van belang wordt indien een huisgenoot wel in staat maar niet
bereid is de benodigde zorg te bieden. Dat is in het onderhavige geval
niet aan de orde, nu de echtgenote van appellant bereid en in staat is
de nodige zorg te bieden en deze ook al jarenlang daadwerkelijk heeft
geboden.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De
aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
R.L. Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 februari
2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|