|
Uitspraak
02/1660
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de onderlinge waarborgmaatschappij ZAO Zorgverzekringen U.A., gevestigd
te Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. A.P.L. Pinkster, advocaat te Amsterdam, op
de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 januari
2001, reg.nr. 01/3410 AWBZ, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 14 juli 2003 en 22 juli 2003 zijn van de zijde van
appellante nadere stukken ingezonden.
Appellante heeft bij faxbericht van 17 oktober 2003 nadere informatie
verstrekt, waarop door gedaagde bij schrijven van 24 oktober 2003 is
gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 november 2003. Appellante is
in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Pinkster. Gedaagde heeft zich
laten vertegenwoordigen door mr. F.G. Veldstra, werkzaam bij gedaagde,
en mr. drs. A. van der Linden en M. Zwitser, medisch adviseur respectievelijk senior adviseur bij de
Stichting Tot en Met (hierna: Tot en Met).
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de
gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het
volgende.
Bij het bestreden besluit van 16 augustus 2001 heeft gedaagde, in haar
hoedanigheid van Zorgkantoor, met vermelding van de toepasselijke
bepalingen bij en krachtens de AWBZ de bezwaren van appellante tegen de
primaire besluiten van 24 februari 2000 en 26 februari 2001 ongegrond
verklaard. Bij het besluit van 24 februari 2000 had gedaagde op grond
van de Regeling College voor zorgverzekeringen subsidiëring
persoonsgebonden budget 2000 voor de periode van 1 januari 2000 tot en
met 31 december 2000 een persoonsgebonden budget verzorging en
verpleging (hierna: PGB) toegekend van f 60.225,-- (€ 27.328,91). Dit
PGB was gebaseerd op geďndiceerde zorg van 17 uur en 30 minuten bij
'algemene dagelijkse levensverrichtingen' (ADL), van 3 uur en 30 minuten
bij 'verzorging' en van 1 uur bij 'huishoudelijke dagelijkse
levensverrichtingen' (HDL) per week. Bij het besluit van 26 februari
2001 had gedaagde dit PGB verlengd voor de periode van 1 januari 2001
tot en met 30 juni 2001 met een bedrag van f 9.434,76, (€ 4.281,31)
berekend op basis van 6 uur en 45 minuten 'ADL-zorg' en 1 uur en 15
minuten 'verzorging' per week. Deze besluiten zijn overeenkomstig de
indicatiebesluiten van het indicatieorgaan Tot en Met van 24 november
1999 respectievelijk 16 november 2000.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voorzover
thans nog van belang heeft de rechtbank daarbij overwogen dat de moeder
en de zuster van appellante als mantelzorgers dienen te worden
beschouwd, waarmee bij de indicering rekening moet worden gehouden,
alsmede dat niet aannemelijk is gemaakt dat het indicatiebesluit van 16
november 2000 op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Het namens appellante tegen de aangevallen uitspraak ingestelde hoger
beroep heeft uitsluitend betrekking op het PGB voor de periode van 1
januari 2001 tot en met 30 juni 2001. In dat verband heeft appellante
ten eerste aangevoerd dat haar moeder en haar zuster ten onrechte als
mantelzorgers zijn beschouwd en ten tweede dat de terugval in het aantal
geďndiceerde uren van 21 uur en 50 minuten (indicatiebesluit van 24
november 1999) naar 7 uur en 45 minuten (indicatiebesluit 16 november
2000) niet medisch is onderbouwd. Daarbij heeft zij verwezen naar de
rapportage van Bos medisch adviesbureau (hierna: Bos) van mei 2001.
Naar aanleiding hiervan komt de Raad tot de volgende beoordeling.
Mantelzorg
Gedaagde sluit bij het bepalen van de zorgbehoefte en de betekenis van
mantelzorg daarbij aan bij de in het rapport van het
Verweij-Jonkerinstituut van mei 1996 opgenomen algemeen aanvaarde
standaard (hierna: AASV). Volgens die standaard wordt een huishouden
geacht primair zelf te voorzien in de gezondheid en het welbevinden van
het huishouden. Inwonende leden van het huishouden worden geacht de
huishoudelijke taken over te nemen, eventueel door middel van een
herverdeling van taken. Dit betreft zaken als schoonmaken, koken en
boodschappen doen en de zorg voor de kinderen. De grens in de zorgplicht
legt gedaagde bij een dreigende structurele overbelasting van de
mantelzorger, terwijl ook diens deelname aan het normale
maatschappelijke verkeer niet onaanvaardbaar mag worden gehinderd door
diens taak als mantelzorger. Volgens gedaagde valt de persoonlijke
verzorging van de patiënt niet binnen deze (afdwingbaar geachte)
mantelzorg.
Gedaagde heeft aangegeven, dat zij uitgaat van de aanwezigheid van een
duurzame huishouding (leefeenheid) wanneer de leden gemeenschappelijk
gebruik maken van algemene voorzieningen zoals keuken of woonkamer, de
relatie tussen de leden niet commercieel is en de huishouding gedurende
de afgelopen zes maanden voorafgaande aan de indicatie gemeenschappelijk
was. Volgens gedaagde was er in het geval van appellante op het moment
van de indicatiestelling sprake van een huishouding als hiervoor
bedoeld. De moeder en de zuster van appellante woonden langer dan een
half jaar bij haar en zij zijn destijds vrijwillig op grond van hun
familieband en niet om financiële redenen uit Marokko overgekomen om
haar te verzorgen. Dit impliceert volgens gedaagde dat van de moeder en
de zuster van appellante als lid van de huishouding kan worden gevergd
dat zij huishoudelijke taken van appellante overnemen en hulp bieden bij
de verzorging en opvoeding van haar zoontje.
Appellante betwist dat haar moeder en haar zus deel uitmaken van haar
huishouding, omdat zij eerst bij haar zijn komen wonen toen appellante
zorgbehoevend was geworden. Aangezien zij toen in Marokko woonachtig
waren, moesten zij om haar hulp te kunnen bieden wel bij haar komen
inwonen. Deze situatie verschilt volgens appellante wezenlijk van die,
waarin personen al een gemeenschappelijke huishouding vormen op het
moment dat een persoon daarvan hulpbehoevend wordt.
De Raad onderschrijft de strekking van het standpunt van gedaagde. Dat
de moeder en de zuster in 1994 uitsluitend bij appellante zijn gaan
wonen om haar te kunnen verzorgen en haar te helpen bij de opvoeding en
verzorging van haar kind, doet niet af aan het feitelijke gegeven dat
zij ten tijde in geding als lid van het huishouden beschikbaar waren om
huishoudelijke taken te verrichten en hulp te bieden bij de verzorging
en opvoeding van het zoontje van appellante.
Van de zijde van appellante is betoogd dat de moeder en de zuster door
de zorg die zij leveren geen normaal maatschappelijk leven kunnen
leiden, hetgeen volgens haar een reden zou moeten vormen om meer uren te
indiceren. Dit betoog slaagt reeds niet, nu ter zitting van de zijde van
appellante is bevestigd dat bij toekenning van een hoger PGB haar moeder
en haar zuster in dezelfde omvang zorg zullen blijven verlenen, zij het
in dat geval tegen betaling uit het PGB. Toekenning van een hoger PGB op
basis van meer zorguren heeft derhalve geen consequenties voor de omvang
van de zorg die zij feitelijk bieden en dus ook niet voor de ruimte die
zij beschikbaar hebben voor deelname aan het maatschappelijk leven.
Geďndiceerde uren
De door appellante in gebrachte rapportage van Bos komt uit op 35,17 uur
per week benodigde zorg. Daarvan zijn 24,7 uur aangegeven voor
huishoudelijk werk en de verzorging van het zoontje van appellante,
welke werkzaamheden - naar uit het voorgaande volgt - van de moeder en
de zuster als interne mantelzorgers kunnen worden gevergd. Voor
persoonlijke verzorging is in de rapportage van Bos 10,5 uur opgenomen.
Het verschil met het door Tot en Met geďndiceerde aantal uren wordt met
name veroorzaakt door het aantal minuten zorg dat nodig is bij de
toiletgang: volgens Bos 60 minuten per dag en volgens Tot en Met 15
minuten per dag.
Een indicatieorgaan als Tot en Met komt, gezien de daarbinnen aanwezige
deskundigheid, in beginsel een ruime mate van vrijheid toe met
betrekking tot de in het kader van de toepasselijke regelgeving bij zijn
beoordeling aan te leggen indicatiemaatstaven, behoudens uiteraard
voorzover geschreven of ongeschreven rechtsregels of algemene
rechtsbeginselen daaraan in de weg zouden staan. Voor de verschillende
vormen van zorgverlening hanteert Tot en Met de standaardnormen van de
Landelijke Vereniging voor Thuiszorg als richtlijn.
Bezien tegen de achtergrond van de hiervoor bedoelde normen, heeft Tot
en met - mede op basis van observaties - de tijden voor de verschillende
vormen van door appellante benodigde zorg vastgesteld. Hiertoe hebben
adviseurs van Tot en Met, onder wie een arts en een indicatieadviseur,
tweemaal een huisbezoek bij appellante afgelegd. Op grond hiervan zijn
zij tot de conclusie gekomen dat appellante bij toiletgang slechts in
geringe mate, en ook niet altijd, hulp nodig heeft. Niet kan worden
gezegd dat toepassing van de hiervoor bedoelde normen in het
voorliggende geval in strijd is met het geschreven of het ongeschreven
recht.
De Raad ziet in het rapport van Bos onvoldoende aanknopingspunten om het
aantal door Tot en Met voor persoonlijke verzorging geďndiceerde uren,
waaronder die voor hulp bij de toiletgang, onjuist te achten. De Raad
heeft daarbij in aanmerking genomen dat het rapport van Bos niet is
toegesneden op de door Tot en Met bij de indicatie gehanteerde
standaardnormen en dat in dat rapport evenmin is aangegeven waaruit de
(gedurende 60 minuten per dag te verlenen) hulp bij de toiletgang zou
moeten bestaan.
Slotoverwegingen
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
R.L. Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 februari
2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|