|
Uitspraak
01/5234
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], verblijvende te [woonplaats], appellant,
en
de Minister van Justitie, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant verblijft op grond van een terbeschikkingstelling met
dwangverpleging in het psychiatrisch ziekenhuis Geestelijke
Gezondheidszorg Eindhoven. Bij besluit van 9 mei 2000 heeft gedaagde in
verband met dit verblijf met ingang van 26 mei 1998 de eigen bijdrage op
grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vastgesteld op
f 64, 84 (€ 29,42). Gedaagde heeft bij dat besluit deze bijdrage met
ingang van 1 juli 1998 herzien en vastgesteld op f 1536, 07 (€ 697,04)
en met ingang van 1 juli 1999 op f 1612, 47 (€ 731,71). Dit besluit is
genomen naar aanleiding van een eerdere uitspraak van de rechtbank.
Het hiertegen gerichte bezwaar werd bij het bestreden besluit van 20
juni 2000 ongegrond verklaard. De vaststelling van de eigen bijdrage met
ingang van 1 juli 1998 is bij dat besluit gewijzigd in f. 1536,67 (€
697,31).
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 31
augustus 2001 van de rechtbank 's-Hertogenbosch, nummer AWB 00/5421
AWBZ, waarbij het beroep tegen het zojuist genoemde besluit van 20 juni
2000 ongegrond werd verklaard en waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 maart 2004, waar
appellant in persoon is verschenen. Gedaagde is niet verschenen.
II. MOTIVERING
De vraag die gedaagde en appellant verdeeld houdt, is of bij het bepalen
van de eigen bijdrage op grond van de AWBZ rekening moet worden gehouden
met de kosten van de huur van zijn woning en zijn garage. Het gaat in
dit geding om de vraag of de Raad het oordeel van de rechtbank daarover
kan volgen.
Dat is het geval. De Raad zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen
en overweegt daartoe het volgende.
Op grond van het op de datum in geding (26 mei 1998) geldende
Bijdragebesluit zorg dient een verzekerde zoals appellant bij te dragen
aan de kosten van de door een inrichting zoals het genoemde
psychiatrische ziekenhuis verleende zorg. Bij het bepalen van deze eigen
bijdrage zijn de revalidatiekosten omschreven in artikel 10, eerste lid,
van het genoemde besluit - hier zijn dat de kosten in verband met de
woonruimte die een verzekerde na beëindiging van zijn verblijf zal
betrekken om daarin een zelfstandige huishouding te gaan voeren of voort
te zetten - aftrekbaar van het bijdrageplichtig inkomen, indien het
uitvoeringsorgaan (in dit geval gedaagde) het waarschijnlijk acht dat
het verblijf van de verzekerde (in dit geval appellant) in de inrichting
kan worden beëindigd en terugkeer naar de maatschappij mogelijk is.
Bij de toepassing van deze voorwaarde voor vermindering van het
bijdrageplichtig inkomen hanteert gedaagde het uitgangspunt dat er
sprake dient te zijn van een reële kans op ontslag uit de inrichting.
Dit is volgens gedaagde in een geval als het onderhavige aan de orde,
indien er proefverlof is verleend. De wijze waarop gedaagde in dit geval
toepassing heeft gegeven aan deze voorwaarde is naar het oordeel van de
Raad rechtens niet onjuist.
De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat appellant op de datum in
geding geen proefverlof had en dat op dat moment ook niet was te
verwachten dat dit verlof op korte termijn zou worden verleend gelet op
het vonnis van het gerechtshof te Arnhem van 27 juli 1998, waarbij de
terbeschikkingstelling van appellant met dwangverpleging met twee jaren
werd verlengd zodat niet voldaan is aan de in artikel 10 van het
Bijdragebesluit zorg gestelde voorwaarde. Zulks klemt temeer nu, naar
ter zitting desgevraagd is bevestigd, tot op heden de ter
beschikkingstelling voortduurt, geen proefverlof is verleend en evenmin
door gedaagde machtiging tot het verlenen van dat verlof is gegeven.
Volgens appellant heeft gedaagde het gelijkheidsbeginsel geschonden
omdat er meer mensen in het genoemde psychiatrisch ziekenhuis zouden
verblijven die in met gedaagde vergelijkbare omstandigheden verkeren en
wel woonkosten in mindering kunnen brengen op het bijdrageplichtig
inkomen. Zoals ook de rechtbank terecht heeft vastgesteld op basis van
de toen aan haar bekende informatie bevatten de stukken van het geding
geen aanwijzingen die de stelling van appellant dat gedaagde in strijd
met het gelijkheidsbeginsel zou hebben gehandeld, onderbouwen.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld
dat gedaagde het op goede gronden niet waarschijnlijk heeft geacht dat
het verblijf van appellant in het genoemde psychiatrisch ziekenhuis op
basis van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan worden beëindigd
en terugkeer naar de maatschappij mogelijk is.
Ook overigens is de Raad niet gebleken dat het bestreden besluit tot
vaststelling van de eigen bijdrage niet juist zou zijn.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid
van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op
5 mei 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|