|
Uitspraak
02/3844
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. T. Scholtus, advocaat te Den Haag, op de in
het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 juni 2002, reg.nr. AWB
01/1334 TOG, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend en
desgevraagd nadere stukken ingezonden.
Bij brief van 9 maart 2004 is van de zijde van appellant een nader stuk
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 24 maart 2004, waar
appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Scholtus, en
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T. Sturmans,
werkzaam bij gedaagde, en de verzekeringsarts A. Zwierzina van Argonaut
BV.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de
gedingstukken naar de aangevallen uitspraak.
Bij het bestreden besluit van 5 maart 2001 heeft gedaagde gehandhaafd
zijn besluiten van 17 augustus 2000, inhoudende afwijzing van de op 15
februari 2000 ingekomen aanvraag om een tegemoetkoming onderhoudskosten
voor de zoon van appellant Mounim. Mounim is [in] 1986 geboren met een
afwijking aan beide handen en polsen.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat voor wat betreft de
Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en
ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen, zoals die van kracht was tot
1 januari 2000 (TOG oud), Mounim weliswaar als meervoudig gehandicapt
kan worden aangemerkt maar dat hij niet voldoet aan de aanvullende
voorwaarden die de TOG stelt bij deze categorie. Voor wat betreft de
TOG-regeling die op 1 januari 2000 (TOG 2000) in werking is getreden is
het standpunt ingenomen dat Mounim niet aanzienlijk meer afhankelijk is
van geregelde verzorging of oppassing dan een gezond kind van dezelfde
leeftijd.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en - kort gezegd -
overwogen dat het ZVN-advies dat ten grondslag ligt aan het bestreden
besluit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en uit de adviezen
blijkt dat Mounim niet voldoet aan de in de TOG oud en TOG 2000
neergelegde criteria.
In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd gekeerd tegen het
oordeel van de rechtbank. Appellant betwist de zorgvuldigheid van het
onderzoek omdat geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Voorts
stelt appellant zich op het standpunt dat Mounim niet in staat is de
algemene dagelijkse levensverrichtingen grotendeels zelf uit te voeren,
maar daarbij intensieve begeleiding behoeft. Daardoor is hij aanzienlijk
meer afhankelijk van geregelde oppassing en verzorging dan een gezond
kind van zijn leeftijd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt voorop dat TOG oud en TOG 2000 tot doel hebben
ouders/verzorgers die een zeer ernstig gehandicapt kind thuis verzorgen,
terwijl dit kind gelet op de aard en mate van zijn handicap in een
intramurale AWBZ-instelling geplaatst zou kunnen worden, financieel
tegemoet te komen.
In artikel 3 TOG oud is - kort gezegd - aangegeven dat er naast het
aanspraak kunnen maken op opname in een AWBZ-instelling sprake dient te
zijn van (a) leerbaarheid van onderwijs of (b) blijvend aangewezen zijn
op intensieve zorg, behandeling of begeleiding zonder vooruitzicht op
vermindering van de beperkingen, of (c.1) een ernstige beperking in
communicatie met anderen en (c.2) zich zonder hulp binnenshuis niet of
nauwelijks kunnen verplaatsen en (c.3) zogenaamde ADL-afhankelijkheid.
In artikel 3 TOG 2000 is - kort gezegd - bepaald dat als (voorlopig)
blijvend gehandicapt wordt aangemerkt het kind dat (a) aanspraak kan
maken op een opname in een AWBZ-instelling en (b) aanzienlijk meer
afhankelijk is van geregelde verzorging en oppassing dan een gezond kind
van dezelfde leeftijd.
Gelet op de bij de Raad ruimschoots voorhanden zijnde medische en andere
gegevens, waaronder zich bevinden de adviezen van de arts K.J. van
Landeghem van ZVN Advies van 1 mei 2000 en de arts A. Zwierzina-Knol van
Argonaut BV van 13 februari 2001, onderschrijft de Raad de strekking van
de aangevallen uitspraak.
Hierbij merkt de Raad nog op dat het achterwege laten van een
lichamelijk onderzoek bij Mounim door genoemde artsen dit niet anders
maakt. Deze artsen beschikten over voldoende gegevens omtrent de zorg-
en de oppasbehoefte van Mounim, onder andere uit de verklaringen van de
ouders, de school en de revalidatiearts. Uit de bevindingen van Van
Landeghem en in hetgeen namens partijen ter zitting naar voren is
gebracht blijkt overigens dat Mounim thuis aanwezig was bij het
huisbezoek dat van Landeghem op 26 april 2000 aan Mounim en zijn ouders
heeft gebracht. Nog daargelaten dat het 'Medisch protocol Wvg ZVN
Advies' is bestemd voor de advisering in het kader van de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) en dus niet voor adviezen als de
onderhavige, blijkt uit dit protocol evenmin dat een lichamelijk
onderzoek voor alle adviesaanvragen vereist is.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt
en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid
van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op
5 mei 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|